De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zware tijden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zware tijden.

17 minuten leestijd

2 Timotheüs 3:1. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

VII. (Slot).

Een der teekenen des tijds, waardoor de laatste dagen gekenmerkt worden, is dus ook, dat zij, die voor belijders willen doorgaan, zich vermengen met de wereld. Het gebrek aan liefde voor en aan reinhouding van de waarheid, het gebrek aan waarheidszin. Men noemt zich met een naam, voegt zich bij eene groep, schaart zich onder eene banier en is toch innerlijk dikwijls iets geheel anders. Zoo dringt de leugen binnen en g/ijpt de besmetting altijd dieper in de kringen der geloovigen in. Er is een ijver op allerlei gebied. Om de heidenen in het buiten-en in het binnenland te bekeeren, slooft men zich af en wordt niets ontzien, zelfs niet de waarheid Gods. Van ijver voor het geloof, den heiligen eenmaal overgeleverd, bespeurt men niets, maar des te meer van vijandschap daartegen. Van een zich inzetten voor de waarheid is geen sprake meer. En toch was deze juist het groote doelwit, waarvoor Christus gekomen is. De Heere Jezus heeft de laatste dagen niet slechts vergeleken met den zondvloed, maar ook met den ondergang van Sodom en Qomorra, Gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij plantten, zij bouwden, maar op den dag op welken Lot uitging, regende het vuur en sulfer van den üemel en verdierf ze allen. En met grooten nadruk voegt Hij er aan toe: „Gedenkt aan de vrouw van Lot." Die groote les nu wordt in onze dagen door hen, die zeggen zijnen Naam te belijden en voor zijne waarheid op te komen, , maar al te zeer vergeten. Zij blijven vastkleven aan wat achter ligt en verstaan niet, dat wie zijn leven zal zoeken te behouden, het zal verliezen, en zoo wie het zal verliezen, die zal het behouden. Er komt geene breuk met de wereld tot stand. Integendeel, er sijn er maar al te veel, die ook uit het oogpunt der waarheid tot de wereld wederkeeren. Dit juist maakt den tijd zwaar en gevaarvol en moeilijk en zet er een stempel op van de laatste dagen. Want juist die afwijking onder de belijders is, hoe vroom zij zich ook moge aandienen, in den grond niet anders dan vijandschap tegen Christus' middelaarswerk. Dat zich versmelten met de wereld, dat gelijkvormig worden aan de wereld van hen, die zich naar zijnen Naam noemen, is in den diepsten grond een aanslag tegen het werk van Gods genade. Immers de apostel heeft ons geleerd, dat de zaligmakende genade Gods verschenen is aan alle menschen met het bepaalde doel, dat wij er door onderwezen zouden worden de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en ernstig en rechtvaardig en godzalig te leven in deze tegenwoordige wereld Het volk Gods heeft dus allereerst de roeping om de deugden Gods te doen blinken in de wereld. Daarna ook moet het verwachten de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van den grooten God en Zaligmaker, Jezus Christus. Bij die roeping om in de wereld godzalig te leven komt dus die andere om uit te zien naar de vervulling der be'often Gods en alzoo een beter vaderland te zoeken. En om ons dat nu klaar en duidelijk te doen verstaan en daarop bij Gods kinderen aan te dringen omschrijft ons de apostel het doel van Christus' werk. Hij heeft zichzelven voor ons gegeven om ons te verlossen van alle ongerechtigheid, maar dan ook om zichzelven een eigen volk te reinigen, ijverig in goede werken. Maar als dan dat volk weer tot de wereld terugkeert en zijn woord en waarheid licht acht, zich aan alle besmetting door de wereld gewillig en gretig blootstelt, de dingen Gods weinig telt, ligt daarin dan niet een smaden van Christus? Hg gaf zich over om het volk te verlossen van alle ongerechtigheid en dat volk haast zich om er weder in te geraken. Hij gaf ze den Heiligen Geest en leerde ze, opdat zij de waarheid Gods zouden verstaan, en zij nemen de waarheid eerst om haar 100 het schijnt te verruimen, daarna om haar te verwerpen. En dat dit alles niet straffeloos gebeuren kan, leerde ons de geschiedenis. De toorn Gods over de gerneente wordt er door ontstoken. De kracht der waarheid wordt er door gebroken.

