Geen leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk.
Reeds het feit dat zooveel duizenden in ons Vaderland tot de Ned. Herv. Kerk behooren maakt het gansch niet overbodig om op die Kerk acht te slaan en te onderzoeken hoe het daar gesteld is. Immers duizenden bg duizenden worden daar gedoopt, ontvangen daar onderwijs, worden daar gevoed en gevormd, waarvan dan weer invloed uitgaat voor een zeer uitgebreiden kring van jongen en ouden, armen en rijken, eenvoudigen en meer ontwikkelden. Ja, waarvan dan weer invloed uitgaat voor èlk terrein des levens, voor héél het uitgebreide veld van het volksleven in z'n rijke en veelvuldige schakeering.
Niemand die dan ook eenigszins meeleeft met het Protestantisme en de hooge belangen des Volks voelt, is onverschillig tegenover de vraag: „hoe gaat het in de Ned. Herv. Kerk toe"? Degenen die tot de kleinere Kerkgenootschappen behooren — Remonstranten, Doopsgezinden enz. — zoowel als zij, die saamleven in „de Geref. Kerken", ze vragen allen min of meer belangstellend: „hoe gaan de zaken in de Ned. Herv. Kerk"? Vooral zich interesseerend voor de vraag: „hoe staat het met de belijdeniskwestie daar"?
Men voelt het, dat het geen kleine zaak is of daar in de Ned. Herv, Kerk een ontwikkeling is in de richting van leervrijheid, waarbij de Kerk gemaakt wordt tot een religieuse Vereeniging van „elk wat wils" öf dat de Herv. Kerk gebaseerd ia en meer en meer zal worden op het fundament der waarheid sinds de dagen der groote Reformatie in de drie Formulieren van Eenigheid nader aangeduid en omschreven, naar uitwijzen van de Heilige Schrift. Daarom is de vraag naar de belijdenis en de levensopenbaring van de Ned. Herv. Kerk een allerbelangrijkste vraag, 't Is een levensvraag, rakende de Kerk, maar niet minder rakende het Volk.
Daarom is het geen peuterwerk zich met deze vragen in te laten, 't Is geen verloren tijd dien men besteedt aan de onderzoeking van de belijdeniskwestie in onze Ned. Herv. Kerk. Integendeel. Velen moesten meer beseffen het groote belang dat er in zit zich in te laten met de vragen rakende de inrichting van onze Kerk, rakende hare belijdenis en de wijze van Kerkregeering in haar rbidden gevonden.
Hoe is van ouds in deze de geschiedenis ? De Ned. Hervormde Kerk ie van ouds de gereformeerde Kerk.
De Roomsche Kerk was de gedeformeerde Kerk. Die was vervallen in allerlei dwaalleer. Die was afgezakt in allerlei ellende en leugen en gruwel. Die had de rechte vorm verloren. Die had Gods Woord ingewisseld voor het woord der menschen. De autoriteit van het Woord was weg en daarvoor was in de plaats gekomen de autoriteit van de Kerk, van den priester, van den paus. 't Was geworden de valsche Kerk.
En toen riep de Heere hier in dezen lande Zijn Kerk tot een nieuwen vorm. Hij kwam haar reformeeren. En zoo kregen we een gereformeerde Kerk van Nederland. Een Kerk, welke zich wenschte t« buigen onder de opperhoogheid des Heeren, onder de autoriteit van Zijn Woord, onder de regeering van Jezug Christus, wandelend door den Geest in den weg der Waarheid, die dient tot de zaligheid des menschen en tot de eeie des Hoeren, die te prijzen is tot in eeuwigheid!
Twee Kerken kreeg men dus naast ja tegenover elkaar. De Roomsche Kerk' onder de opperhoogheid van den paus eenerziyds en anderzgds de Gereformeerde Kerken, die Gods Woord erkenden als eenigen regel voor geloof en leven, door den H. Geest wandelend in het pad van Gods Waarheid, weldra breed verklaard in de drie Formulieren van Eenigheid. , Uit het puin van de oude, vervallen Roomsche Kerk, zijn de Gereformeerde Kerken hier door den Heere opgebouwd. Hg kwam nieuw leven blazen in de dorre doodsbeenderen. En van stad tot stad, van dorp tot dorp verrees de Kerk der Reformatie, in het lieflijk licht van Gods Woord wandelend na langen tijd als in een stik donkeren nacht verkeerd te hebben. Naar het Woord had de Heere Zijn volk terug geroepen.
