Staat en Maatschappij.
Geestelijke schade.
Ongetwijfeld is de geestelijke schade, welke vele gemobiliseerden van Christelijken huize gedurende hun bijna tweejarig verblijf onder de wapenen geleden hebben, zeer groot. Welken omvang die schade genomen heeft, is natuurlijk niet aan te geven, maar later, wanneer ook ons land weer tot volle rust zal gekomen zijn, zal het blijken, dat de achteruitgang in het geestelijk leven van die mannen erger is dan op , dit oogenblik wel vermoed wordt.
Hoe langer toch de tijd duurt, dat onze jonge mannen van huis zijn en deel uitmaken van de krijgsmacht te velde, des te meer dreigt het, ge vaar van verslapping in en verachteren van de beginselen, waarin zij werden onderwezen en opgevoed.
Niet genoeg kan op dit feit, dat ons volk met groote zorg moet vervullen, gewezen worden, nu er nog steeds geen uitzicht bestaat op demobilisatie der strijdkrachten en bovendien de regeering weigerachtig blijft om die maatregelen te nemen, waardoor het geestelijk leven van onze militairen, voor zooveel het in haai" vermógen is, voor schade gevrijwaard blijft.
Nu oefenen een viertal omstandigheden hun invloed op die geestelijke inzinking uit.
Vooreerst het militaire leven zelf. Dat leven schept in vele opzichten een milieu, waarin de Christen-militair zich niet op zijn plaats gevoelt. Het is daarbij vooral de ruwe taal en het vloeken, dat steeds zoo ergert, doch waaraan degene, die een vast karakter mist, zoo spoedig gewend geraakt. Dat bezigen van ruwe taal en dat telkens misbruik maken van Gods heiligen Naam, dat eerst zoo doet terugschrikken, wordt op het laatst haast niet meer opgemerkt. En wat nu zoo pijnlijk aandoet, is dit, dat in het leger de militaire autoriteit zich tegen dergelijke zondenuitingen niet krachtig verzet, zo vaak goedpraat en de militairen, die gedwongen worden in de gelederen in te treden niet tegen hun omgeving beschermt. Het ergerde niet weinig toen de Minister van Oorlog de vorige week in de Tweede Kamer verklaarde: „Als de superieuren er bij zijn, wordt niet gevloekt." Hier wist de Minister toch wel beter.
In de tweede plaats het verrichten van onnoodige diensten op den Zondag. Dat het bij een leger te velde voorkomt, dat er op den dag d^ Heeren diensten moeten verricht worderr, die niet kunnen nagelaten worden, is alleszins begrijpelijk. Daartegen kunnen geen bezwaren rijzen, maar anders staat het, wanneer uit een geest van plagerij of uit onverschilligheid diensten worden gelast, die onnoodig zijn. En helaas komt dit herhaaldelijk voor Zij wier gemoedsbezwaren het sterkst getuigen, onderwerpen zich wel aan het militair bevel, maar inwendig komt de gemoedsgesteldheid in verzet, doch ook hier zijn het weer de zwakke naturen die berustend den arbeid verrichten en zich ten slotte aan den Zondagsarbeid gewennen,
In de derde plaats het brengen van militairen in plaatsen van verleiding. Hoe vaak komt het toch niet voor dat comités tot ontspanning der gemobiliseerden feesten en uitvoeringen organiseeren, waarbij het niet betaamt, dat een man van Christelijk beginsel aanwezig is; of wel dat tooneelvoorstellingen worden aangeboden, gelijk onlangs te Amsterdam plaats had, toen jongens van negentien jaar onthaald werden op de schunnige klucht: „Des nachts tusschen twaalf en een", wat de Minister van Oorlog verdedigde met de opmerking: dat het hier gold een vraag van appreciatie.
En tenslotte het reizen op Zondag. Hoevele militairen worden niet week aan week voor de keuze gesteld om aan Gods gebod getrouw te zijn, maar dan in de kazerne te blijven of wel met verlof huiswaarts te gaan maar dan den dag des Heeren te ontheiligen. Voor die keuze geplaatst, bezwijken de meesten, en zoo hoort men, dat in den verloftijd Zondag aan Zondag duizende Christensoldaten van spoor en tram gebruik maken om van het toegestane verlof te genieten. In het ontheiligen van den Sabbath wordt baast geen zonde meer gezien. En zoo gaat het voort tot geestelijke schade van zoovele van onze gemobiliseerden van Christenhuize,
De omstandigheden, waaronder gediend wordt, leiden tot geestelijke inzinking van een groot deel van ons volk. Men vraagt zich af, of dit zoo mag voortduren. Zal ons Christelijk volk langer onverschillig blijven voor de groote gevaren die dreigen, en waarbij aan de eere onzes Gods wordt tekort gedaan?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's