Uit het kerkelijk leven.
Twee feiten van den dag.
In onze kerkelijke wereld trokken twee gebeurtenissen in de laatste dagen in hooge mate de aandacht.
In de eerste plaats was er een moderne dominee Vethake, die zijne begeerte te kennen gaf om over te gaan tot de Roomsche Kerk, maar toch met zijne ontslagname geen haast wilde maken. Daarover uit te weiden is niet noodig. Wat deze man over de gronden, die hem tot dien overgang brachten, mededeelde, is van zoo weinig beteekeni», heel zijn gedragslijn zoo vreemd, dat wij het beter achten op deze zaak vooralsnog niet in te gaan. Zij verdient niet de aandacht, die er aan gewijd wordt, omdat daarin weinig aan den dag trad, dat een man verraadt van dieper inzicht én ernstig onderzoek. Wij kunnen dit daar laten, wijl overgangen van dien aard niet zeldzaam zijn en zoowel naar, als uit de Roomsche Kerk geschieden. Als men ze optelt, is het niet onwaarschijnlijk, dat er meer overgaan uit de Roomsche Kerk dan omgekeerd. Belangrijk worden zulke overgangen eerst, als er diepgaande geestelijke worstelingen mede gemoeid zijn. Daarvan bleek in dit geval niet.
Het tweede geval is het uittreden van Ds. Keck als predikant uit de Hervormde Kerk. Voor wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem kan dit feit geene verwondering baren. Het kon verwacht worden van Ds. Keck en van nog een of twee anderen, die, als onze inlichtingen juist zijn, sinds lang reeds op eene breuk aansturen. Natuurlijk, als men een conflict wil zoeken, is daarvoor steeds gelegenheid. Op het gebied onzer Kerk liggen zoovele voetangels en klemmen, dat men niet ver behoeft te zoeken om zijn voet ergens in te steken. Inderdaad blijkt ook uit dezen uitgang de diep treurige toestand der Kerk, Maar hoezeer het ons leed doet, dat Ds-Keck hiertoe meende te moeten komen en wij gaarne zijne daad als eene daad waardeeren, kunnen wij toch niet inzien, dat Ds. Keck in dit geval, voor zoover het ons bekend is, slachtoffer werd van vervolging uitgaande van de besturen.
Ds. Keck heeft zijn uitgang gewild en gezocht. Dezen afloop betreuren wij, meer uit het oogpunt van den algemeenen, ellendigen toestand der kerk, dan uit het oogpunt der Gereformeerde beginselen. D«. Keek is daarvan geen bewust aanhanger. Ook in een Gereformeerd georganiseerde kerk zou er voor hem, noch uit het oogpunt der leer, noch uit het oogpunt van kerkelijk leven, plaats zijn. Hij zou er zich allicht niet in kunnen vinden. Hij heeft zich trouwens ook nooit op de hoogte gesteld van de Gereformeerde leer. Als hij bij de Gereformeerden werd ingedeeld, dan was dat alleen het geval omdat het zoo moeilijk was hem anders te plaatsen. Feitelijk behoort hij in beginsel nog tot de ethische groep. In den loop der jaren en door bijzondere leidingen moge hij wat meer Gereformeerde vormen hebben aangenomen, het gereformeerde beginsel van de erkenning der souvereiniteit Gods en de onderwerping aan het gezag des Woords heeft hij nooit doorzien in zijne consequentie.
Maar daarom betreuren wy niet minder ziin uitgang uit onze kerk, waarin er 200 vele anderen zijn, die veel verder afstaan van de belijdenis en de leer ons van de vaderen overgeleverd. Voor ons Gereformeerden kan er ook uit dit geval geleerd worden, hoe brood noodig het is tot andere kerkelijke toestanden te komen, waarbq de vrijheid verkregen wordt om in gehoorzaamheid aan Gods Woord te leven. En wij hopen zeer, dat de tijd niet verre meer zal zijn, waarin ons die vrijheid geschonken wordt.
Roomsch.
De Modernen zijn geweldige papenhaters. Ze zijn in sterke mate anti-Roomsch.
Nu kwam er in een Roomsch blad — het Katholiek Sociaal Weekblad — onlangs deze tirade voor, geschreven na den dood van een bekenden Roomschen figuur:
„Een man, die zóó heeft gewerkt voor de glorie van God en zóó heeft gezwoegd voor het heil van het volk, hij kan met een geruste ziel naderen voor den troon van Gods ontzagwekkende majesteit. Hij behoeft niet te zuchten: welken voorspreker zal ik vragen ? De werken, die hem navolgen, zijn de krachtigste voorspraak voor den troon Gods."
Dr. Slotemaker de Bruine van Utrecht vestigde de aandacht op deze woorden in de Nederlandsche Kerkbode en erken dat hij om deze klare woorden heeft gehuiverd en vraagt, of men wel wist, dat Gods genade en Christus' offer, in theorie beleden, in de Roomsche Kerk met zulk eèn massieve zwaarte worden ontkend, zoodra het er op aankomt. Een gestorvene, die een voorspraak zoekt, en die vindt.... in zijne goede werken!
Is, zoo roept hij uit, is Christus tevergeefs gestorven?
