De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zware tijden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zware tijden.

17 minuten leestijd

2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

VI.

Diep greep de geestelijke verwording in. Op allerlei gebied is het duideliijk, dat besmetting met den geest der eeuw rondwaart. Een verlaten der beginselen, een gering aehten van de beginselen, het verwateren en verdoezelen daarvan onder een schijn van geestelyke ruimte en daarbenevens een verliezen van de streng zedelijke levensbeschouwing, die van ouds den gereformeerden eigen was. De naam en de zaak des Heeren lijden door dat alles smaadheid. Dit zijn teekenen van den afval, die onze tijden kenmerken, meer zeggend dan het ongeloof van velen. Zoo krijgt het leven van volk en kerk hoe langer hoe meer het karakter van de laatste zware tijden, waarvan de Schrift spreekt. Wij mogen denken aan' het woord van den profeet: „Daarom, ziet, Ik zal u ook ganschelijk verlaten."

Immers tot die karaktertrekken behoort ook wat de apostel aldus omschrijft: „Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid, verbiedende te huwelijken, gebiedend van spijzen te onthouden. En zoo vermaant ook Petrus, te letten op „de valsche leeraren, die verderfelijke ketterijen bedektelijk zullen invoeren, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende en een haastig verderf over zichzelven brengende. En velen zullen hunne verderfenissen navolgen, door welken de weg der waarheid zal gelasterd worden." Wie onze dagen aanziet, behoeft geen diep kenner van het geestelijk leven te zijn om zich te vergewissen, dat ook die trekken duidelijk zich afteekenen. Ketterij zelve wordt weinig meer gerekend Het woord schijnt ons te verplaatsen in heel andere tijden. Wie spreekt er nog zoo over de waarheid en wie is nog zoo nauwkeurig op haarl Allicht komt hem de smaad der bekrompenheid toe. Het wordt geminacht en voor waardeloos beschouwd. Wij hebben zoo geleerd om op dit gebied in toepassing te brengen, dat alles begrijpen alles vergeven is, dat het gevoel voor deze dingen, waarvoor de eerste Christenen en ook onze vaderen hun bloed hebben ingezet, zelfs niet meer levendig schijnt. En ook dit heeft op zijne beurt weer eene keerzijde, die tevens eene donkere schaduwzijde is. De waarheid des Evangelies is niet naar den mensch. Zij streelt het vleesch niet. Zij ontziet de begeerlijkheid in al hare vormen niet. Zij snijdt af, maar om te genezen; zij doodt, maar om levend te maken. De mensch keert zich van nature reeds tegen haar. En het gevolg van het licht-achten der levenswaarheden is nu, dat juist de principieelste, de allesbeheerschende grondstukken in discrediet worden gebracht. Zoo kan het worden opgemerkt, hoe meteen zekere voorliefde over den Zaligmaker wordt gehandeld, terwijl juist hetgeen Hem tot Zaligmaker stelt, zooal niet geheel ontkend, dan toch liefst verzwegen wordt. Over het zalig worden, over het Christen worden te spreken, het heeft eene machtige bekoring, maar het is eene groote zelfmialeiding als niet eerst de kennis der zonde voorafgaat. Het ware Evangelie wordt door allerlei gevoelsstemmingen in meer dan een kring op den achtergrond gedrongen. Men hoort er zoo niet meer over wat onze Catechismus vraagt: „Gelooven die dan ook in den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij zichzelven, bij de heiligen of ergens elders zoeken? " En als er nog over gehoord wordt, dan moeten wel de Roomsche heiHgen het ontgelden, maar van het zoeken der zaligheid bij zichzelven wordt niet meer met den Catechismus geantwoord: „neen zij, want zij verloochenen met der daad den eenigen Zaligmaker Jezus, schoon zij zijns met den mond roemen".

