Zware tijden.
2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zuilen zware tijden.
IV.
De besmetting dezer eeuw deed dus hare werking uitgaan op de Kerk in al hare vormen. De tijdgeest heeft haar uitwendig laten staan, maar haar innerlgk vermolmd. Gewoonlijk wordt aan de Kerken hare verdeeldheid ten laste gelegd en menigeen siet met een eenigszins mysterieusen eerbied op naar de Êoomsehe Kerk, alsof deze een exempel van eenheid zou vertoonen en als zoodanig een steun zou bieden, dien het Protestantisme door zijne veelvormigheid niet kan geven. Uitwendig gezien schijnt dit ook zoo. Maar meer dan schijn is het niet. Er was een tgd, waarin de Eoom sche Kerk onbeperkt heerschappij voerde over de volkeren. Maar de geschiedenis heeft geleerd, dat ook zij, ondanks haar machtige organisatie, toch niet in staat gebleken is hare heerschappij te handhaven. De veelvormigheid van het levgn groeide uit boven het juk harer eenvormigheid. Te betreuren is dat niet. Bovendien, de schgnbare eenheid omsloot toch altijd een veelvormige werkelgkheid. En het is niet onbekend, hoe ook in onzen tijd het modernisme doordrong in de Eoomsche Kerk en hoe vooral onder Eoomsche volken de afval zeer groot is geworden. Het gansche kerkwezen onzer dagen vertoont eene innerlqke verzwakking, eene verwording en geestelijke verarming, die de oorzaak is van de versmelting van haren invloed op het leven onzes tgds. De Kerken beneerschen niet meer den levensgang. Zij houden niet meer het ideaal boven den gang der ontwikkeling, maar het materialisme wijst de richting aan. De menschen leven bijkans niet meer uit eeuwige dingen. Hunne belangstelling daarvoor is over het geheel maar uiterst gering. Uit dat oogpunt gezien is het moderne leven gansch anders van karakter dan dat der voorgeslachten. Wel is er eenige meerdere belangstelling in wijsgeerige vraagstukken, maar deze wordt meest aangetroffen in den kring der zoogenaamde intellectueelen en heeft met geestelijke behoeften, zooals het Evangelie die verstaat, weinig of niets gemeen. De oorzaak daarvan ligt in de verzwakking der conscientie. Er is geen zondebesef meer bij de massa te speuren. Daarom is de behoefte aan het Evangelie ook zoo gering. Van een honger en dorst naar gerechtigheid geen sprake. Het schijnt wel alsof bij duizenden en nogmaals duizenden de conscientie toegeschroeid is. Zij leven en brengen slechts in toepassing de oude spreuk der Epicuïeën ^laat ons eten, drinken en vrooHjk zijn, want morgen sterven wij." Aan Gods recht over het leven wordt niet meer gedacht Dat het een mensch gezet is te sterven en daarna het oordeel, wordt niet meer in acht genomen. Zoo leven zij en zoo sterven zij en betoohen zich in en onder dat alles niet gelijk den heidenen, maar veel erger. Want de heidenen staaiï tegenover dood en eeuwgheid nog met eene verwachting en eene hope, met 'ê^wiglieidsgèdacttén en onsferffijkheidsgeloof. Maar bij den modernen kultuurmensch is dat alles teruggew^ken. Hij is als afgestompt voor alle hooger leven. Het schijnt soms als ©ntging hem alle behoefte daaraan. Hij wil er niet van hooren en zelfs de gedachte aan een recht Gods in en over ons menschelijk leven hindert vertoornt hem. Het is hem alles en vreemd gsworden en heeft voor hem het karakter van iets, dat uit een anderen tijd is, waaraan hij ontwassen is. Van rehgie geen sprake meer. Hoogstens, als hij er nog mede in aanraking komt, een zeker respect voor de uniform van een pastoor, voor het geheimzinnige der Eoomsche Kerk: maar vqor een predikant in het geheel niets dan verachting. Z00 staat de maatschappij voor ons als ontkerstend. En meen niet, dat dit te veel gezegd is, want de zoom in de maatschappg, die zoo leeft, is verre van klein. Integendeel, het aantal dergenen, die anders voelen en zien, is tegenover dien breeden stroom van Epicureën feitelijk maar gering. Wijs niet op het groote aantal stemmen, dat bij politieke verkiezingen op rechts wordt uitgebracht. Want; een maatstaf levert zulk een som allerminst, omdat daarbij allerlei materieele ] belangen maar al te vaak den toon aan-' geven. Wie het schoonst kan spelen op de fluit, of het beste kan beloven, of het vrijmoedigst durft opbieden, of ook wat men van de andere partij het meeste vreest, dat beweegt de massa. Maar voor 1 geestehjke belangen wordt zij niet warm.' Als ze nog meetellen, dan is het om van den last af te komen, zooals wij aan het verloop der schoolkweatie zien kunnen. Van diepe geestelijke nooden wordt helaas weinig of niets bespeurd. Men klaagt er, over, dat er van overheidswege geene biddagen worden uitgeschreven en terecht, want ook de overheid als inietting Gods heeft als zijne dienaresse eene roeping om Gods Naam te bekennen, maar voor het volk zeK behoeft toch de nalatigheid der overheid geene oorzaak te zgn om' aan de verootmoediging voorbij te gaan. Dat de overheid in dezen nalaat voor j te gaan vindt zijn grond in het volslagen gebrek aan geestehjke behoeften in het volksleven. Het volk en niet de overheid is de eerste schuldige.
