Zware tijden.
2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
V.
Diepe verootmoediging, levendig besef van schuld, is dus het eerste, dat wi behoeven om opnieuw de gunste Gods deelachtig te worden. Eigen zonde en volkszonde zullen als een zware last moeten drukken op het hart van Gods kinderen. Daaruit blijkt, hoe de weg des Evangelies ook een weg der waarachtige naastenliefde is. Want om die volkszonde voor Gods aangezicht te kunnen nederleggen, zullen we ons met ons volk één moeten gevoelen, zoo één, dat de volkszonde de zonde van Gods kinderen wordt. Zoo schept de Heere zich door dat een heidsbewustzijn een volk van voorbidders. En in die voorbede is nu tevens de hoogste uiting van naastenliefde. Het gebed is alzoo de ademtocht der liefde. Wat eene moeder voelt voor haar kind, zet zich om in het gebed, dat hem draagt voor den troon der genade. Zoo ook vonkt in dat noodgevoel van Gods kinderen met betrekking tot den nacht van zedelijke en geestelijke donkerheid, die daalde, een lichtglana der liefde, stralend uit een diep gevoel van levenseenheid. Denk slechts aan den profeet, die zich belijdt als onrein van lippen te midden van een onrein volk. Hij deelde in de volkszonde en de volksschuld en droeg haar als de zijne voor Gods aangezicht. Daarom dit ie het eerste: wij behoeven door Gods Heiligen Geest ontdekt te worden voor de zonde van ons volk als die ook onze persoonlijke zonde is. Het mag niet zijn een „ga uit van mij want ik ben heiliger dan gij." De ware ontferming, het echte geestelijke leven doet ons gevoelen, hoe ook wij eene gemeenschap hebben aan de zonde en de afwijking. In deze zware tijden moet dat wederom op den voorgrond worden gesteld, wederom levensdeel der gemeente worden. Het moet niet slechts eene mondbelijdenis zijn, maar eene geestelyke werkelijkheid. En waar nu dit weer gevonden wordt en er dus eerbied komt voor Gods Woord en Waarheid, voor Gods recht en wet, voor zijne inzettingen, die als een vuurkolom des nachts en als een wolkkolom des daags kunnen leiden op den levensweg, niet slechts het enkele kind Gods, maar ook volkeren als geheel, daar zal ook gevonden worden de begeerte om voor de besmetting der wereld bewaard te worden. In de wereld is dit de wet, waarop de Heere Jezus onze aandacht heeft gevestigd: „Eu omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden". De Heere wijst er dus op, dat er samenhang bestaat tusschen dè vermenigvuldiging der ongerechtigheid en de verkonding der liefde. Verkonding der liefde openbaart zich allereerst in verslapping van het gebedsleven. Naarmate de zonde vermeerdert, treedt hier in vermindering der genade. Zoo worden wij dus vermaand tot inkeer en verootmoeding, tot liefde en gebed, tot een aanloopen Gods met de zonde en de nooden des tijds. Maar dat alles kan er niet zijn zonder dat er ook bij Gods kinderen, hoe klein zij dan ook in aantal mogen zijn, hoe invloedloos en veracht en onbeduidend, ook gevonden wordt een afwiijken van het kwade. Kinderkens, zegt de apostel, bewaart uzelven van de afgoden. Er zal een heilige vreeze moeten zijn om niet bezoedeld te worden met de besmetting dezer eeuw.
En dat juist is het, waaraan zoo weinig wordt gedacht. Een van de teekenen, die duidelijk wijzen op het verval vooral van het geestelijk leven dier groep, die zich met het woord Gereformeerd noemt, is ongetwijfeld het gebrek aan reinhouding van beginselen en leven. Zooals zich het gereformeerd Protestantisme in de historie heeft aangediend onderscheidde het zich van meet af niet slechts door een eigen scherp omlijnd beginsel, dat meer dan eenig ander het Christendom principieel openbaarde, zonder eenige aan het heidendoDQ. ontleende bijmengsels, maar ook lioof èénsrêrfeiidiraBg oi^aï0lÈ^6ginsê^^^ die bij het licht van Gods Heiligen Geest uit het Woord Gods geput waren, rein en zuiver te bewaren en aan de nageslachten over te brengen. Bovendien was er bij al de soberheid van den eeredienst, die uitsluitend de strekking had God te dienen in oprechtheid des harten, steeds een groote drang naar een streng zedelijk leven op te merken, opdat de Heere door het gansche leven eere zou ontvangen van zijne kinderen.
