Stichtelijke overdenking.
En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Hand. 2 : 4a
Pinksteren.
Jezus is opgevaren naar den hemel. Veertig dagen is Hij na Zijn opstanding nog op aarde geweest. Niet langer en niet korter. Niet korter omdat Hij Zijn discipelen nog omtrent vele dingen nader onderricht moest geven en omdat Zijn jongeren door vele gewisse kenteekenen vastelijk zouden weten en gelooven, dat Jezus waarlijk uit den doode was opgestaan. Daarom bleef Hij zoo lang bij hen. Dezen tijd had Hij daarvoor noodig. Maar toch bleef Hij ook weer niet langer dan 40 dagen, omdat de tijd van Zijn om wan deling op aarde voorbij was en Hij niet meer bij Zijn discipelen zou zijn zooals Hij te voren met hen sprak, at en wandelde. '*Een bijzondere verhouding zou er nu voortaan zijn tusschen Hem en de Zijnen.
Niet meer met hunne oogen zouden ze Hem zien en niet meer met hunne handen Hem tasten; voortaan zou er een geestelijke gemeenschap zijn tusschen Hem, die in den hemel der heerlijkheid zou ingaan en hen, die op aarde zouden blijven alle de dagen 'lïtinner inwoning hier.
En ziet, juist omdat zij Hem voortaan niet meer naar 't vleesch zouden kennen, dèarom mocht Maria Magdalena Hem niet aanraken bij de eerste verschijning. Mee moest er aan gewend worden om voortaan niet door het aanschouwen maar door den geloove te leven. En daarom ook bleef Jezus niet langer op aarde nê. Zijn opstanding dan noodig was. Toen ging Hij heen. Toen voer Hij op met gejuich der engelen. Toen deed Hij triumfantelijk Zijn intocht in het hemelsch Jeruzalem dat boven is, waar Hij nu zit aan de rechterhand des Vaders, vanwaar Hij komen zal om te verschijnen op de wolken, z55 dat ook degenen die Hem doorstoken hebben, Hem zullen zien, waarbij Hij zal geopenbaard worden als Rechter over de levenden en dooden.
Zoo is Jezus nu opgevaren van den Olijfberg naar den hemel, terwijl de discipelen het zagen. En Hij is zegenend heengegaan. Wat ten slotte zoo'n geweldigen, maar ook zoo'n heerlijk-blijden indruk maakte op de jongeren, dat ze vol-vroolijk heensnelden naar Jeruzalem om er al den dag van te spreken, lovende en prijzende God in den tempel (Luc. 24:51-53).
Dat is een wonderlijk heengaan! Zoo heelemaal niets om bedroefd te zijn! Neen, de discipelen verheugden er zich in, dat Jezus nu opgenomen was in heerlijkheid.
Wat eere was Hem bereide Wat heerlijkheid was Hem geschonken I En dat was hun Meester, hun Heiland, hvn Zaligmaker.
Dat is nu de Heiland, de Goël, de Losser van een arm zondaarsvolk 1 Eerst vernederd - nu verhoogd. Ja - 't hoofd en 't hart mocht nu omhoog om Jezus te aanbidden in den hemel en om te weten: Hij is ons ten goede daarl 't Was geen verlies. 't Was winst; louter winst; en geen kleine winst, 't Was groote zaligheid! Ja, nu mocht men juichen. Nu mocht met schel bazuingeluid des Heeren glorie uitgeroepen worden. Lofzangen betaamden hier. Des Konings lof diende bezongen, met zuivren galm en met blijden psalm. Immers 't was nu:
Gij voert ten hemel op, vol eer; De kerker werd uw buit, o HEER'! Gij zaagt uw strijd bekronen Met gaven, tot der menschen troost; Opdat zelfs 't wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.
Indien dit nu evenwel zoo is, dan moest hier ook méér op volgen. De Koning gaat niet in, na langen en hangen strijd voor Zijn volk ondernomen, in Zijn volle heerlijkheid, zonder dat Zijn volk daar iets van bemerken zou in den voortgang, 't Was immers juist om gaven uit tedeelen aan de Zijnen, die als een wederhoorig kroost van God vervreemd zich hebben leeren kennen, en die door de gaven des Geestes mogen ingeleid worden in een nieuwen en verzoenden staat voor God.
En ziet, daarom zou het ook wel spoedig te merken zijn op aarde in het midden van Christus' Kerk, dat Jezus naar den hemel was opgevaren en en daar deelde in hemelsche heerlijkheid en de vrije beschikking had gekregen over de gaven des Geestes. Hij had het immers gezegd: het is u nut dat Ik henen ga. , dat Jezus in den hemel is!
Welnu, die nuttigheid van dat heengaan, die profijtelijkheid van het wonen van Jezus in den hemel, die zou spoedig blijken. En als de dag van het Pinksterfeest daar is, dan wordt de hemel geopend en de gaven tot der menschen troost vloeien uit den hemel, kostelijker en duurzamer dan het brood en het vleesch dat van boven gegeven werd in dé woestijn tot voeding en onderhouding van het volk van Israël.
