Van de kennisse Gods.
Eerste serie.
Joh, 17 : 3. En dit is hete eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Eerste serie. I.
Onze eeuw is meer dan eenige andere, waarop de geschiedenis wig zen kan, de eeuw der wetenschap. En juist daarom, is zij de eeuw dier machtige productie op elk levensgebied, waardoor zq een ongekende weelde, eenen onmetelijken rijkdom, en een verkeer geniet, als de voorgeslachten zich niet konden droomen. De spreuk, waarmede vele eeuwen geleden de wijsgeer Baco, den nieuwen tijd, dien hij zag komen, karakteriseerde, luidde: , kennis is macht". En inderdaad, wie ons moderne leven ziet in zijne ontwikkeling, wie de reuzenwerken der industrie aanschouwt, het wondervoUe verkeer, dat alle afstanden heeft weggenomen, de uitbreiding van den handel, de vernieling van den modernen krijg, de zeevaarten de luchtvaart en zooveel meer en het vergelijkt met de besclieidene hulpmiddelen, die onzen vaderen ten dienste stonden, die moet wel erkennen, dat de menschelijke wetenschap draagster is van eene macht, wier grenzen nog niet bereikt zijn. Die kan zich ook begrijpen, dat er in dien modernen mensch een machtsbesef en een grootheidswaan geboren werden, waardoor hij uit geestelijk oogpunt tevens een tegenbeeld werd van de voorgeslachten. De diepten der hemelen ontsloot hij, de oneindigheid der hemelspheeren doorzoekt hij, maar ook de mysteriën van het oneindig kleine bleven hem niet verborgen. En hij staat in het bewustzijn zijner scheppende macht, waardoor hij nog wel niet alles, maar toch zeer veel vermag, dat hem uit menig oogpunt onafhankelijk maakt. Zoo is de onafüankelijkheid van weer en wind, zelfs in menig opzicht van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid der jaren, veel grooter dan ooit te voren. Mag het al een enkele maal blijken, dat de krachten der natuur soms op onverwachte wijze spelen met hetgeen menschelijk genie vermocht te bouwen, die enkele maal blijft eene uitzondering, die spoedig is vergeten. En moge al eens de schaarschte dreigen, wat hier tekort komt, wordt gemakkelijk van elders aangevoerd. Zelfs het weder wordt voorspeld en mag ook daarbij dikwijls blijken, dat de kennis nog te kort schiet en de zekerheid, die wordt nagestreefd, nog niet geheel gegrepen is, toch is ook zelfs op dit gebied de wetenschap eene oorzaak, dat het afhankelijkheidsgevoel verzwakt en het beS'-f van macht toeneemt bij den cultuurmensch onzer dagen. Zoo is in elk geval in hooge mate het bewustzijn van kracht en vrijheid gestegen en kan het niet verwonderen, dat het van alle zijden ons tegentreedt. Het is dan ook onmiskenbaar, dat het zelfbewustzijn der tegenwoordige menschheid een geheel ander karakter draagt dan dat onzer voorgeslachten. De bescheidenheid, geboren uit het noodgevoel, dat vroegere tijden kenmerkte, is geheel verdrongen door het besef van kracht tot kunnen. En daarmede hangt nu onmiddellijk saam het geheel ander karakter van het geestelijk leven der Westersche menschheid in het algemeen, de minder beteekenisvolle functie, die de eeuwige dingen daarin vervullen.