Zich rein te bewaren was allereerst uit het oogpunt der levensbeginselen roeping. Het ging om Gods waarheid en daarmede niet maar om eene philosophie, maar om het ware geestelijke leven van Gods kinderen. Juist daarom werd er steeds zooveel nadruk gelegd op de belijdenis der kerk. Dat was niet daarom, dat zij zoo kleingeestig waren om aan een letter te hangen, maar wijl het geestelijk goed der gemeente er mede gemoeid was. En de ervaring heeft geleerd, dat zoodra de belijdenis licht geacht werd en men het, naar men meende, omdat men zoo ruim was, zoo nauw niet meer nam, trad ook in de inzinking der kracht. De kerk is er mede onder de ellende gekomen. En nu in onze dagen is het opmerkelijk, hoe in de kringen juist dergenen, die Gereformeerd willen heeten, er een algeheele losmaking der beginselbanden te speuren is op vrijwel elk buiten kerkelijk gebied. In theorie natuurlijk niet. Op het woord afgaand moet alles naar het paslood der beginselen zgn. Maar in de practijk, zoodra de menschen buiten de kerk zijn, dan schijnt er van de beginselen niets meer over te wezen. Het is alles in de kerk gebleven. Dat valt allereerst in het oog als de aandacht gevestigd wordt op hetgeen aan geestelijken arbeid. onder ons volk wordt verricht. Men vindt steeds de namen van gereformeerde menschen in bond met hen, die op het gebied der kerk juist de felste tegenstanders der Gereformeerden zijn. Van een scheidingslijn der beginselen zooals die in de historie steeds door het gereformeerd Protestantisme getrokken is, kan men niets meer bespeuren. Het is alles verloopen. Het moet alles ruim worden opgevat, algemeen christelijk en het loopt zelfs tot over de lijnen van het christelijke heen in het heidendom uit. Zelfs het groote zamel woord „orthodox", biedt geen maatstaf meer aan.
Nu zou dit op zich zelf niets beteekenen, indien het doel van zulk eene samenwerking niet geestelijk van aard was. Maar dat men zich tot zulk eene saamwerking voor geestelijke doeleinden vinden laat, levert het bewijs, dat men zelf of de beginselen niet verstaat, of ze licht acht en in elk geval, dat men ze . niet beleeft. Het is geen zaak van ernst meer en feitelijk eene verkrachting van het religieuse leven zooals dit door de gereformeerden steeds is verstaan. Ea zoo ziet men onder ons geboren worden religieuse bewegingen, o zoo ruim en o zoo ondiep. Er is zelfs eene algemeen christelijke gereformeerdheid geboren, die alles is behalve gereformeerd. En juist daardoor wordt de besmetting dezer eeuw ingedragen in de gezinnen allereerst en daarna in heel het geestelijk leven en ook in de kerken. Er heerscht een wegdoezeling van alle lijnen, een, verluchtiging der beginselen, eene verneveling van de meest principieele leerstukken. De grondslagen der gereformeerde wereld-en levensbeschouwing zijn en worden voortdurend onderwoeld. Daarom is er zooveel verdeeldheid, zoo weinig onderling vertrouwen, zulk een gebrek aan gemeenschapszin. Waar de eenheid in de beginselen ontbreekt, ook al noemt men zich met denzelfden naam, daar wordt vanzelf wantrouwen geboren.
Als wij in het dagelijksehe leven iemand altijd zeer vriendschappelijk zien omgaan met onze bitterste vijanden, dan is het zeer moeilijk hem als onzen vriend te blijven erkennen. En zoo is het op geestelijk gebied eveneens.
De Schrift zegt: „en ook allen, die godzaliglijk willen leven, in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden." Doch tegenwoordig zijn er te weinig menschen ook onder de Gereformeerden met martelaarsbloed. De eere der wereld is te zoet. De Schrift zegt: „verwerp een ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning", doch tegenwoordig behoeft dit niet meer en worden andersdenkenden gezocht en genoodigd om te zamen met hen te arbeiden aan de geestelijke verheffing der massa. En natuurlijk dat kan alleen door het met de beginselen als zoodanig zoo nauw niet te nemen. In de kerkelijke politiek „gereformeerd", doch buiten die kerkelijke gereformeerdheid behoeft het zoo nauw niet genomen. Er is geene vreeze meer voor de bezoedeling door den geest der eeuw. En daarom is er aan alle zijden afwijking en verbreking van kracht en verslapping en verdeeldheid, omdat er eene innerlijke prijsgeving der levensbeginselen is. Zij zijn voor velen, die op den naam „gereformeerd" prijs stellen, niet meer het hoogste en het heiligste. Zij zijn er niet meer in gloed voor ontstoken. Indien zij dat waren, zij zouden den tegenstand der wereld kennen, en nu verblijden zij zich in hare eere, die zij blijkbaar veel hooger achten. Zoo is er dujs in breeden kring beginselverloop tengevolge van de besmetting, die uitgaat van den geest dezer eeuw. En als er sprake zal zijn van een anderen levensgang, dan zullen eerst de beginselen weder in hunne reinheid en klaarheid moeten worden gewaardeerd. Het zal weer beseft moeten worden, dat zij scheidingslijnen trekken, dat er grenspalen zqn, die niet straffeloos verzet kunnen worden. Er zal een wederkeer moeten zijn van den vorm en van den naam tot het wezen en het leven. Er zal weder ernst mede gemaakt moeten worden. Het Gereformeerde volk in deze landen zal weder zichzelf moeten zijn, zich klaar bewust van het licht, dat de Heere hun schonk in zijn Woord en zijne inzettingen en het zal weder eene heilige vreeze moeten kennen voor zijne openbaring, voor zijn Woord en Waarheid.