Zoo staan dus in die reeks van sombere verschijnselen, die aan ons voorbij gingen voor ons teekenen, waarvan de Heere gezegd heeft, dat zij kenmerken zijn van de laatste tijden, die zwaar zullen zijn. Wat blijft nu te midden van dit alleg aan Gods kinderen over, dan éen open oog te ontvangen voor de groote gevaren, die ons bedreigen van alle zijden, de nooden te peilen en getrouw te worden, zoowel in de belijdenis van schuld als in het aanroepen van des floeren Naam. Zij zullen ontroerd moeten wordden onder den druk der tijden, ontroerd door het gevaar. Het is voor alles noodig, dat zij wakker worden, dat de waarheid weder gaat branden in de ziel, de geestdrift weder opwake en het besef verlevendige, dat met betrekking tot Gods Woord en waarheid de grootste teederheid past. Noodig is de dingen, die rondom ons gebeuren, te zien bij het licht van Gods Woord. Dat laatste juist ontbreekt maar al te zeer. Hoewel het een der treffendste eigenaardigheden van het Gereformeerde leven is, dat het den maatstaf des Woords aanlegt en alles verwerpt wat daarmede strijdt, wordt juist in onze dagen niets meer op den achtergrond gedrongen en verdonkerd In de plaats van het Woord zijn allerlei nuttigheids overwegiugen getreden, die zeker niet opzettelijk, maar dan toch onbewust het gezag des Woords hebben verdrongen. Naar den maatstaf van eigen vroomheid, feitelijk dus naar het goeddunken van eigen hart wordt het leven beschouwd en wordt de levensgang ingericht en de levensidealen vastgesteld en nagestreefd. Dat alles zeker met de beste bedoelingen, maar daarom toch niet minder verderfelijk in zijn gevolg. Want alzoo wordt het leven losgemaakt van de tucht des Woords. Terugkeer tot het Woord is een eerste voorwaarde tot betere toestanden in het geestelijk leven van ons volk. Wij zullen weer moeten vragen naar hetgeen het Woord zegt, bij het licht des Woords het leven der wereld en ook eigen leven moeten zien. Wij leven nu te midden van de verschrikkelijkste gebeurtenissen. De volkeren worden gegeeseld en gestriemd op eene wijze als in de geschiedenis zeker zeldzaam is. Het bloed en de tranen worden gestort zonder dat er op hunne kostbaarheid acht wordt geslagen. Een zee van lijden doet hare baren hoog gaan. En wij die nog vrede genieten en voorspoed en rust, al gevoelen wij af en toe ook iets van dien druk, wij hooren van al die oordeelen uit de verte en wij spreken er over en wij denken er over en daarbij blijft het. Het gaat er ons mede als met de rampen van anderen, waarvan wij hooren, die ons een oogenblik roeren en daarna worden voorbijgegaan. Als daar eene weduwe achterblijft, hulpeloos en zonder middel van bestaan, dan beklaagt haar ieder, maar zeer weinigen worden geroerd door ontferming. En zoo is het nu ook met Gods oordeelen in de wereld daarbuiten ons. Wij oordeelen en redeneeren er over naar den maatstaf onzer inzichten, meestal gegrond in onze belangen. Maar wat ons noodig is bij onzen blik op de wereld en op het wereldgebeuren, dat is het licht van Gods Woord. Wij zullen het alles terug moeten brengen tot het Woord. Wij zullen moeten vragen wat God er van zegt, den mond des Heeren moeten vragen naar Zijn oordeel over deze vreeselijke dingen, over die uitgietingen der goddeloosheid, over die geestelijke • verwildering, die rondwaart, en ook over de geestelijke verwording en het "verloop der beginselen in de kringen dergenen, die naar Zijnen Naam zich noomen. Het zal een zaak moeten worden tusschen God en zijn volk. En dan zal het ons ter harte gaan en tot gebedsworsteling dringen, omdat het dan alles voor ons zal staan als in den spiegel van Zijn goddelijk recht. Dan zal begrepen worden, dat alle deze dingen niet zonder oorzaak over en onder ons zijn en dat wij ook niet straffeloos op deze wijze kunnen voortgaan. De oordeelen Gods zullen alsdan gekend worden in de oorlogen dezer tijden als oordeelen over de hebzucht, de weeldezucht, de godvergetenheid van het moderne leven, dat den Heere niet meer erkennen wil, zelfs niet in de heihgste inzettingen. Maar het zal ook begrepen worden, dat elke afwijking het zaad is van nieuwe afwijkingen en daarmede ook van een haastig verderf, dat zal opwaken.