Het is onmiskenbaar, dat de tegenwoordig levende menschheid uit geestelijk oogpunt geheel verschilt van de vroegere. Niet in dien zin, dat de menschheid vroeger beter was, of de tegenwoordige slechter. Want dan geldt het woord der Schrift, dat zij allen onder de zonde besloten zijn Maar dat sluit niet uit, dat er toch voor een anders zijn van het geestelijk leven plaats is. Omdat het noodgevoel en dus het afhankelijkheidsbesef in vroegere eeuwen zooveel grooter was, hadden zij meer oog voor eeuwige dingen, en in het algemeen ook meer behoefte daaraan. Met het zaligmakende geloof heeft dit niet uit te staan, maar voor den geest des tij ds had het groote beteekenis. Het blijkt dan ook uit alles, dat vroegere geslachten eene veel grootere plaats aan het geestelijke inruimden. Dit blijkt niet slechts uit de grootsche bouwwerken, uit die dagen overgebleven, niet slechts uit de kunst dier tijden, maar ook uit het wetenschappelijk leven. Heel het wetenschappelijk leven der voorgeslachten werd beheerscht door de groote geestelijke vragen. Feitelijk was de godgeleerdheid de eerste en de meest geëerde in den kring der wetenschappen. Zooals in de steden de burgers zich inspanden om in elke wijk een schitterende cathedraal te doen verijzen, waarin zij hunnen God verheerlijken konden, eene kerk, die als het centrum vormde, waarom de woningen zich schaarden, zoo was oudtijds de wetenschap der godgeleerdheid de koningin van alle wetenschappen, Aan haar wijdden zich de besten en de bekwaamsten, aan haar was alle andere wetenschap ondergeschikt, zoodat zij alle haar dienden. Zij was de meesteres, alle anderen waren als de dienstmaagden. Zoo treedt het in het licht, dat voor de menschen van de middeleeuwen en van veel later tijden de dingen des geestelijken levens, de vragen, die op het eeuwige betrekking hebben, de grootste beteekenis hadden. Zg waren het middelpunt van aller belangstelling. Zij alleen trokken de aandacht, soms zelfs op zeer eenzijdige wijze, alsof het wereldleven niet de minste waarde had.
Maar als wij ons tegenwoordig leven daarmede vergelijken, dan blijkt ook tegelijkertijd, hoe diepgaande veranderingen ingetreden zijn. Het is alles anders geworden. Heel het geestelijk leven onderging met de opkomst der moderne tijden diep ingrijpende wijzigingen. De geestelijke vraagstukken hebben bij lange na niet de belangstelling van vroeger. Indien het tegenwoordige geslacht nog de prachtige kerkgebouwen moest stichten, die ons van de voorgeslachten zijn toegekomen, dan, wij kunnen er zeker van zijn, onstonden zij niet, In onze dagen bouwt men geen eeuwen aan kerken. De groote bouwenwerken van onze dagen zijn aan andere dingen gewijd. Hetgeen onze tijden op het gebied van kerkbouw te zien geven, is niet te vergelijken met de schoone godshuizen van ouds. Zelfs de stijl van het moderne staat in oorspronkelijkheid achter en is feitelijk slechts de navolging van het kunstgenie dat geïnspireerd werd door den machtigen geestelijken drang, die de voorgeslachten droeg in hun streven. Zooals in die oude gothische kerken alles heen wijst naar boven, zoo was heel hun blik op het leven.
En tegenwoordig is de richting juist andersom. De drijfkracht en streefkracht der moderne cultuur is gericht op het aardsche. In het licht der eeuwige dingen stelt het leven zich niet voor ons, maar slechts als een kampplaats, waar geworsteld wordt om de weelde en den rijkdom, om hetgeen dit aardsche bestaan lang en gelukkig en rijk maken kan. De waardeering der wetenschappen is dan ook een geheel andere gewoicien. Was de godgeleerdheid van oude tijden af als de deftige matrone in den kring barer zusteren, tot wie zij alle opzagen, aan wie zij alle hare glansen ontleenden, omdat zij er alle door opgevoed waren, in den nieuwen tijd is zij onttroond en zooal niet geheel ter deure uitgeworpen, dan toch de asschepoetster geworden, aan welke meer smaadheid dan waardeering te beurt valt. Zij is niet meer in tel, omdat zij niet toebrengt aan den rijkdom, aan de bevrediging der weeldezucht. Hare problemen trekken niet meer aan, zij weken op den achtergrond voor de practische vraagstukken, wier oplossing in staat stelt altijd weder nieuwe overwinningen te behalen op de natuur, die hare krachten töt beschikking der menschheid zal stellen, opdat deze daardoor hare idealen verwezenlijken zal. Reeds uit dit ééne wordt het duidelijk, hoe de geest van onzen tijd geheel anders is gericht niet op de hemelse he, maar uitsluitend op de aardsche dingen. En datzelfde verschijnsel werkt nu door op allerlei levensgebied. De groote massa worstelt niet meer als in de dagen der reformatie om vrijheid des gewetens, om vrijheid tot een dienen Gods in overeenstemming met zijn Woord, Zij strijdt alleen om het materieele, om hetgeen het aardsche leven genot vol maken kan. In haar ideaal gloort niets meer van het eeuwigheidslicht. Het ligt altijd binnen den horizon van het aardsche. Zelfs het het besef der onsterfelijkheid ontviel aan duizenden bij duizenden.