Bij dat waken voor de besmetting tegen den geest dezer eeuw zal nu ook in de tweede plaats komen moeten een leven, dat weder ernst maakt met het streng zedelijk karakter, dat aan het Gereformeerd Protestantisme van ouds eigen was. Het is gesmaad en gehoond om zijn puritanisme, maar dit was toch zijne kracht. Natuurlijk moet dat niet worden opgevat, zooals het dikwijls geschiedt, alsof daaronder een vleeschelijke heiligmaking te verstaan zou zijn. De Schrift snijdt alle werkheiligheid, allen eigenwilligen godsdienst, al wat strekken moet om den hemel te verdienen als eigengerechtigheid af. Niet om daardoor de wet gering te achten, maar om haar te bevestigen. Het is dus geen leven van regel op regel, van raak niet, smaak niet en roer niet aan. Alle gave Gods is goed met dankzegging gebruikt. Er is een staan in de vrijheid, waarmede Christus ons vrij gemaakt heeft. En er zijn er, die onder den schijn van vroomheid en godsvrucht van die vrijheid niet willen weten. Er zijn er, bij wie benepenheid en bekrompenheid de plaats vervullen van de blijheid en heerlijkheid der kinderen Gods. Er is een soort vroomheid, die geene schilderij aan den wand duldt en geen ring aan den vinger, die alle geur en kleur wegbant uit het leven, die te kennen is aan een bepaalde muts en een bepaalden hoed, aan het straffe gezicht en den vreugdeloozen blik. Met de ware Godsvrucht heeft dat alles echter niets van doen. Gewoonlijk kan er van gezegd, wat de heidensche wijsgeer zeide van hem, die met opzet rondwandelde in gescheurden mantel: „Vriend, uwe ijdelheid schijnt door de gaten."
Dat. is een ziekelijke narigheid, waarvan de Heere zegt, dat Hij ze niet bevolen heeft. Bovendien daarmede kan veel bestaan, dat niet recht is voor God.
Maar naast dit on-en misverstand is er een ander uiterste, dat nog veel schadelijker is en den indruk naar buiten in veel hooger mate bederft. Er zijn maar al te veel zondagsche vromen. Trouw naar de kerk, voorstander van de waarheid, ijveraar naar het schijnt, maar in de week bedriegers van den naaste, oneerlijk, ontrouw, dienaren der ongerechtigheid in allerlei vormen. Dat is zoo bij hoogen en lagen, bij voornamen en geringen. Er is niets, dat den Naam des Heeren en de komst van zijn Koninkrijk meer in den weg staat. Soms kan men de klacht hooren over hen, die bekend staan als voorstanders der waarheid, dat zij in zaken wel minder betrouwbaar zullen zijn. De wereld ziet er op. En inderdaad, de heidenen maken soms de Christenen beschaamd. Ook in dit opzicht blijkt, hoe de besmetting der wereld doordrong in de kringen, die zich scharen om de Gereformeerde belijdenis. De bedriegelijkheid, de oneerlijkheid, de wereldgelijk vormigheid, zij worden maar al te zeer gevonden. Er gaat geen goede reuk uit van onze kringen. En dat moest toch zoo zijn. In handel en wandel moet toch het werk Gods uitkomen en komt het ook uit. Maar uit dit alles blijkt dan ook zoo onmiskenbaar de inzinking. Er wordt niet meer van bespeurd, hoe door den godzaligen wandel der belijders de naaste voor Christus gewonnen wordt. Integendeel, het is nu vaak zoo geworden, dat er een afkeer van uitgaat.
