Schoolonderwijs.
II.
Onderwijs is noodig, is een behoefte des menschen.
Nu treedt de vraag naar voren: Hoe moet aan deze natuurlijke behoefte des menschen worden, voldaan? Wie moet dit onderwijs verschafi'en?
Het antwoord op deze vragen luidt in onze dagen: de School.
Er is ook wel .beweerd, dat de School een onnatuurlijk element in ons maatschappelijk levensorganisme zou zijn; dat schoolonderwijs onnatuurlijk zou wezen. We hoorden dat nog onlangs beweren ter jaarvergadering der (landelijke) Vereeniging voor Christelij k-Nationaal schoolonderwijs en deze bewering staven met de mededeeling, dat in oud-Israël geen i Scholen" bestonden.
Dit laatste reeds is niet juist, wijl de H. Schriften des Ouden Testaments ons menigmaal van „profetenscholen" spreken. Natuurlijk geven we aanstonds toe, dat deze geen scholen waren in den gewonen zin des woords, geen „volksscholen". Toch bewijst het bestaan van deze scholen reeds, dat ook in Israël tot dezen vorm van onderwijsinrichtingen de toevlucht werd genomen, zoodra het onderwijs eischen stelde, waaraan de ouders niet konden beantwoorden.
Overigens is het uit het Bijbelverhaal duidelijk, dat naar Gods ordinantiën de ouders de aangewezen onderwyzers hunner kinderen waren en het gezinsleven ae school vormde. Het blijkt voldoende uit Psalm 78 en uit meerdere Goddelijke opdrachten aan Mozea en Jozua. Toch moeten we zeer voorzichtig zijn, hieruit te concludeeren, dat schoolonder-^ijs onnatuurlijk is, omdat Israël geen gehelen kende als wij. Men vergete niet, dat d« maatschappelijke toestanden bij Israël 300 heel anders waren dan bij ons.
De Israëliet zat onder zijn wijnstok en vijgeboom en verzorgde zijn vee. Vanneer den jongen Israëliet de kennis en de handigheid voor dezen socialen arbeid waren aangebracht en hij voorts in staat was de wetten van Jehova — nog niet eens te lezen, maar te verstaan, dan was zijn opvoeding voltooid. Naarmate echter de ontwikkeling van het volksbestaan zich uitbreidde, nam ook de behoefte aan meer uitgebreid onderwijs toe. In veel verder toegepaste „verdeeling van den arbeid" heeft het Gode behaagd aan onze Westersche maatschappij een rijkeren zegen te schenken dan aan het sociale leven van Israels volk. Deze zegen is ook het volksonderwijs teu goede gekomen, maar heeft tevens aan dat onderwijs hooger eischen gesteld.
Erkennen wij nu in deze sociale ontwikkeling een natuurlijke ordening, dan kan het schoolonderwijs niet onnatimrlijk worden geacht. Ook in ons land waren er in de tijden van het primitieve leven, in de Germaansche maatschappij, geen scholen. Berst toen het Christendom behoefte aan hooger ontwikkeling schiep, werden ze gesticht. Keizer Karel de Groote heeft misschien niet — gelijk onze geschiedenisboekjes vrij algemeen beweren — scholen gebouwd, maar toch stellig het volksonderwijs met belangstelling gadegeslagen en bevorderd En als uu vaststaat, dat de behoefte aan schoolonderwijs in zijn dagen geboren werd uit den drang tot godsdienstige opvoeding des volks, dan ook is het ongerijmd, te beweren, dat schoolonderwijs onnatuurlijk zou zijn. De geestelijke stand was de drager der schoolsche wetenschap, toen zelfs de adel nog ongeletterd zijn ridderlijk leven leidde.
Als daarna de derde stand zich ontworstelt aan de voogdij van geestelijkheid en ridderschap; als de welvaart der steden den burgerstand verheft tot het peil, waaraan wij de ontwikkeling onzer tegenwoordige maatschappij danken, dan ontwaakt de zucht naar kennis, naar wetenschap. En deze begeerte is in zich zelf niet zondig. De dorst naar kennis is uit God, ook al heeft de Satan hem vaak aangegrepen als een voortreffelijk middel der verleiding.
De dorst naar kennis is nochtans uit God. Spreekt de leiding, de „vinger Gods" in de historie hier niet mede? God zelf bevredigt deze zucht naar weten, door op dit oogenbiik der wedergeboorte van het volksleven de boekdrukkunst aan de menschheid als een on waardeerbaren schat toe te vertrouwen.