Elk volk heeft trouwens de overheid, die het verdient De algeheele inzinking van het geestehjk leven der massa doet hierbij haren invloed gelden. En dat, hoewel de tijden zoo dreigend zijn en de toekomst zoo donker zich laat aanzien en er ondanks dat aUes van eene vernedering voor Gods aangezicht niets te bemerken valt, het is een teeken, dat ; meer dan iets anders uitwgst, hoe ellendig het met den geestelijken toestand gesteld is. Heel het leven onzes tijds ver-: krggt hoe langer hoe meer een karakter van afgestomptheid voor geestelijke en eeuwige dingen. Zoo wordt onze hooggeroemde beschaving door en door materialistisch, wgl zij alle hoogere idealen verliest. Zij zinkt uit geestelijk oogpunt beschouwd en naar zedeiijk-godsdienstigen maatstaf gemeten, terug op het peü van het oude heidendom. Zij heet nog chris-[ telijk, maar is het in wezen sinds lang ; niet meer. Het kruis schgnt haar in een vijand verkeerd en den Gekruisigde haat zij, ondanks de heerlijkheid Zijner liefde en de teederheid Zgner ontferming. Zij heeft behoefte aan gerechtigheid en wil toch Hem niet, die de Heere onze gerechtigheid is.
Zoo bestaat het wereldleven onzes tijds, ongeroerd door eigen geestelijke ellende. En te midden van dat alles is er nu nog wel een groep, die zich naar Christus' Naam noemt, maar het kan van haar allerminst gezegd worden, dat zij afstaat van de ongerechtigheid, noch ook dat ook zij door diep gevoel van de ellende uitmunt. Er gaat daarom van de kerken geen getuigenis uit tot de wereld. Zij staan niet te midden van deze maatschappij als een pilaar der vastigheid. Zij verwarmen niet door hare liefde en zg lokken niet door den glans der gerechtigheid. Hare machteloosheid wordt beseft en daarom keerde zich de massa af. Zij blijken zélve maar al te dikwijls niet te hebben van hetgeen zij der wereld moeten aanbieden. Zg laten zelfs in eigen leven zoo weinig zien van hetgeen zij toch als openbaringen van Christus' lichaam moesten vertoonen. Wie merkt er in de samenkomst der gemeente van, dat hg nederzit in Gods huis te midden der gemeente, die zijn lichaam is. De massa zit neder, in het gunstigste geval om een bepaald prediker te hooren, aan wien zij boven eenige anderen ds voorkeur geeft. Maar wie verstaat er iets van het schoone lied:
Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook samenwonen!" Ieder sit er neer en hij kent niet zijnen naaste en hij bemoeit zich met hem niet. Ons gemeenteleven is niet aangepast aan het leven onzes tijds. De massa-kerken onzer dagen moeten wel een karakter dragen, dat zich niet verdraagt met de teederheid van het leven der gemeente zooals het ons in de Schrift geteekend werd. En dat te meer nu ook de gehechtheid aan Schrift en belijdenis afsleet. Met al de ruimheid, waarop de menschen zich gaarne verheflen, met al den schijn van gemakkehjkheid, waaronder de smalle weg en de enge poort worden aangeprezen, is het kerkehjk leven alles behalve ruim en gemakkelijk geworden. De kerk zit nooit ruim in de middelen om haar taak te volbrengen. Integendeel, zij laat in haar doen ook het allernoodigste verre achter xich. Met haar eigen geestehjke verzorging is het diep treurig gesteld. Zij heeft geene middelen om eigen leden genoegzaam te bewerken. En ondanks de hulp van den staat is zelfs het loon, dat zij haren dienaren bereidt, meestal hoogst karig. Het is alles verworden en ontwricht en met de geestelijke verwatering hield de stoffehjke inzinking gelijken tred. En moge het in sommige kerken uit dit oogpunt beter gesteld zijn, dan is er toch van een bereiken der. massa geen sprake en bepalen zq zich meestal slechts tot eigen groep. Zoo blijven zij groeten, die hen groeten, en gaat er op de groote massa maar weinig invloed xiit. Én wat ook in ons kerkehjk leven opvalt, is het ontbreken van die verootmoediging over de zonden en nood der tijden, die toch voor aUes aanwezig zou zijn, indien er gezond en krachtig geestehjk leven werd gevonden. Van een ruischen des Geestes door de toppen der hoornen, van een aanblazen over de doodsbeenderen, van een aangegrepen zgn door den toestand, waarin heel ons Westersche leven verkeert, is niet het minste te zien. En toch, er moest een diepe rouw zijn over den afval en de gruwelen, die in de wereld zijn waar te nemen en die ook in ons volk zoo machtig doorbreken.