Dit juist is een van de vreeselykste teekenen van de besmetting en den afval. Er zijn breede kringen, die zich scharen om de belijdenis en waarin men in heel den levenstoon, niet het minste onderscheid kan bemerken met hetgeen de meest revolutionaire bewegingen kenmerkt. Al het egoïsme, al het vooroordeel, al de haat en de nijd, die daar den toon aangeven, worden ook in de kringen, die zich Gereformeerd noemen, hoe langer hoe minder zeldzaam. De verwereldlijking is zoo onrustbarend, zoo in het oog loopend, dat er slechts een naam onderscheid is, maar meer vooral niet. Dat de vreeze Gods een stempel zet op het gansche leven leert Gods Woord. Zij moet baren een wandel, in godzaligheid, in bescheidenheid, in eerlijkheid, in reinheid, dringen tot alles wat liefejjBjk is en wel luidt. Het echte leven, dat uit God is, vertoont ook die kenmerken. Het laat zien, dat wie der zonde gestorven is in haar niet meer leven kan. Maar als dan het oog gericht wordt naar hetgeen onze dagen ons te zien geven en het oor te luisteren wordt gezet naar hetgeen ons tegenklinkt in de klachten over wat de vromen en de fijnen doen, dan is er reden om te begrijpen, dat de innerlijke ve/wordiug des levens, de inzinking in het geestelijke en de besmetting met den geest der eeuw wel zeer ver moet gaan, Wanl mag daarin misschien haat zijn tegen den Heere en zijnen Gezalfde, er ligt toch deze waarheid in, dat wie den naam van Christus noemt, daarmede ook aanvaard heeft het afstaan van de ongerechtigheid. Daarom zegt Petrus: dat-niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met een anders doen bemoeit. En er is maar te veel grond voor de klacht, dat ook in den zedelij ken wandel te midden der wereld het Gereformeerde volk niet meer dat beeld van oprechtheid voor Gods aangezicht vertoont, waaruit blijkt, dat zij innerlijk zijn hetgeen zij met den mond belijden.
De innerlijke afval werkt door ook in den dagelijkschen wandel. En dit alles heeft veel grooter afmetingen aangenomen dö, n men zou verwachten. De verwereldlijking, de onoprechtheid, de onwaarheid, die er in het leven heerschen, de zelfverbllnding en het zelfbedrog, die alom ook in die kringen worden waargenomen, die zich beroemen op de erkenning van Gods Woord naar de belijdenis der vaderen, zij wijzen onmiskenbaar uit, dat de dagen, die wij beleven, zwanger zijm van de oordeelen Gods. Als het zout smakeloos wordt, waartoe is het dan nog nut? En over dat alles nu moest er onder ons gevonden worden een diepe verootmoediging voor Gods aangezicht, een verbreking des harten en een nederbuigen in stoffe en asch. En ook daarvan is geen spoor te ontdekken.
De gevaarlijkste toestand, waarin een zondaar verkeeren kan, is zulk een, waarin hij met den mond spreekt over zijne zonde, terwijl hij voortgaat die in zijn hart te dienen. De gelijkenis spreekt ons van een tollenaar, die op zijn borst slaat en voor God belijdt: „weesmij zondaar genadig, en van een Pharizeër, die zegt: „ik dank U, dat ik niet ben als die en die en als die tollenaar." Maar erger dan die Pharizeër is die tollenaar, die zich wel een tollenaar acht en ook wel roept om genade, maar in dat alles slechts lippenwerk heeft, terwijl zijn hart zich verre houdt. De ware tollenaar doet als Zacheüs, die viervoudig teruggaf, wat hij onrechtvaardig had genomen, maar de valsche klager over zijne zonde gaat voort met onder het masker der genade de ongerechtigheid te dienen. Hij is duizendmaal erger zondaar dan de openbare wereldling, die van God, noch gebod wil weten. En zoo is het nu met de gansche kerk en met al het volk, dat zich beroemt op de belijdenis en onder die bedekeelen eene wereldgelijkvormigheid koestert. Zij zijn veel erger dan de wereld en het wordt hun dan ook door God en wereld beiden veel zwaarder toegerekend. „Indien in Tyrus en Sidon de teekenen geschied waren, die onder u geschied zijn, zij zouden zich bekeerd hebben, daarom zal het hun ook verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden." Zoo oordeelt de Heere. En dat alles ziende, kunnen wij niet ontkomen aan het aangrijpend woord des apostels: „En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Het is de ernstige roeping van de trouwe dienaren des Woords, met het wapen, dat de Heere hun in de hand gaf, zich te keeren tegen al die verrotting en verderving, ' die als een geestelijke besmetting rondwaart, opdat zij vrij mogen zijn van het bloed dergenen, die hun zijn toebetrouwd. Het is noodig zich niet te laten aftrekken door hen, die zeggen: „het is zoo erg niet", zich niet te laten misleiden door hen, die uitroepen: „overdreven, overdreven I" Er zijn er ook in onze dagen, die het volk verleiden met hunne lichtvaardigheid. Daarom laat ons gedenken aan'^^tt^t woord van Jeremia, die dreigt dat de tijd komen zal, waarop van toepassing zal wezen: „ Maar des Heeren last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal ziijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den Heere der heirscharen, onzen God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's