Ja, 't is tot voordeel, tot zegening, tot vreugde, rijkdom en zaligheid voor een arm zondaarsvolk
Tien dagen hebben ze gewacht in ' Jeruzalem. Ze hebben gewacht en gebeden, de vrienden van Jezus.
Er ligt soms een lange tijd tusschen het woord van Gods belofte en de daad van de goddelijke vervulling Als een tijd van beproeving. Opdat het zij een tijd van wachten, vertrouwen, waken, bidden - pleitende op de toezeggingen des Heeren en staande op het fundament van het Woord, waarbij de Heere op Zijn tijd ook gewisselijk zal komen en boven bidden en boven denken zal weldoen. Want de Heere toeft niet uit lust tot plagen. Neen! Hij is een verrassend God, die Zijn Woord weet waar te maken: „al wat u ontbreekt schenk Ik, zoo gij 't smeekt, mild en overvloedig."
Dat blijkt ook op den Pinksterdag. Men had gewaakt, gebeden. Men had Gods Woord bepeinsd en Zijne beloften overdacht. Men had weggelegd in de ziele wat Jezus had toegezegd en men was sa& m gekomen om te spreken over de dingen van Gods Koninkrijk, om God te verheerlijken, om elkander te stichten. En ziet — „daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind en vervulde het geheele huis waar zij zaten; en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zat op een iegelijk van hen zijn .zij werden allen vervuld met den Heiligen (jfèest en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken." (Hand. 2 : 2—4).
In een breede lijst van allerlei bizonderheden staan daar die woorden: en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Ddt is het feit van Pinksteren. Dat is de zaak waar 't om gaat. Rondom welke zaak zich dan groepeert een rijke verscheidenheid van allerlei wonderen en teekenen.
Wat dat eigenlijk is: En zij werden allen vervuld met den Heiligen geest? We zien 't het best in de uitwerking van dit Pinksterwonder. Dan bemerken we wat dit zeggen wil: vervuld te worden met den Heiligen Geest.
Want is het wonder van de uitstorting des Heiligen Geestes niet, dat de hemel tot hen nadert en dat zij gemeenschap mogen oefenen met hun Heere en Heiland Jezus Christus?
Worden ze niet vervuld met de volheid van Christus? Krijgen zij niet ten volle deel aan den verhoogden Heiland ? Worden ze niet rijk en heerlijk ingeleid in alles belangende Jezus, in Zijn vernedering en Zijn verhooging ? Krijgen ze niet een helderen en vollen, een blijden en heerlijken kijk op 't geen de Heere in Christus voor hen en voor héél Zijn Kerke geschonken heeft?
Staat Christus hun niet helder voor oogen; leeft Hij niet heerlijk in hun hart; krijgt Hij geen volle gestalte in hen; worden zij niet geheel ingeleid in de dingen van Gods onbeweeglijk en heerlijk Koninkrijk ? Worden het geen blijmoedige getuigen ; geen dappere mannen ; geen stoere helden; geen onverschrokken strijders; geen onvermoeide predikers, uitdragende in het midden van de schare, wat de Heere in Christus kwam schenken ?
En dat is door den H. Geest, dat het alzoo mocht zijn en blijven.
Het was hier niet zoo zeer de Geest tot bekeering van de discpelen. Hoewel de Geest in Zijn werking wel een Geest van bekeering is en zich onder de schare ' alzoo ook openbaarde. Maar de Geest, ' die alle de discipelen, vrienden en vrien-Jdinnen van Jezus, kwam vervullen op den Pinksterdag, was voor hen, die eendrachtelijk, biddend, bijeen waren, een Geest van vertroosting en blijdschap, ' die hen in het volle bezit van den levenden en verheerlijkten Christus kwam stellen en die hen recht heerlijk kwam inleiden in de gangen des Heeren, die Hij houdt in Zijnen Christus tot eere Zijns Naams en tot bekeering on zaligheid, tot vertroosting, en bemoediging van Zijn volk hier op aarde.
En daarin verheugden zij zich. Daaruit spraken zij.
Daarin werden zij gesterkt. Daarvan getuigden zij.
En ziet, zoo moet het nu op dezen Pinksterdag gaan met al Gods kinderen, de kleinen en de groeten saam, ze moeten in Christus worden ingezet. De Geest moet uit Christus nemen en het in de harten van Gods kinderen indragen in volheid van bliide verzekerdheid, in volheid .van vroolijke ervaring, in overvloed van zaligheid en vree. Gods kinderen moeten hier beneden Christus in Zijn heerlijkheid aanschouwen, zooals Hij heerlijk is in den hemel, zeggende : al het Mijne is het uwe!