Tegenwoordig is dat laatste bij zeer velen al meer dan genoeg. Het gereformeerde leven wordt op die wijze onder veel vroomheidsvertoon aangetast. En het gevolg is, dat wij nu zoo langaamerhand moeten vragen, of op ons kerkelijk leven niet van toepassing is het woord, dat ook in dezen zendbrief geschreven staat: „Er zal een tijd zijn, wanneer zij de gessonde leer niet zullen verdragen, maar kittelachtig zijnde van gehoor zullen zij zichzelven leeraars opgaderen naar hunne eigene begeerlijkheden." Dit ie de donkere keerzijde van al die schijnbare ruimte. De menschen krijgen genoeg van de gezonde leer. Zy is te zwaar, zoo zegt de een, te oud nieuwe, zegt de ander. Te weinig idealistisch, te weinig philosopisch, te eenvoudig, zij snijdt te zeer af, een mensch kan er op die wijze zelf {niét genoeg aan doen, het is te somber, te veel eischend, dat een mensch wederom geboren moet worden om het koninkrijk Gods te zien. Dat er van verkiezende genade sprake zou kunnen zijn, van volkomenheid der gerechtigheid en van gerechtigheden, die als een wegwerpelijk kleed zijn, van een arm voor God verloren zondaar, het is alles niet in overeenstemming met de vrome begeerten onzer ruime vromen. Jeaus behoeft niet meer een volkomen Zaligmaker te zijn, dat zegt men wel niet, maar in de practijk bewijst men het. Als er nog eens een Dordsche Synode opstond om haren maatstaf van beginselen aan te leggen, dan zou het duidelijk worden, dat zelfs onder het gereformeerd zich noemende volk de oude Arminius meer aanhangers had dan Gomarus. En het zou ook blijken, dat er veel meer narigheid en rarigheid op geestelyk gebied is dan gezond leven. De groote massa dergenen, die zeggen zich om de belijdenis te scharen, vragen niet allereerst naar Gods Woord, maar naar hetgeen hun behaagt, hetgeen hen streelt. Er zijn er velen, die onder een Gereformeerden naam, in den diepsten grond bittere tegenstanders zijn van de gezonde leer. Daaruit is het dan ook alleen te verklaren, dat zij den moed missen om de smaad der beginselen te dragen. Alles wordt in het werk ge^' steld om daaraan te ontkomen, Soms zelfs vindt men ze aan de zijde dergenen, die bij voorkeur op de gebreken van Gods volk het licht laten vallen, niet om dat volk tot bekeering op te roepen, maar om het te smaden. De gezonde leer kunnen zij niet verdragen. Sn dat is het juist wat doorwerkt in de prediking. Er wordt dan hoe langer hoe meer water gedaan bij de melk des Woords, totdat ten laatste Gods volk het er niet meer onder uithouden kan. Zoo wordt moedwillig een conventikelwezen aangekweekt, omdat aan de diepe zielsbehoef!ten van Gods arme kindereu niet meer wordt tegemost gekomen. Zoo verloopt de Gereformeerde beweging hoe langer hoe meer, wordt in breeden kring meegewerkt aan een afleiden van de schare buiten de paden van Schrift en belijdenis. Ten slotte is er geen lijn meer te zien. Het is merkwaardig hoe vooral in de kringen der jongeren dit het geval is. Vele jongelingen, uift gereformeerde kringen voortgekomen, doolden weg van de gereformeerde levens-en wereldbeschouwing, die alle aantrekkelqkheid voor hen verloor, omdat het hun is geleerd haar te minachten. De diepte der Gereformeerde beginselen leerden zij niet zien, het bekoorlijke daarvan bleef hun eenerzijds verborgen en anderzijds werden zij gebracht in een roes van schijnbaar ruime, in werkelijkheid echter benauwde kunstmatige vroomheid, die het vleesch streelt en in werkheilige, opgeschroefde, eigenwillige godsdienstigheid zich uit. Voor het Evangelie van Gods vrije genade in Christus hebben zij geen hart en geen oog. En in de plaats van de leer der Gereformeerde kerken trad een schijn van philosophie, die geleerd schijnt en toch verre daarvan blijft. Talloos velen worden met dezen stroom afgevoerd tot een godsdienstig leven, dat met het historisch Christendom niets gemeen heeft dan den naam. Allerlei ongezonde en ongure quasi-geestelqkheid wordt onder Christelijk cachet aanbevolen en aangeprezen, tegenwoordig zelfs door hen, die meer dan anderen op den Gereformeerden naam aanspraak maken.

Ja, er zgn meïkwaardige voorbeelden van tegenstrijdigheid in dezen op te merken. Zoo heeft men het kunnen zien, dat voor de jongelingen werd noodig geacht een eigen vereeniging op streng Gereformeerden grondslag. Met al wat andersdenkend was geene gemeenschap in beginselen, omdat daardoor de jonge. lingschap van gereformeerden huize zou worden afgeleid. 'En, wondere tegenstrijdigheid, dezer dagen putte De Standaard zich uit in lof voor de Algemeene Nederlandsche Christen Sludentenvereeniging, die bij alle deugden die, zij mogen hebben, uit het oogpunt der Gereformeerde beginselen toch zeker niet zwaarder weegt dan de Christelijke Jongelingsbond, waarin de Gereformeerde jongelingen zich niet begeven kunnen.