Het zal noodig zijn weder tot onszelven te komen. Allereerst in onze personen, daarna ook als groep van belijders. Eerst zullen wij persoonlijk weder moeten komen tot bekeering van den geest van materialisme, die rondwaart met zijne besmetting. Zoo lang als de wereld, de schatten en de eere der wereld ons persoonlijk het hoogste goed zijn, en deze het eenigste zijn, dat wordt nagestreefd, zoolang kan er van een beseffen van de gevaren en d© oordeelen Gods over de wereld geen sprake zijn. Wie zichzelven niet verliest, hij kan niet verder zien dan zichzelven. In ons persoonlijk leven zal het weer moeten gaan om de waarheid Gods. Wij zullen moeten aflaten van den schijn en geen vrede moeten kennen zonder dè zekerheid, dat wij Hem kennen en de kracht zijner opstanding. Het zal ons in ons persoonlijk geestelijk leven weder moeten gaan om het bezit van den levenden Christus Gods, zooals_ Hij zich in zijn Woord ons gaf. Waar Hij weder zulk eene hooge beteekenis verkrijgt, daar zal de ernst van zijn getuigenis ook weder wegen op het hart en daar zullen ook de gevaren weder wojden bemerkt, de nood der tijden zal weder worden erkend. Het gebed zal dan opklimmen om in eigen zieleleven weder te mogen smaken van zijne gunst. Maar als de teederheid des levens weder toeneemt, weer een karaktertrek wordt van het volk, dat zegt zich te scharen om de banier der belijdenis, die ons van de vaderen toekwam, als het leven, dat in de belqdenis zich uitspreekt, weder doorbreekt in de ziel, dan zal ook de zonde en de nood der tijden weder wegen gaan. Want het zondebewustzijn zal moeten opwaken om het gebedsleven weder te doen opkomen. Zonder noodgevoel geen gebedsbehoeften, geen behoefte aan den levenden God. De oogen zullen moeten opengaan voor den afgrond, waarvoor dit Westersche leven der zoogenaamde Christenvolken staat. En dat kan alleen doordat de gemeente, die zich naar zijnen Naam noemt, weder een klaar getuigenis van zich geeft, dat de volken terugroept tot de bron, waaruit hun alle zegeningen, ook die dezer cultuur zijn toegekomen. Zij moeten weder herinnerd worden aan den geestelijken oorsprongdezercultuurgoederen. Want hoewel dit moderne leven het niet wil weten en al doet wat het kan om zich te onttrekken aan den zegenenden invloed des kruises, blijft het toch waar, dat ook die hooge ontwikkeling, die het Westen verkregen heeft boven het Oosten, uitsluitend te danken is aan het kruis van Christus. Het is niet hierom, dat wij westerlingen meer verstand hebben dan de oostersche volken, we.nt de ervaring leert, dat èn Japan èn China volkeren dragen, die verstandelijk in geen enkel opzicht achterstaan en ook volkomen in staat bleken de hooge cultuur der christelijke volken over te nemen voor zoover deze aan het menschelijk verstand hare eischen stelt. Dat zij nochtans achter stonden bij het Westen vindt uitsluitend ziijne verklaring in de levenskrachten, die de verrezen Christus in zich draagt en waarmede het Westen is bevoorrecht geworden. En nu is dit juist zoo treffend, dat terwijl tal van heidenvolken uitzien naar het heil, waarin wij ons verblijden mogen, de Christenvolken zich beijveren om zich te bevrijden van den levenwekkenden invloed, die van onzen Heiland uitgaat. Dit is de af val, dit is de zonde, die deze laatste tijden tot zware tijden maken, die zulk een donkere schaduw werpen over ons tegenwoordig leven. En dit kwaad dringt ook door in de kringen dergenen, die des Heeren naam zeggen te belijden, dergenen, die zich scharen rondom onze aloude belijdenisschriften. De geestelijke inzinking, die zich allerwege en op elk gebied openbaart, is een der treffendste teekenen van het verval van heel ons cultuurleven. En toch, hoewel de oordeelen op treffende wijze rondom ons openbaar worden, hoewel deze dagen ons te zien geven eene verwoesting en verderving, zooals er waarschijnlijk jin de geschiedenis van ons geslacht geen tweede valt aan te