Ze moeten uit zich zelf uitgetrokken worden en ingeleid in de zalige gemeenschap met Hem, in het zalige bezit van Hem. Om dan uit Hem te leven. Van Hem te getuigen. Over Hem te spreken. Voor Hem te strijden. Wetende dat de Geest hun meedeelt die gaven, welke Hij verworven heeft, om getroost en gesterkt te worden en altijd met God verzoend te zijn en altijd bij God te mogen wonen. Hier eerst inwonende in het vleesch. Maar woldra, van het lichaam dezes doods verlost, inwonende bij den Heere in den hemel. Zal de nabijheid, de kracht, de lieflijkheid van den H. Geest bizonderlijk ervaren worden op dezen dag door alle degenen die God vreezen ? Ach, - als 't Woord zegt: „bluscht den Geest niet uit", dan wordt er pp zoo'n ernstig gevaar gewezen!
Die dienst des vleesches; die dienst der zonde; dat juk der wereld en die last der ongerechtigheid I Is het niet vreeselij k ? Zijn we niet uit de aarde aardsch en is er niet een wet des vleesches, die ons dwingt tot dienstbaarheid en ons brengt onder de heerschappij der zonde en der wereld en des boozen ? Maar ziet, dan zegt de Schrift, dat de Heere de vrijmaking in Christus wil schenken door den H. Geest, zoodat een gebondene in de vrijheid komt en een kreupele leert springen en een lamme huppelt, zingende: „ik danke God, door Jezus Christus mijnen Heere!"
Bluscht dan den Geest niet uit. Vertroetelt het vleesch niet.' Dient de wereld niet. Waakt en bidt. En leert Jezus Christus kennen als den sterken Held, die overwonnen heeft en in Wien alleen de overwinning ligt voor de Zijnen. Hij in hen en zij in Hem - zóo zal men juichen en spreken van de wonderen des Heeren, om Zijne strafi'en gade te slaan. Dat van den Geest mocht worden uitgestort in Sion. Dat Sion mocht worden vertroost. Dat de God van Vader Jacob Zijne gunstgenooten kwam beuren in een hoog vertrek. Dat er nog jubelende klanken mochten worden gehoord, om Christus te eeren en den Koning te prijzen in Zijne heerlijkheid; om den Bruidegom groot te maken, waar Hij Zijn bruidskerk bemint met een eeuwige liefde en. kleederen des heils haar bereidde ten koste van Zijn dierbaar bloed. En dat jongen en ouden zoo ook voor 't eerst eens gezet mochten worden in het volle bezit van den Goël en Borg Jezus Christus. Dat ze eens uit zichzelf uitgeleid mochten worden om Hem te erkennen als hun Zaligmaker. Dat zij eens mochten worden ingeleid in de rechte kennis van zaligheid en heil, zooals dat geopenbaard is in Hem, die op aarde kwam om zondaren zalig te maken en die in den hemel leeft om het verlorene weder te brengen tot de rechte kennisse Gods, die vervult met blijdschap en vrede.
Dat onze Kerk eens losgemaakt mocht worden van allen zondigen weg, waar men het niet wil en niet durft wagen met Gods Woord en waar de rechte kennis en de rechte belijdenis aangaande den Christus Gods ontbreekt! Dat de Heere haar nog eens mocht komen vrijmaken, opdat zij mocht roemen in haren Heerè en Heiland die in den hemel woont.
Wat is het toch ellendig in het diensthuis der zonde! Wat is het armelijk, benauwd, schandelijk en schadelijk onder vreemde heerschappij I En onder de heerschappij des Konings in het tot leven en vroolijkheid!
Dat ons volk van de banden des doods mocht worden vrijgemaakt 1 't Is tot den dood, tot den ondergang — wanneer ons volk blijft weigeren om zich te verootmoedigen voor God en zich te bekeeren tot den Heere.
Aardsch bezit en wereldsch genot is niet tot waarachtig heil voor de iratie.
Om ingeleid te worden in de wegen des Heeren en dé, ar te wandelen in oprechtheid voor Zijn aangezicht, ddt is tot groei en bloei, tot sterkte en tot eere, tot blijdschap en tot leven.
De zonde is een schandvlek der natie. Maar het wandelen naar Gods Woord dat doet gerechtigheid geboren worden en doet den morgen dagen van een nieuwen dag.
Dat de Geest des Heeren over ons mocht komen. In onze harten woning kwam maken. En ons leeren mocht vrede en zaligheid te kennen in Christus — dat is tot eere Gods en ons en onze kinderen tot heil en zaligheid.
Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer; Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg'nen [HEER'; En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht. Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht, Om, waar zich 't hart ooit voelt in leerzucht blaken, Uw heerlijkheid. Uw macht bekend te maken.
En d' eer Uws rijks, zoo groot, zoo hoog [verheven.
Voor aller oor den hoogsten roem te geven. Ps. 145 : 4.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's