Verootmoediging is voor hen, die naar Gods Woord en waarheid nog vragen, voor alles noodig. Uit dat oogpunt is het goed te letten op hetgeen het Woord ons dienaangaande predikt. Als de Heere in Ezechiël ons verkondigt, hoe Hij last geeft om Jeruzalem te oordeelen, en Hij zelve den tempel verlaat om daardoor te toonen, hoe Hij zich als van zgn volk terugtrekt, dan gedenkt Hij toch aan zijn kinderen, aan het ware Israël, dat daar ook onder de massa als verborgen was en verscholen, want Hij zegt tot den man, die met linnen omkleed was en een schrijvers inktkoker aan zijne lendenen had, dat Bij een teeken moest zetten op de voorhoofden van Gods kinderen. En hoe wordt ons c(an dat volk beschreven? Als lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden der stad gedaan worden. Die alleen worden als Gods kinderen voorbijgegaan met de oordeelen. Het is dus niet de vraag allereerst tot welke kerk zij behooren, noch ook welke vormen zij hebben aangenomen, maar of zij zuchten en uitroepen over de gruwelen. De Heere wil, dat de volkszonde zal wegen op het hart der zijnen. Waar die ala een last gevoeld worden, daar is verootmoediging, een aanloopen van den Heere en eene worsteling met Hem ook om de redding des volks. Waar dat gevonden wordt, daar is ook geen dor stilzitten op te merken, maar gaat een levend getuigenis uit, een roep tot bekeering. En van dat alles nu wordt bij den velerlei eigenwilligen godsdienst van onze dagen niets gevonden. Zeer merkwaardig is, dat in Ezeohiëls dagen het oordeel begon bij de oude mannen, die voor het huis waren. Ouden en jongelingen, maagden, kinderkens en vrouwen moesten der verderving ten deele vallen. Maar het oordeel begon bij het heiligdom. Voorbij ging de verderver aan hen, die het teeken droegen; maar onder al die oude mannen, die voor het huis waren, was geen geteekende. Zoo verdorven was Israels kerkstaat. En de profeet, die was overgebleven, viel ten laatste op zijn aangezicht en riep en zeide: „Ach, Heere, Heere) zult Gij al het overblijfsel van Israël verderven met uwe grimmigheid uitte gieten over Jeruzalem? " Hij stelde zich in de bres voor het volk, ook al nam dat volk van hem geene notitie en al dreven alle grootwaardigheidsbekleeders door wat zij wilden. Zoo teekent ons dus de Schrift welke de plaats is. van Gods kinderen in de zware tijden van afval en god verzaking Waar er geen zondebesef wordt gevonden onder de menschen en de grooten en de maehtigen zich afkeeren en zelfs de oude mannen voor het huis niet meer komen willen, en zich van de gruwelen niet aantrekken, daar zal zich het ware volk Gods, hoe klein in aantal het dan ook geworden zij, voor des Heeren aangezicht nederwerpen, niet om als de Farizeër te zeggen: „ik dank u, dat ik niet ben als de andere"; maar om de zonde des volks te voelen wegen op het hart. Bij den Heere zal de nood geklaagd worden en de rouw zal diep zijn voor zijn aangezicht, gelijk ook het gebed zal opklimmen, dat Hij zich zal ontfermen en een geest der bekeering ons geven.