wijzen, hoewel aan den hemel zich donkere wolken samenpakken en de politieke horizon ook in het Oosten verre van helder is, en de aarde zich te midden van dezen krijg reeds weder beieidt op nieuwe oorlogen, toch is er maar zeer weinig besef van dit alles en leeft de massa, alsof er nergens een wolkje te bespeuren viel. Er is oorzaak om ontroerd te staan over de zonde dezer arme, ellendige, ondergaande wereld. Er is oorzaak tot ontroering over de zonde en den afval, over het geestelijk verloop dergenen, die zich uitgeven voor belijders, gelijk er ook oorzaak is om zich te verootmoedigen over eigen zonde.

Het is de taak van den dienst des Woords alle deze dingen in het licht van Gods recht en waarheid te stellen. Het is roeping de conscientie aan te grijpen door mede klaar en helder de bazuinen te doen weerklinken. Daarom heeft de Heere wachters besteld op Zions muren. Bovenal ook is er eene roeping voor Gods ware kinderen om in te roepen de genade des Heiligen Geestes, zonder Wien er toch van geene opleving sprake kan zijn. Wat in onze dagen vooral noodig is? Droefenis naar God, geboren uit de aanschouwing van hetgeen wij zien geschieden. De luchthartigheid en de lichtvaardigheid zal moeten wijken en. de ernst des levens weder moeten opwaken. De oppervlakkigheid en de dartelheid, de weeldezucht en de stofvergoding, die zich zoo sterk onder ons doen gelden, zij zullen tot schuld moeten worden voor des Heeren aangezicht. Het volk des Heeren zal moeten wederkomen tot den geest van ootmoed ea nederigheid, van teederheid in Gods gemeenschap, opdat er weder gebedsworstelingen geboren worden om de reddende genade en de ontfermingen Gods, om de uitstorting van zijnen Geest. Noodig is ons weder een zich schikken naar de inzettingen en de geboden des Heeren, een komen onder de tucht des Woords, eene erkenning van het gezag Gods. Want met alle herstel der vormen en met het streven naar bepaalde hervormingen is het niet genoeg. Zelfs kan het zijn, dat met de beste toch vormen, ae üeere locn van wege de zonden des volks, gaat wijken en dat Hij ons heel dat uitwendige samenstel overliet als een doode mummie, die wel den schijn en de gedaante eens menschen heeft, maar wien alle leven vreemd is. Met alle uitwendige dingen zonder den Geest des levens, is alles te vergeeft De Heere ziet het hart aan. Dat geldt van elke mensch afzonderlijk, maar het geldt ook van geheele groepen en ook van de Gereformeerde beweging in haar geheel, zooals zij zich in ons vaderland vertoont. De Heere vraagt het hart. Hij is niet tevreden met een uiterlijk naderen, met een schijn van vormen en instellingen, hoeveel beteekenis zij overigens mogen hebben. Wanneer de geest en het leven er uitgeweken zgn, dan beteekenen zij niets. Daarom is het voor alles noodig weer te vragen naar de innerlijke waarachtigheid, ook naar de waarachtigheid in onzen strijd om < le uitwendige vormen, naar de waarachtigheid ook in onzen strijd om de dingen van Gods Koninkrijk en om de komst daarvan. In de zware tijden die wij beleven is dit voor alles noodig. Komende tot den Geest en de waarheid zal ook het uitwendige niet onverschillig zijn, maar juist omdat er Gods licht in en over gezien wordt, zal het met de grootste teederheid worden behandeld. Aan het belijdende volk kan in deze dagen niet genoeg worden voorgehouden, dat het noodig is waakzaam te zijn, zuiver te houden de beginselen, vast te houden aan de belijdenis, die bezegeld werd door het bloed der martelaren en te staan naar een geestelijk en zedelijk leven, waardoor de Naam des Heeren geprezen wordt. Het leven van Gods volk voor zoover het optreedt naar buiten in het openbaar, bij het verkeer ook in de wereld, zal dragen moeten den stempel der oprechtheid en der waarheid Gods kinderen zullen moeten zijn in deze wereld als een brief, geschreven uit den hemel in hun gansche leven. Zij zullen moeten wandelen voor Gods aangezicht en oprecht zijn.