Natuurlijk denken-wig er niet aaneen algemeen christelijken arbeid te veroordeelen. Er kan van gezegd: „gelijk wanneer men most in een bos druiven doet, verderf ze niet, want er is een zeegen in". Maar daaruit behoeft niet te volgen, dat Gereformeerden bij voorkeur als leiders van zulk eene algemeen christelijke actie kunnen optreden. Krachtens den aard van het Gereformeerd beginsel zijn zij geroepen toepassing te eischen van hetgeen door hen uit het Woord, in overeenstemming met de belijdenis, is geleerd. Zij mogen daarvan niet prijsgeven. Wie in een algemeen christelijke actie optreedt, kan dat echter alleen doen ten koste van beginselen. Zelfs als twee hetzelfde zeggen, is dat hier toch niet steeds hetzelfde, liet is onveranjiwoordelijk daarvoor de oogen te sluiten; dat op deze wijze lichtachting van de principieele, kenmerkende leerstukken der Gereformeerde Kerken wordt voorbereid en in de hand gewerkt tot groote schade der Gereformeerde beweging. Des te meer omdat dit vooral geschiedt van een kant, waar men lïog meer dan elders beweert voor die beginselen te willen waken. Bovendien is het nog zeer de vraag of er inderdaad eene herleving van de christelijke idee door in de hand gewerkt wordt. Meestal is in zulk streven meer algemeenheid dan christelijkheid.

In elk geval is het duidelijk, dat er op. velerlei gebied gegoocheld en de klaarheid van de beginselen verdoezeld wordt en krijgt heel de Gereformeerde beweging den schijn van slechts met een politiek saam te hangen, waarbij de beginselen niet meer doel, maar slechts middel zijn. Tegenwoordig schijnt men op dit gebied alles te kunnen verwachten Als het in de kraam te pas komt, kan er allerlei door, dat zich met de belijnde Gereformeerde beginselen weinig verdraagt. Zoo wordt de indruk gewekt, dat de beginselen geene waarde meer hebben. In breeden kring wordt het alzoo uitgedragen-en voorgesteld en de vruchten blijven niet uit. De gezonde leer kunnen zij niet meer verdragen, willen zij ook niet meer verdragen. Zij wordt versmaad ©n veracht met het volk, dat er op staat. En wat nog erger is, zoo wordt de toekomstige ontwikkeling van het Gereformeerd Protestantisme in den wortel aangetast. Want dat deze verkrachting der beginselen diep treurige gevolgen hebben moet, is nu reeds duidelijk op te merken, Kittelaqhtigheid van gehoor, uit benepenheid en slapheid beide, wordt hoe langer hoe meer gevonden en daarmede is de waarde«ring van Gods Woord en waarheid gedaald, soms zelfs de invloed van het Woord geheel g«broken. Ook uit dit oogpunt nu is het karakterbeeld, dat Qnze tijd te zien geeft verre van bekoorlijk en kan de geestelijke ontwrichting niet verborgen blijven. Want al deze teekenen van verval, die in het oog springen voor wie de dingen wil zien zooals zij zijn, zijn evenzoovele bewijzen van inzinking des geestelijken levens. Zij toonen duidelijk aan, dat er voor de geestelijke dingen, voor de waarheid Gods en voor wat de zaligheid des menschen betreft, niet meer die belangstelling leeft, die vroegere tijden kenmerkte. En nu weet ik het wel, dat in de schatting van meer dan een het pleiten voor het zuiver houden der lijnen en der beginselen eene aanbeveling Van onverdraagzaamheid en bekrompenheid zal wezen. Toch is het znlks allerminst. Het pleiten voor waarheid in de verhoudingen is heel iets andera dan het aaakweeken van benépenheid.

