Stichtelijke overdenking.
En de zaligheid is in geenen anderen. Want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden* Hand. 4.:12.
Eén Naam. alom en altoos.
Als wolken, onheilspellend en zwaar, kunnen zich de omstandigheden over onze hoofden saampakken. Vreeze en onrust kunnen ons zóo overvallen, dat we geheel „voor anker" worden weggeslagen en drijven op de wateren zonder te weten waar we terecht komen. Een kleine omstandigheid, soms ééne moedbenemende gedachte, is genoegzaam om onze kracht te breken.
Wat zijn wij, die onze wegen hebben te bewandelen „in het dal" van slijk en modder, van teleurstelling en tegenspoed, toch afhankelijk van Goddelijke inwerking en machtige leiding!
Het leven gaat vaak door „onvruchtbare velden" van ellende en doorafmattenden arbeid, en 't is een wonder, dat er nog een volk is, dat goeden moed heeft in Hem, die tijdig is ter hulpe, üitredder in allen nood. .
„Die nederligt, wordt door Hem opgericht."
Eike maatstaf is onvoldoende om Zijnen wonderlijken bijstand te meten en geen dieplood schiet diep genoeg om Zijne genade te peilen. Zijne oordeelen zijn' afgronden; al Zijne wegen onbegrijpelijk, Hij staat te midden van alle nooden en is bevonden een algenoegzame toevlucht. Al Zijne kinderen geven^van den Heere een goed getuigenis, gelijk een kind dat van zijn' vader doet.
Moet het zeggen: een zwak, een gebrekkig kind, van vader durft het geen kwaad spreken. Kwaad? ... O neen ! Goed, enkel goed, ook van de onbegrepen wegen zal het 't daarna verstaan.
Toen de Kerk des Heeren onder Nieuw-Testamentische bedeeling kwam te leven, was voor haar lente-leven besteld, waarin wel vele bloesems geen vrucht zetten, maar met den wind verstuiven, doch vele bloesems zetten wel tot aangename vruchten, Gode ter eere.
De kennis van 't menschenhart met zijn tegenstand en dwaasheid, bekendheid met de denk-wereid der Heideneii in 't algemeen, doet ons te meer bewonderen het werk, het groote werk des Heiligen Geestes, waarvan ons bericht toekomt in de „eerste Zendingsgeschiedenis" in 't boek, als Handelingen der Apostelen bekend. Hand en verstand van menschen schieten te kort om èén mensch te bekeeren; maar is de Heere mee in Zijne gunst, dan gaat het, zoodat vijanden vrienden worden en vrienden getroost en gesterkt.
De „zendelingen" Petrus en Johannes hadden daarvan rijke ervaring. In de eerste hoofdstukken van de Handelingen staan heerlijke dingen. Dat geheele geval met den kreupelen man is opmerkelijk.
Vooral in verband met die uitnemende prediking, voor 't volk 't eerst en voor de oversten en ouderlingen daarna. Tusschen die beide predicatiën in'valt °^n nacht, waarin overvloedige dauw Viel - 't dauwt alleen 's nachts! - op de harten der mannen in de gevangenis, 2ij hebben wat anders te vertellen dan van 't leven in den kerker en de be handeling, daar ondervonden. Zij wisten te spreken van zielsverkwikking in Gods gemeenschap; van blijdschap naar den geest in de heerlijkheid van hunnen Koning, die ook in boeien heerlijke vrijheid doet genieten.
Zij hebben 't ook niet gehad over een „waagstuk", en dat zij zich , bewust werden van de kracht van Christus in hen", en dat zij „zulke kracht in zich droegen" en „sterke, geestelijke, Gode toegewijde menschen" waren; integendeel; de genade des geloofs maakt geen groote mannen en vrouwen, maar menschen, die in Christus roemen en het uitspreken, dat het in den Naam des Heeren is, en door Ziine kracht, dat er wonderen geschieden hebben dit wonder der genezing gebruikt als middel om Jezus Christus, als Zaligmaker zijns volks te recommandeer en Ik las eene professorale overdenking en gevoelde zeer diep grondverschil tusschen grondbeginselen, die het geloofsleven aangaan.
Uitnemende dingen worden vaak met zekere nieuwheid in vorm gezegd, die u weldadig aandoen; maar de oppervlakkigheid treft u bij nadere overdenking en gi bemerkt straks bij diepere overdenking dat heerlijke waarheden vermengd zijn met misvattingen en zaamgekoppeld met 1 verderfelijke dwalingen. Dan krijgt ge groote, vrome menschen, ja 't is Gods kracht in hen — een tekst staat er dan bij ook — maar in den grond der zaak voelt ge, dat onze Vaderen van diepe inleiding in Gods wegen kennis droegen, toen ze zeiden, dat het geloof een „arhimakende daad" was en alleen op Christus , verheerlijking uit is; dan begrijpen we, waarom ze er nadrukkelijk op wezen, dat [ er zoo groot gevaar bestond voor Gods volk, om van hun geloof een zekeren uafgod" te maken en straks wierook voor zich zelven vroegen, in plaats van door 't geloof te leunen op den arm van den Liefsten en in Hem te roemen.
Bij de genadewerking des H. Geestes tot oprecht geloof gaat 's menschen „voortreffelijkheid" er aan (want wat is in hem te prijzen? en gaat het niet al hooger en hooger in den boom van farizeïsme, maar dieper in eigen onvermogen en ellendigheid, om met ootmoedigheid bekleed, te meer behoefte te gevoelen aan de mogendheid des Heeren Heeren. Weg met alles, wat Christus niet isl En zoo kom ik met u bij 't woord hierboven geschreven.