En het leven der volkeren vertoont diezelfde trekken. De politiek is zuivere belangen-politiek. Zij heeft niets meer, dat haar een zedelijk karakter zelfs geeft. Zij wordt beheerscht door het vraagstuk van den rijkdom. En hoezeer ook de leuze werd en wordt aangeheven, dat de rechtsvraag ook het internationale beheersche; de ervaring leert, dat deroofzucht der volkeren wel andere vormen aannam als die der middeleeuwsche ridders, maar toch in wezen geen ander karakter draagt. Voor geen geestelijk ideaal, voor geen zedelijk doel wordt de macht der staten in de waagschaal gesteld. Een Gustaaf Adolf, een Willem III zijn in onze dagen niet meer denkbaar. Het wordt alles beheerscht door de vragen van handel en industrie, van koloniaal bezit, van expansie politiek en imperialisme. Waar wij het moderne leven ook zien, het is altijd hierin tegenvoeter van voorbijgegane eeuwen, dat het geen oog, geen hart, geene belangstelling meer heeft voor de vragen van hoogere orde. En daarmede hangt dan ook samen, dat bij alle beteekenis, die het op grond van materieele belangen hecht aan de wetenschap, en bij de groote uitbreiding, die de wetenschap in al hare takken verkreeg, toch de wetenschap, die zich met Gods eeuwige dingen bezig houdt, hoe langer hoe meer in het gedrang is geraakt. Zij wordt niet geteld. Zij deelt niet in de eere, die aan de wetenschap te beurt.valt. En het gevolg is, dat zij ook niet bloeit, dat aan haar zich bijna niemand meer wijdt. Het is gevolg van het karakter, dat heel het moderne leven onderscheidt. En nu zal dat zeker wel niet steeds zoo blijven, omdat ten laatste de ervaring zal leeren, dat de menschheid, als zij zich eenmaal heeft verzadigd van die uitsluitend materieele cultuur, daaraan toch niet genoeg kan hebben; maar voor het tegenwoordige is het dan toch zoo, dat bij allen opbloei der wetenschap, de menschen het allerminste weten, ja zelfs ook dikwijls niet weten willen van dien God, in wien wij leven en ons bewegen en aan wien alle creatuur het aanzijn dankt, gelijk Hij door alle schepselmatig leven heen het zal bevestigen, dat uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn.
Juist daarom zal in deze reeksen de aandacht gevestigd worden op de groote, alles beheerschende vraagstukken, die betrekking hebben op de kennisse Gods, om in den kring dergenen, die zich nog scharen om de aloude belijdenis der vaderen, weder liefde op te wekken, voor de groote geestelijke belangen, die er mede samenhangen en het oog te openen voor de geestelijke stroomingen, die in onzen tijd zich openbaren. Het is zeker niet overbodig vooral voor den kring van jongeren, ofschoon niet voor hen alleen, weier in het licht te stellen, hoe de Christelijke religie een geheel eigen licht heeft in de dingen Gods. Het is van het hoogste belang, dat te midden van den veelkleurigen invloed, die van de wijsbegeerte en de materialistische stroomingen op de kringen van Gods volk uitgaat, weer in het licht worden gesteld de dingen, die ons van God zelven in zijn heilig Woord geopenbaard zijn, niet slechts, opdat wij verstandelijk zouden inzien, hoe zij rijk zijn aan geestelijk licht; maar ook, opdat wij in Zijne kennisse tevens het waarachtige leven zouden deelachtig zijn naar het Woord des Heeren. Hij heeft ons verkondigd, dat God te kennen en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft, het eeuwige leven is. Wij zullen weder moeten beseffen, dat er tweeërlei wereld en levensbeschouwing is, omdat er tweeërlei léven, tweeërlei volk is. De wereld en het volk des Heeren staan hierin lijnrecht tegenover elkander, dat zij elk hebben een eigen levensoorsprong en dus ook hebben een eigen levensdoel. Men mag al beproeven die twee met elkander te verzoenen, trachten ze in elkander te laten opgaan door de scherpe lijnen van het principieel christelijke weg te doezelen en eene algemeene christelijkheid, ontdaan van den wezenskern des kruises, ingang te doen vinden; het zal toch steeds blijken, dat niemand twee heeren dienen kan.