God zij geloofd! Want door deze uitvinding heeft het Hem behaagd in de Hervorming ons volksleven uit onwetendheid en bijgeloof, maar ook uit de omarming der scholastieke wetenschap van het oude heidendom te redden. Want — niet de groote Rotterdammer, Erasmus, maar de Hervormers, Luther en Calvijn, hebben aan de volkeren van West-Europa de hooger ontwikkeling van de maatschappij der Nieuwe Geschiedenis gebracht. In die maatschappij werd de behoefte aan volksonderwijs door de school eerst recht gevoeld.
En scholen werden toen allerwegen gesticht, echte volksscholen. Op politieke meetings, als het erom gaat de bizondere (christelijke) sehool bij het kiezerskorps verdacht te maken met lage politieke oogmerken, hoort men telkens de goedkoope bewering: de volkssehool in onze Republiek ging uit van de Kerk, en dus — is men dan wel zoo vriendelijk er bij te voegen — was ze slecht.
Het een zoowel als het ander met bewijzen te staven, valt evenwel niet zoo gemakkelijk als het den volke, vooral blijkbaar „het denkend deel" van ons kiesgerechtigd volk, op de mouw te spelden. Tal van ordonnantiën en resoluties uit die dagen bewijzen, dat de magistraat zich toen reeds de verzorging van het volksonderwijs tot taak stelde. Al had ook de „Staatskerk" grooten invloed op het volksonderwijs, de school was niettemin Overheidsschool en haar onderwijs was — goed.
Goed naar de behoeften van dien tijd. We behoeven niet te wijzen op onze groote mannen van wetenschap en sociaal bedrijf uit die dagen, sterren aan het firmament van het maatschappelijk wereldleven, die slechts uitzonderingen konden zijn. Neen, de ontwikkeling van bandel en bedrijf in „de gouden eeuw" onzer historie spreken er nog van, dat kennis en handvaardigheid gemeen goed onzer natie vormden in veel hoogere öiate dan bij de volkeren onzer hedendaagsehe groote staten.
Edoch, het schoolonderwijs tijdens onze republiek vergeleken met de hedendaagsche school maakt zeer seker een poover aguur — voor wie niet de dingen in de lijst van hun tijd beschouwt. De reusacKtige voortschrijding der cultuur tot hare ontwikkeling in ons tegenwoordig sociale leven heeft natuurlijkerwijze veel grooter behoefte aan schoolonderwijs geschapen. Er is toch in onze hedendaagsche maatschapgij schier geen plaats meer te bezetten, die niet eischt een zekere mate van kennis, welke den mensch in staat stelt de handvaardigheid te ondersteunen en op te voeren tot hooger voortreffelijkheid.
Er is in onze dagen meer dan ooit behoefte aan scholen en schoolonderwijs. En het is een eere der Vereeniging tot stichting en instandhouding van Chr. Nat. scholen voor Rotterdam, en een voorrecht daaraan te mogen medewerken, dat zij streeft naar de stichting binnen niet al te langen tijd van nog een „school" — reeds zonder meer — in onze Maasstad. Vinde haar streven véél steun en medewerking.
Is nu de behoefte aan schoolonderwijs, aan volksonderwijs in en door de school vastgesteld, dan is het gansch niet onverschillig, welk beginsel de verhouding bepaalt tusscben de school en het geheel van ons volksleven.
In het keizerrijk van den grooten Karel gingen de scholen van de Kerk uit. In onze Republiek waren ze Overheidsscholen. Dej 19e eeuw, levend uit de beginselen der Fransche Revolutie, heeft ook in het schoolwezen groote veranderingen ingevoerd, welke niet onverdeeld zijn toe te juichen. Zeker niet uit een oogpunt van Chrtstelijk historisch volksleven. „Vadertje Staat" werd onder den invloed der revolutionaire begrippen, niet slechts de sttchter en verzorger van scholen, neen, maar de „schoolmeester" en het is waarlijk niet de schuld der revolutionaire volks verleiders, dat „Vader Staat" niet maar tevens „vader en moeder" van het schoolkind werd.