En juist daarvan nu is zoo weinig te bespeuren. Hoe groot de afval ook zijn moge, hoe aangrijpend ook de gruwelen, het volk ziet toe en zwijgt voor God. De begiiiselverzaking en het verloop der lijnen, de geestelijke verwording en de zedelijke ontwrichting dringt ook in eigen kring door en men laat het begaan en het wordt alles gezalfd en verborgen en bepleisterd, alsof men bang is aan macht en invloed te verliezen als de waarheid boven komt. Daarom vreet het voort als de kanker en vertoonen wij welhaast het beeld, dat Ezechiël ons teekende. Zeker, men neemt wel den schqn aan, alsof door wat men inwendige zending noemt dan toch iets wordt gedaan ten bate van het volk. En men doet ook wel iets; maar het beteekent niet, omdat er bij de gemeente zelve ontbreekt dat diepe schuldgevoel, dat, voor Gods aangezicht gebracht, tevens de bron is van die liefde en die ontferming, die noodig zijn om inderdaad met vrucht te arbeiden. Het geestelijk leven moet opwaken. Voor alles is er behoefte aan de werking van den Heiligen Geest, opdat de eeuwige dingen weder beteekenis verkrijgen en daarmede ook de heiligheid van Gods wet en de reinheid der zeden weer naar waarde worden geschat. Waar eeuwigheidslicht over het menschelijk leven opgaat, daar wordt weder verantwoordelijkheidsbesef geboren. Maar dat zal niat kunnen zonder dat we wederkeeren tot de werkelijkheid en haar zonde. Het moet bekend worden, dat de heerlijkheid van Christus, dat zijne koninklijke macht en majesteit door heel ons cultuurleven is versmaad, dat de Geest des Heeren wordt gelasterd en van de gemeente Gods zal er door haar gansche leven, door haar doen en werken, door haar belqden en spreken een getuigenis moeten uitgaan tot onzen tijd. Zoo heeft eenmaal het kruis overwonnen, zoo zal bet andermaal de plaats en den invloed heroveren moeten, dien het door de zónde der gemeente beeft ingeboet. Maar dat zal niet kunnen, hare kracht zal niet verlevendigen noch opwaken, tenzij zij zelve weder aanvangt schuldig te worden. Het zal weder werkelijk moeten worden wat de Psalmdich ter klaagde: „waterbeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij uwe wet niet onderhouden".
Want de diepste oorzaak van de ellende ea de traagheid en de ongevoeligheid dergenen, die den Naam van Christus noemen, is het gebrek aan eerbied voor het heilige Wezen Gods, gebrek ook aan liefde. Er zijn geene levendige indrukken van zijne heiligheid. En dat 'ie weder de vrucht van gebrek aan gemeenschap met Hem. Biddeloos en gevoelloos verkeeren zij te midden van eene wereld, die hoe langer hoe meer opgaat in stof vergoding en zondedienst. En daarom worden zij niet geroerd door de gruwelen, die rondom geschieden. De gestalte van Gods kinderen zelfs is geheel anders dan de Heere in deze zware tijden van hen verwachten moet. Om de eere van zijnen Naam, om de glorie van zijn Woord en waarheid moest er een diep gevoel van schuld zijn met betrekking tot on» volksleven. Waarlijk het is tijd, dat wij ons voor Gods aangezicht verootmoedigen in stoffe en asch en er in de diepte der ontdekking een worsteling geboren worda om de openbaring van dien Geest, die alleen machtig is de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dat werk des Geestes is onmisbaar vooral in onzen tijd, opdat er weer vraag kome naar verzoening met God, naar geloof in Hem, die eeuwige gerechtigheid en zaligheid heeft. Maar dat zal niet komen, tenzij het volk Gods weder zichzelf wordt, zichzelf kent in zijne afdwaling en zonde en waarlijk voor het aangezicht des Heeren zijne schuld belijde met een verbroken hart en een verslagen geest. Wie weet. God mocht zich wenden en berouw hebben, en Hij mocht zich wenden van de hittigheid zijns toorns. Als er verbreking des harten geboren wordt en verootmoediging en belijdenis van schuld, dan "zal het blijken, dat Hij zich ontfermt over niet ontfermd. Immers, dan wordt het woord waarheid van ons, dat Hij eenmaal sprak van Ninive: En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen boozen weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's