De kreupele man was met Petrus en Johannes voor den bloedraad gesteld. Schijnbaar ging het om 't geval met hem; in waarheid ging het om Christus' kroon en eere. De dwaasheid van heel hun optreden werd geteekend in het woord van Petrus: alzoo wg heden rechtelijk onderzocht zijn over de weldaad (geen misdaad!) aan een krank mensch geschied." 't Ging om heel iets anders; 't ging er om, dat ze in Jezus Christus de opstanding uit de dooden verkondigden. Dat eigenlijk beginsel moest worden bedekt. Precies als altijd.
In zeker klein land deden onlangs velen het voorkomen, alsof het ging over een enkele gulden meer voor hoog bejaarden uit de Staatskas en stelden den partijdag vast, dat zij, die van de wet der liefde niets verwachten en daarvoor de dwang der wet in plaats wilden stellen, de barmhartige lieden waren, 't Ging natuurlijk om veel diepere, beginselen van Staatsbeleid.
Eenigzins hiermede gelijk, gaan Annas en Kajaphas spreken over de genezing van den kretfpelen man, doch bedoeld is, de heerlijkheid en macht van Christus en Zijne leer.
De apostelen hadden gezocht door dit wonder door Christus verricht middellijk door 't geloof, 't welk Petrus en Johannes mochten oefenen, het volk te overtuigen van de rechte belijdenis en het te winnen voor Gods Waarheid.
En nu ook voor dezen rechtbank zoekt Petrus de eere van Christus. Dat zij u allen kennelijk en het gansche volk van Israël, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, d. i. op Zijn bevel en door Zijne kracht deze hier gezond voor u staat. Die Christus, door u gekruist; -is in den dood niet gebleven. Hij is de levende Heiland, Die kreupelen de buit doet wegdragen, (ik hoorde dat kreupel met kruipen in verband staat) en ze doet springen als een hert. Met diepgaande ernst gaat Petrus voort te betuigen, dat Christus alle dingen vermag en zoekt hunne ongerechtigheid tot schulderkentenis hun voor te houden, al hij zegt: Deze is de steen door u, de bouwlieden, veracht en verworpen, als een onnutte steen; maar Hii is tot een hoofd des hoeks geweiden. Hij is de grondsteen, 't fundament, waarop alles rust; de schoorsteen van geheel 't gebouw. Hij schraagt en draagt 't geheel en geeft vastigheid aan elk steentje "op zijn eigen plaats.
Wat al bouwlieden zijn, als onnutte steenen weggeworpen! Déze Heere blijkt telkens de hoeksteen te zijn, overal waar Hij Zich ontdekt aar Zijn Woord en door Zijn Woord en Geest, als „de rots, wiens werk volomen is." In dien Christus is veel meer heil, an genezing van lichamelijke kwalen. Genezing van, bewaring voor lichaamsjankheden en welvaren des huiselijken n maatschappelijken levens zijn slechts ingen van den buitenkant, haast zei ik, an de neutrale zone; doch 't gaat om oogere dingen vooral, want de zaligeid is in geenen anderen. Daar is onder en hemel geen andere Naam] den enschen gegeven, door Welken wij oeten zalig worden.
Hij is de eenige oorzaak van eeuwigen rede; hij is de bestelde Middelaar en daar is geen ander middel dan 't geloof n Zijnen Naam, d. i. de vereeniging met Hem. Geen andere weg, geen andere manier, om zalig te worden, d. i. gerechtaardigd en langs den weg der gerechtigeid gebracht te worden tot de eeuwige heerlijkheid.
Hoogste heil, en alle welvaren is in dezen machtigen Zaligmaker. Apostel en profeet, martelaar en stillen in den lande, hebben in Hem hun roem; op Hem werd het zielsoog gericht in zondaarsbehoeften, welke wonderlijk door Hem werden bevredigd.
Niet slechts, dat Jezus een kreupelen man genas, staat in 't midden der volkeren. Altijd zou de duivel door een bijzaak de hoofdzaak op zij willen dringen. Neen! 't ging om Koningseere, opdat, in 't geestelijke, kruipers de buit zouden en zullen ontvangen en doodschuldigen in hun schuld niet omkomen. Als alle hoop ontviel en niemand zorgde voor mijne ziel, dan komt het woord te stade: De zaligheid is in geenen anderen. Een waarlijk arm volk kan in zijn armoede niet omkomen. Het kapitaal staat vast, al wordt soms weinig rente genoten. Maar dit laatste staat in verband met de rechte geloofswerkzaamheden, waarvan wel een eerste merkteeken is, dat men geen naam voor zichzelven zoekt.
Er zijn machtige namen onder menschen, die ons in wereldsche dingen soms van dienst kunnen zijn. Doch welke naam zal een arm, schuldig volk stellen tegen dood en verderf, tegen .nood en zonde? Eén Naam slechts, opdat een gevangene roeme in Hem.
Buiten Zijne gemeenschap is niets dan een „verdoemelijke wereld; " alle zoeken, buiten Hem, ook in zichzelven, is niets dan zelfmisleiding.
Hier behoeft de aanmerking van eigen zwakheid niet te doen wanhopen, maar dringen om te vluchten tot Hem, in Wien alle heil staat en die spreekt: Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's