In deze donkere dagen is het eene vertroosting, dat de Heere de zijnen kent, want het verbond Gods staat. Maar het sluit ook in zich, dat wie den Naam van Christus noemt, zal afstaan van de ongerechtigheid. Onze belijdenis, onze voorrechten en ons licht en al wat wij meen on te hebben, zal ons niets baten kunnen, indien wij niet waarlijk macht ontvingen Gods kinderen genaamd te worden. En waar nu zooveel verderf rondsluipt onder het masker der vroomheid, en waar zooveel wat strydt met het woord en de wet Gods in ons moderne leven openlijk zijne werking doet uitgaan, zoodat heel onze cultuur er door vergiftigd en verdorven dreigt te worden, daar zal het er voor Gods kinderen op aan komen te gedenken aan het woord van Jeremia, die tot het volk moest zeggen: „zoo zegt de Heere: ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods. Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard of door den honger of door de pestilentie; maar die er uitgaat, die zal leven, want hij zal zijne ziel tot eene buit hebben en zal leven." Er zal moeten komen een opwaken voor de reinheid en de heiligheid, zoowel inzake leer als leven. En zonder dat zal de beweging voor een herboren volksleven ons beschaamd laten staan. Het is niet genoeg, dat wij ons kinderen der vaderen noemen, indien wij derven der vaderen geloof en leven. Wij zullen moeten aanzien de algeheele geestelijke verwording, die ónze dagen kenmerkt, haar moeten stellen in het licht van Gods Woord als een teeken des tijds, dat ons verkondigt, dat Gods oordeelen over de zonde der volken en over den afval zijner kerk gewisselijk komen. Dan zal er verootmoediging zijn en belijdenis \ van schuld, maar ook zekerheid, dat de Heere zich onzer zal ontfermen en ons wederbrengen op de paden des levens. Maar zonder bekeering zal heel de Gereformeerde beweging zijn opgeschreven ten doode. Haar kracht zal vergaan en onder een schijn van toenemen in de breedte zullen hare levenswortelen in de diepte afsterven. En voordat het volk zich er van bewust is, zal zij verloopen zijn in haar tegendeel, haar karakter hebben ingeboet, zoodat zij niet meer kan worden onderkend. En juist dit zou meer dan iets anders het bewijs zijn van de zware tijden, die in de laatste dagen komen zullen en waarvoor de apostel met zooveel nadruk waarschuwt. Nog is het tijd om te gedenken aan het woord: „indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. En laten wij ons niet verleidea door hen, die het land rondreizen met het geroep, dat het niet zoo erg, is, dat het alles overdreven moet worden geacht, want hier en hier vooral geldt ook dat andere: „indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo© maken wij Hem tot een leugenaar en zijn Woord is niet in ons". Het zal ons noodig zijn onderwezen te worden door de zaligmakende genade Gods, de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matig, rechtvaardig en godzalig te leven in deze tegenwoordige wereld, opdat wij weten, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. En wij te midden daarvan mogen verwachten de zahge hoop en de verschijning der heerlijkheid van den grooten God en Zaligmaker, Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Zware tijden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's