De wereld heeft maar één ideaal, dat ligt in de wereld. Het gaat haar alles om de aardsche dingen. Ook in het edelste waarop zij bogen durft, zelfs in haar streven naar deugd. De zienlijke dingen zijn haar alles en al haar streven mikt op geen hooger doelwit, dan hetgeen ligt in den kring van het zienlijke. Het levensdoel ligt voor haar midden in den dood. En daartegenover heeft God zich een volk bewaard, temidden van den afval, dat een leven ontving van boven, dat in Gods licht het licht aanschouwt en daarom ook een levensdoel kent in de eeuwige dingen en het aardsche waardeert als voorbereiding op het hemelsche. Hun ideaal is de kroon des levens. Zooals zij uit God geboren werden en uit Hem de oorsprongen des levens hebben, zoo gaat ook hun levensdrang uit naar Hem. En daarom is de ware kennis Gods hun het hoogste goed, wijl zij tevens het ware leven in zich sluit.
Maar die kennis is dan ook niet louter verstandelijk, zij is niet een dor voorwaar houden, waarbij in historische kennis de vrede wordt gevonden. Met verstandelijke kennis alleen kan de mensch nog blind zijn; voor eeuwige dinge», nog vreemdeling wezen van de belofte. Vt^n het natuurlijk verstand geldt nog altijd, dat het in de dingen van Gods Koninkrqk duisternis is. Het kan een instrument zijn om wel velerlei in ons op te nemen, het kan de strekking hebben om over velerlei te doen spreken, maar het is toch niet bij machte een levend inzicht te ontsluiten in het Koninkrqk Gods. Het kan niet voeren tot die gemeenschap met den Heilige, die de ware kennis in zich vervat. De kennis, waarvan de Heere Jezus ons leert, dat zij het eeuwige leven is, gaat verre ait boven een louter verstandelijk bezit. Zij is levende kennis, die wel verre van alleen vrucht te zijn van het verstand, gedragen wordt door alle krachten der ziel. Zij wortelt in het wezen der ziel zelve en kan dan ook alleen verkregen worden doordat de wederbarende daad Gods de ziel aangrijpt en omzet in haar diepste roerselen, zoodat ook het verstand zelve daarvan den invloed ondergaat.
Het is dan ook niet zoo in de kennisse Gods, dat het verstand, omdat het dieper doordringt, den mensch verandert, maar veeleer omgekeerd; de wederbarende daad verandert, herschept den mensch en ten gevolge daarvan nu verlicht ook zijn verstand, zoodat het eene Gods kennis verkrijgt, die het van te voren niet kon benaderen. Het leert onder den invloed der wedergeboorte dingen zien, die hfet van te voren niet zag, dingen verstaan, die het van te voren niet kon verstaan.
Er is dan ook een principieel onderscheid tusschen de goddelijke wijsheid, de levende kennis en de menschelijke wijsheid, de verstandelijke kennis. Daarom wijst de Heilige Schrift ook voortdurend op het gevaar, dat dreigt, uit den invloed, dien de philosophic oefent. De philosophie, ook die dezer eeuw, hoe diepzinnig zij ook zijn moge en van hoeveel beteekenis hare werking is, moet altijd wel onderscheiden worden van die levende kennis, waarover het Woord des Heeren spreekt. Hoeveel bekoorlijks lij ook moge hebben, hoeveel zq ook moge toebrengen aan het menschelijk streven, welk een zegen zij ook uit meer dan één oogpunt gebracht moge hebben, toch mag nooit voorbijgezien, dat de wijsbegeerte enkel en alleen vrucht zijn wil van het natuurlijk verstand en dien ten gevolge nooit op één lijn gesteld kan worden met de kennis der heiligen, die in de kennis van God en onzen Zaligmaker het leven ontvangen. De ware godsdienst is naar wezen, oorsprong en strekking geheel verschillend van de wijsbegeerte. In de wijsbegeerte, hoe schoon ook, kan nooit het leven liggen. Zij laat den mensch midden in zijnen dood. Maar de waarachtige kennis, waarvan de Heere Jezus ons spreekt, is het eeuwige leven.