Niets is verderfelijker voor het volksleven in hetalgemeen, voor het geestelijk leven in het bijzonder, dan een voort-durend roepen voor vormen en schijn, waaraan het wezen en de waarheid ontbreekt. Niets verhindert om verdraagzaamheid hoog te houden en toch in eigen kring de waarheid te betrachten. Niets ie onaangenamer dan steeds te vernemen, dat alles gereformeerd moet zijn tot in de puntjes en dan toch te zien, dat uit diezelfde beweging altijd weer gesteund en gesterkt wordt wat met de diepste beginselen der Gereformeerde levens-en wereldbeschouwing strijdt. Reinhouding der beginselen en waardeering van andersdenkenden kunnen uitnemend samengaan. Maar het kan njiet samengaan, dat op de eene zijde geschermd wordt met beginselen, die men aan de andere zijde op nonactief stelt en geheel vergeten schijnt. De eerbied voor eigen levensovertuiging verbiedt zulks en de wereld klaagt, dat alles ziende, terecht over karakterloosheid en beginselloosheid. Van hen, die komen met den Naam des Heeren op de lippen, kan zij dat allerminst dulden. En terecht. De man, die een schijn van vroomheid voorbrengt en tevens in zonden leeft, die zelfs de wereld verfoeit, zulk een man is veel schuldiger en diens gedrag is weer­ zinwekkender dan dat van een wereldling, die hetzelfde doet. Wat in de kin deren dezer wereld kan worden aangezien, hoewel niet goedgekeurd, dat wordt voor hem, die zich siert met beginselnamen, een gruwel, omdat hst in het licht van schijnheiligheid optreedt. En alzoo is het nu ook in zake geheele groepen en richtingen. Een groep, die .zich beroemt op een beginsel en het steeds^ verkracht, een richting, die geen eerbied toont voor haar eigen grondslag, heeft alle achting verbeurd. Zij zal trouwens wéldra ook hare kracht zien vergaan, haar invloed zien dalen. Ten slotte blijkt toch in de wereld, dat zij, hoe vijandig zij ook staan moge tegen sommige richtingen, toch nog eerbied daarvoor heeft, dat zij hare beginselen hooghouden. Voor geen klein deel dankt de Roomsche Kerk den eerbied, die haar betoond wordt in de wereld, aan hare weigering om hetgeen zij aanvaardde los te laten. In alles wat het geestelijke betreft, blijft zij zichzelf in hare actie en wil zij van geen vermenging weten. Maar bij wat zich Gereformeerd noemt is dat heel anders en blijkt maar al te zeer van gebrek aan zelfgevoel, aan waardeering van eigen beginselen, aan zelfonderscheiding. En dat alles strekt niet om den eerbied voor de Gereformeerde beweging te verhoogen. Zij verkoopt haar eeistgeboorterecht en hare grenzen verflauwen. Daarmede mag zij in de breedte schijnen uit te zetten, in de diepte krimpt zij in. Hare kracht neemt af, hare wereld gelijkvormigheid toe. En dat alles te midden van een tijd als de onze en voor eene toekomst zoo donker als nu dreigt, Het s geworden zooals Petrus zegt: „En er zijn ook valsche profeten onder^ het volk geweest gelijk ook onder u valsche leeraars zijn, zulken, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende, een haastig verderf over zichzelven brengende. En velen zullen hunne verderfenissen navolgen, door welken de weg der waarheid zal gelasterd worden. En zij zullen door gierigheid en gemaakte woorden van u een koopmanschap maken." Daarom zijn het zware tijden, die zioh kenmerken door een terugkeer tot superstitie en afgodendienst, door een verval tot de rgeest vreemdsoortige secten en dwalingen. De bazuin geeft geen zeker geluid meer. Naar alle zijden spitst men de ooren, naar alle kanten wordt de hand uitgestoken, naar belijndheid 'der beginselen wordt niet meer omgezien. De profeet gou tot ons, zeggen, dat wij ©nze wegen verstrooid hebben tot de vreemden, onder allen groenen boom. En de Heere Jezus kan getuigen: „Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten en hunnen gezellen toeroepen: wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst, wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend." Wat van dit alleg het gevolg zaL wezen, behoeft geen betoog. De geschiedenis van het verleden kan ons het heden opklaren. Alle onze kerkelijke ellende is te danken aan beginselverslapping, aan loslating der lijnen. En dan volgde er af en toe eene opleving en scheen het, als braken betere dagen aan Maar die schijn was rneestal kort van duur Het eerst met veel strijd verworvene werd weldra weder verlaten. Men keerde weder tot hetgeen eerst met veel felheid werd bestreden.