Men ver war re deze „Staatsschool" der 19e eeuw echter niet met de „Overheidsschool" van onzen republikeinschen magistraat. Ze danken haar wezen aan geheel tegenovergestelde begrippen van het ambt der Overheid. De magistraat van onze „Zeven Provinciën" erkende de Souvereiniteit Gods en rekende deswegen met de „heilige orde", door dien God in d.e menschelijke samenleving gesteld; ontzegde dus niet de heilige rechten der onderscheiden organen van het volksleven, óók niet in het schoolwezen. De Staatsalmacht der revolutie, opgebloeid uit de feitelijke aanvaarding van het „Ni Dieu", al kwam ze, uit de zucht naar eigen lijfsbehoud, schier dagelijks in botsing met het „ni maltre", eischte de heerschappij over de volksschool uitsluitend voor zichzelf op met ter-zijde-stelling en miskenning van het recht van elk ander, zélfs van het onderrecht.
Over het noodlottig gevolg van dit revolutionair school begrip, dat „neutraal onderwijs" genoemd werd, spreken we straks. Hier stellen we slechts vast de onjuistheid, de volmaakte ongerijmdheid van het princiep, dat de Staat alléén zeggenschap zou hebben over de school en de richting en bedoeling van het schoolonderwijs.
In den roemruchten schoolstrijd der 19de eeuw, onzen modernen 80-jarigen worstelstrijd, „het schrikk'lijk pleit van dwang en vrqheid, " als een vrijzinnig professor dien strijd schold ton schande zijner geestverwanten, is onzer zij ds tegenover het beginsel „de Staat schoolmeester" de leuze gesteld: „De school aan de ouders". Toch komt ons ook dit beginsel niet geheel juist voor. Ongetwijfeld zijn naar Schriftuurlijke uitspraken de ouders, is bizonderlijk de vader de meest natuurlijke opvoeder en onderwijzer van het kind. Maar — wij belijden immers, dat behalve de Schriftuur ook de Natuur, en wel zeer bizonder de Historie, ons leermeester is der Godskennis. Wij toonden reeds aan, dat de historische ontwikkeling van het volksleven, door God geleid, k\ hoogere eischen stelde aan het onderwijs der jeugd. Evenzoo maakt de historie duidelijk, dat, naarmate het terrein der school zich uitbreidde, de kring van be h b langhebbenden en daarmee het getal der rechthebbenden in het schoolonderwijs grooter werd.
De volksschool in onzen tijd is méér dan vroeger geworden een maatschappelijk instituut. Ddirom is er een rechtsverhouding geschapen, die alle elementen van het sociale organisme omvat. De ouders blijven, omdat het Woord Gods eeuwigblijvend en onveranderlijk is, de eerst verantwoordelijken. Het gezin, de kiem van het volksleven, is ook de wortel, waaruit de school opwast en levenssappen zuigt.
Maar het belang van den Staat in de mate van ontwikkeling zijner burgers is van zóo groote beteekenis, dat hem nimmer het recht kan ontzegd worden van zekere macht op schoolgebied uit t« oefenen. De Staat kassier der sehool en niets meer, is geen gezond, wijl geen Schriftuurlijk noch historisch begrip. In de derde plaats heeft de Kerk groot belang bij den inhoud van het schoolonderwijs. Wij zijn, niet minder dan de revolutie-helden, in ons tegenwoordig maatschappelijk leven afkeerig van „ker kelijke" scholen. Maar de vorm dient gevonden, waarin de Kerk voor haar belang een rechtmatigen invloed op ons schoolwezen erlangt. J
En eindelijk, het laatst doch niet het minst, de school is een maatschappelijk instituut, waarin de onderwijzer zigu sociale taak heeft te volbrengen. Hoe zou het kunnen ontkend worden, dat de onderwijzer rechtspersoon in het schoolwezen is ? Met dit princiep is het ambtenaarschap van den openbaren onderwijzer in onze „Staatsschool" in fiagranten strijd, want zijn sociale taak is een veel hoogere, een veel meer verantwoordelijke dan die van den ambtenaar op het bevolkingsbureau, welke zich dag aan dag met niets anders heeft bezig te houden dan met hetregistreeren van geheel buiten zijn persoonlijkheid vaststaande feiten.
Wij schijnen aan een kentering te zijn toegekomen in de principiëele beoordeeling van ons „volksschoolwezen"; De nieuwe richting zal eerst dan de school verbeteren, als deze vier „machten", vader en onderwijzer, staat en kerk, in de juiste verhouding en het rechte verband worden verantwoordelijk gesteld en in tochten aangewezen voor de taak, de schoone taak van het schoolonderwijs.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's