Dr Niemeyer neemt deze woorden van den orthodoxen a.s, professor onder handen in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden en schrijft dan:
„De door de Roomsche Kerk gehuldigde leer der goede werken lijdt ongetwijfeld aan groote oppervlakkigheid en het kan noodig zijn, daarop met nadruk te wijzen. Maar wij moeten toch zeggen, dat het dogmatisme van dr. Slotemaker de Bruine Ons huiveringwekkender voorkomt dan de eenvoudige, gemoedelijke woorden, door het Katholiek Sociaal Weekblad gewijd aan een betreurden en geëerbiedigden doode."
Hier ie dus hartelijke sympathie bij den moderne met de eenvoudige, gemoedelijke leer van Rome aangaande de goede werken. En men huivert als men denkt aan de leer van den orthodoxen Protestant, die durft gewagen van Christus' offerande en van den Voorspreker in den hemel.
Ruwe ontkenning der feiten.
't Is waarlijk niets nieuws in onze Herv. Kerk. Maar 't treft telkens weer pijnlijk, als 't daar weer zoo zwart op wit staat, dat 't een na het anderfonsin Gods Woord meegedeeld als niet te zijn een kunstig verdichte fabel, door de modernen als een legende aan den kant wordt gezet.
Zoo trof ons weer de ruwe, plompe verklaring van het feit van de hemelvaart van Jezus in een stichtelijke overdenking in een der moderne Weekbladen. In de West-Friesche Kerkbode toc schrijft Ds. J. Deetman van Oostwoud
: »Wij hebben Hemelvaartsdag gevierd! Dat deze dag voor ons, vrijzinnigen, een indere beteekenis heeft als voor onze vaderen (en voor vele Christenen nóg wel) behoef ik u niet te zeggen. Gij verwacht niet van mij, dat ik u prediken zal, dat eens, 1900 jaar geleden, in Palestina op den berg der olijven, iemand zóo ten hemel is gevaren. Zulk een geloof, zulk een voorstelling is voor óns althans oud en voorbij ! Zegt men, dat Jezus lichamelijk is opgestaan... ja, dan moet men wel aan een soort hemelvaart gaan gelooven; want het opgestane lichaam moet dan toch ergens gebleven zijn, en een opvaren ten hemel is dan de eenige wijze, om het verdwijnen des Meesters te verklaren. Voor ons vervallen deze moeilijkheden. Jezus was een mensch, onzer éen, reiner, vromer wellicht dan één onzer, maar mènsch - zijn lichaam is vergaan - stof was 't, dat tot stof wederkeerde - maar z'n geest voer óp tot God, die leeft! Trouwens... een lichamelijke hemelvaart! Wat voor begrip heeft men dan van den hemel ?
Eertijds - ja tóén kon zulk een geloof ontstaan. Toen dacht men zich de aarde als een platte schijf, waarover de hemel als een koepel zich welfde.-Tegen dien hemel aan stonden zon en maan en sterren, en daarachter woonde ... God! Natuurlijk denken wij het ons è, ndeis. Een bol is onze aarde, die, draaiend om eigen as, tegelijkertijd wentelt om de zon; en al die hemellichamen (waarvan de één verder nog van onze aarde afstaat dan de andere) ze doorklieven hun banen in regelmatigen gang. En de hemel...; waar is de hemel? Ik weet maar één antwoord: nabij God te zijn, dat is de hemel; van God verwijderd, is de hél!
En als wij nu zeggen: sjezus is ten hemel gevaren«, geven wij daaraan déze verklaring : Jezus is bij God! Zalig de reinen van hart, zij zullen (hier en ginds) God zien! En vraagt gij kladrder omschrijving en duidelijker uitleg, dan bekennen we ruiterlijk onze onkunde - we leggen de hand op den mond - de verborgen dingen zijn voor den Heer onzen God; de geopenbaarde voor ons en onze kinderen! Het woord, dat ik boven dit stukje schreef, is ontleend fian de hemelvaartslegende« enz.
Nog eens, het ie waarlijk niets nieuws in het midden van onze Herv. Kerk. Maar we willen nóg eens vragen: is men onder de modernen — en ook onder de orthodoxen — er nóg niet van overtuigd, dat hier hoogst oneerlijk gehandeld wordt als men zóp denkt aangaande Jezus en aangaande de heilsfeiten en als men dan toch in de Herv. Kerk blijft zeggende, dat men met geest en hoofdzaak van de Hervormde leer instemt?
't Lijkt ons toch zoo hoogst eenvoudig om hier eerlijk te antwoorden: neen, dèt kan en dèt mag niet!
Hemelvaartslegende. Jfls, dat staat er.
En zulke menschen blijven. Zulke menschen laat men ongemoeid. Hoewel ze Gods Woord tot een leugen maken. Hoewel ze den Christus Gods onteeren. En anderen, die den Christus Gods verkondigen; die van harte instemmen met de leer der Kerk, die kunnen, wanneer ze krachtens hun beginsel en geheel in s de lijn der geschiedenis zich niet kunnen vereenigen met 't geen Christus' loochenaars zeggen en doen, aanstonds in de grootste moeilijkheden komen. Ja, er behoeft maar een kleinigheid te gebeuren en ze staan buiten de Kerk. Buiten de Kerk, die krachtens haar belijdenis en haar historie als de gereformeerde Kerk van Nederland zich heeft te openbaren, maar daarin allerdroevigst te kort schiet.
Wat liggen de dingen toch scheef door elkaar. , Wat is de zonde in deze schrikkelijk. Wat weigert de Kerk zelf om in deze zich voor God te verootmoedigen en ernstig middelen en wegen te zoeken om in deze voor God en voor de menschen eerlijk te wandelen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's