En dat eeuwige leven is dan ook niet alleen te verstaan van de toekomst der zalig geworden kinderen Gods, die zonder immer op te houden zich mogen verblijden in het licht der stad Gods, maar heeft veel dieper zin, sluit veel meer nog in zich. Het is veel eer de uitdrukking voor de orde Gods, zooals zij heerscht in zijne, voor ons nu nog onzien-Iqke, wereld. Zoo is dus dat eeuwig leven niet slechts toekomstig, maar vangt voor Gods kinderen reeds in deze bedeeling aan. Maar daarom wordt het dan ook tevens met de kennis Gods verbonden, omdat de aard van dat leven in zich sluit een geestelijk opgaan in, een gemeenschap oefenen, een verborgen omgang smaken met het heilige, volzalige Wezen Gods, dat in die eeuwige onaienlijke orde, waaruit al het zienlgke door zijne scheppende daden opkomt, als de zon is, waarom al het andere' zich wentelt. Hij is het, die in zijne eeuwige orde gediend en verheerlijkt wordt door de heilige engelen, die als de troongeesten het Hallel aanheffen, omdat zij God ziende, als van aangezicht tot aangeziclft, door de heerlijkheid en majesteit van zijn eeuwig goddelijk Wezen ontstoken worden tot zijn lof.
Daarom is die kennisse Gods ook hier reeds voor Goda kinderen een eeuwig leven, omdat, waar Hij gekend wordt in zijne souvereine majesteit als de almachtige Schepper, en als de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Hem ook de eere en de heerlijkheid, de lof en aanbidding worden toegebracht. Waar de Heere ontmoet wordt in de diepte der ziel, gekend wordt als bron van alle natuurlijke en geestelijke leven beide, daar heerscht ook de machtige drang om op te gaan in Hem door zichzelven als eene levende offerande Hem te offeren. Daar wordt gekend het heimwee om volkomen Hem te genieten door Hem te dienen met alle ademtocht der ziel. Niemand toch kan God kennen zonder Hem te minnen. In de kennis zelve vlamt de liefde op. Zooals Gods kind onder het Oude Verbond slechts ééne begeerte koesterde, die het zoeken zou, namelijk dat het al de dagen zijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheden des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in zijnen tempel, omdat daar in dien tempel God de Heere zijn Naam en dus.de volheid van zijn Wezen deed wonen; zoo wordt Gods kind onder het Nieuwe Verbond gedragen door de machtige begeerte om in de kennisse zijns Gods te mogen smaken dat eeuwige leven, dat hier aanvangt om zich te ontplooien na het einde aller eeuwen tot die volheid, waarvan de Schrift verkondigt, dat alsdan God zal zijn alles in allen. En al is het dat wij nu zien door eenen spiegel in een duistere rede en dat wij nu kennen ten deele, dat kennen ten deele is onderpand, dat de ure komt, waarin zij zullen kennen, gelijk zij ook gekend zijn.
Zoo is dus de kennisse Gods niet van weinig beteekenis voor het geestelijke leven. Zij is geene ijdele wijsheid ook al voert zij sontö diep. Ook van haar geldt, dat al wat de Heeré geopenbaard heeft nuttig is tot leering en onderwijzing, die naar de godzaligheid is. Het onderwerp zelf rechtvaardigt zich vooral in onze dagen. Het roept ons tot de diepere gronden van het geestelijk leven, maar legt daarom ook de bede op de lippen om den Heiligen Geest, als wij in deze eerste serie over de'middelen handelen door den Heere zelven gegeven aan zijne Kerk, opdat zij Hem kennend in zijn eigen licht, Hem ook dienen zal in zijnen tempel, voor zijn altaar, waarop haar gebed gesteld wordt als reukwerk voor zijn aangezicht, de opheffing harer handen als het avondoffer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's