En als het verloop eenmaal begon, bleek het meestal als snel vlietende wateren. Het gaat van kwaad tot erger en het einde is volkomen verval. Onverschilligheid voor de waarheid is de wortel, waaruit het alles opkomt. En dat zulk eene onverschilligheid zich openbaart, is op hare beurt weer gevolg van het ontbreken eener ware vreeze Gods, van geestelijke verdorring en van een ondiep leven. Het wordt niet meer ingezien, wat men prijsgeeft en niet meer geteld, welke vruchten uit de losweeking geboren worden. Er wordt een slaap uitgegoten over de oogen, zoodat zij de diepte van eigen belijdenis niet meer peilen en er gemakkelijk toe overgaan het geestelijk goed, van de vaderen geërfd, uit te ruilen voor hetgeen de vaderen verwierpen. Zoo blijkt het onmiskenbaar, dat onze tijden teekènen vertoonen, die vertolken, welk eene verwording intrad, welk eene geestelijke besmetting rondwaart, welk een wereldgelijk vormigheid ook in die kringen indrong, die juistgeroepen zijn te midden van dit alle gezag verwerpende sociale leven weer op te komen voor het gezag van den souvereinen God en gehooraaamheid aan zijn Woord Als het zout smakeloos wordt, waarmede zal het ook gezouten worden? Het is tot niets nut en wordt weggeworpen.

Misschien is er onder alle teekenen des tijds geen erger dan dit. Dat het volk, dat zich beroemt de historische voortzetting te zijn van dezelfde levensen wereldbeschouwing, die met de opkomst van ons nationale leven zoo innig saamhangt, zichzelf reeds zoover vergeet, dat het kan aanzien, hoe die verleiding en verwording en ontwrichting doorgaat, zonder zich ook maar in het minste daarover te ontroeren. Want die afwijking van de waarheid, die minachting der levensbeginselen, dat gebrek aan moed om voor de waarheid te staan, die zucht naar een behagen van anderen, dat verloopen in een schijnbare breedte, die niet anders dan schromelijke oppervlakkigheid is het zijn evenzoovele bewijzen, dat de Geest des Heeren wijkt van het volk dat naar zijn Naam is genoemd. Hij heeft aan de zijnen beloofd, dat zijn Geest hen leiden zal in alle waarheid en waar nu de zijnen gaan bewijzen, dat zij die waarheid Gods niet langer op prijs stellen, niet meer waardeeren op den hoogenprijs, dien zij voor het volk Gods moet hebben, niet meer rein houden de leer, die ons van ouds is overgeleverd, daar treedt in het licht, dat Gods Geest terugwijkt, Zooals een boom verdort, omdat de waterstroom aan den wortel verdroogt, zoo verdort ook het geestelijk leven der gemeenten, als de wateren des Geestes niet meer vlieten. Maar daarin zijn dan ook de voorboden van de zware tijden, die de laatste dagen benevelen.

En daaruit volgt dan ook de roeping tot gebed om de gaven van dien Geest, die alleen machtig ia eene bekeering te werken tot God, tot de gehoorzaamheid aan zijn Woord, Hij alleen kan weder den diepen eerbied wekken voor de beginselen, die Hij ons geopenbaard heeft, de liefde doen ontvonken voor zijne waarheid, de trouw doen herleven aan zijn getuigenis. Hij kan het aan ons volk in breeden kring weder doen verstaan, dat eene uitwendige belijdenis en een roemen op namen niets beteekent, tenzij daarmede gepaard ga die innerlijke aanhankelijkheid en die waarachtige getrouwheid, die zich toont in woord en daad, maar in de daad allermeest.

Eerst waar de liefde tot de waarheid weder opwaakt, zal er plaats zijn voor onderling vertrouwen, plaats ook voor een gemeenschappelijken strijd voor deg Heeren Naam en zaak op elk levensgebied. Zonder dat blijft geen andere verwachting dan een steeds dieper wegzinken in machteloosheid en daarmede eene hernieuwde druk door den Pharao dezer eeuw gelegd op. het volk Gods. Daarom voor alle dingen is noodig bekeering tot den Heere onzen God, wederkeer tot zijn getuigenis, onderwerping aan zijn eeuwig blijvend Woord. Om ons de behoefte daarvan diep te doen gevoelen zegt de apostel met zooveel nadruk: „en weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tyden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Zware tijden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's