Niet in eens; maar reeds sinds tal van jaren voorbereidend werk verrichtend. Straal na straal van het Goddelijk licht was doorgebroken. Ook wel weer als zijnde zonder kracht. Maar toch weer uitschietend met nieuwe kracht in het midden van allerlei kring. En ten slotte zóó sterk zich ontwikkelend, dat, toen het groote feit van de Reformatie kwam te gebeuren, hier in Nederland het reformatorisch beginsel reeds een goed eind ingeworteld was en velen, zéér velen aanstonds gretig grepen naar de Heilige Schrift, om daarbij te lev en en zich daarnaar te richten voor geloof en leven.
De echte Protestantsche beweging was in volle werking. Om te getuigen tegen allerlei leugenleur, tegen allerlei menschen-overheerschiog in Christus' Kerk. Om te getuigen voor de waarheid naar Gods Woord. Om te getuigen voor de noodzakelijkheid om zich te hervormen in alles naar uitwijzen van Gods getuigenis, ons in de H. Schrift zoo duidelijk geopenbaard.
Natuurlijk dat daartusschendoor ook een endere beweging gaande was. Een beweging om zich op het terrein van religie en kerkelgk leven los te maken van Rome en zich dan niet vast te maken aan het Woord des Heeren, maar te §, aan leven, vrij en ongedwengen, naar de inspraak van eigen geweten.
Die beweging, uitgaande van den mensch, die zich los gemaakt had van God, bedoelde om los te komen van Rome en vrij te blijven van alle autoriteit. De mensch is tot vrijheid geroepen, zei men. Vrijheid, blijheid! riep men. Waarbij de deugdzame, vrome, brave mensch 't best klaar zou spelen om zich zelf allerlei voorstelling te scheppen aangaande hetgeen noodig was voor het leven en voor het sterven. Men zou van alles 't beste uitkiezen. Men zou allerlei combineeren. Men zou bij het nieuwe licht, dat immers was opgegaan, der Vaderen voorstelling gemakkelijk verbeteren.
En daarom streed men tegen Rome, maar verzette zich tegelijk met hand en tand tegen de echte zonen en dochteren der Reformatie die streden voor de eere Gods en opkwamen voor de autoriteit van Zijn Woord. Neen, de deugdzame, vrome mensch zou zich niet opnieuw onder voogdij laten stellen; 't zou niet opnieuw een juk aantrekken; 't zou niet aan den anderen kant in handen vallen opperhoogheid of van autoriteit. Vrijheid, blijheid! Maar dat was niet de reformatorische beweging van ons Volk. Dat was niet het gevoelen onzer Vaderen. Integendeel I Dat was een beweging dié lijnrecht inging tegen de reformatorische beweging. Dat was een streven dat in botsing kwam met het echt Protestantsch beginsel. Want het Protestantisme wilde zich juist eenig en alleen onderwerpen aan en laten leiden door de Waarheid Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard. Geen belijdenis dan welke was naar Gods Woord. Geen kerkregeering dan naar uitwijzen van Gods getuigenis. Ja, priesters en koningen werd aangezegd dat er maar één Hoogepriester was en één Koning, namelijk Jezus Christus, die ons Zijn Evangelie, Zijn Waarheid, Zijn Wet had bekend gemaakt en door Wien de Vader alles bestuurde. Het Protestantisme wilde dan ook uit de deformatie van het Katholicisme uitkomen om zuiverder gestalte te verkrijgen; een gestalte welke 't meest nabij kwam aan het ideaal van den Apostolischen tijd, met normatieve kracht in het Nieuwe Testament geteekend en ons bewaard. 't Was het eerlijk, warm, krachtig streven om terug te keeren naar het oude, dat nooit veroudert, omdat het van den Heere is gegeven, vol eeuwig blijvende levenskracht met altijd nieuwe zegeningen van vrede en blijdschap. En heftig, onverzettelijk stelde het Protestantisme zieh tegenover allerlei beweging, die wel van Rome los wilde komen, maar die niet terug voerde naar de waarhsid, die is naar Gods Woord. Laat men deze dingen toch verstaan I Laat men toch verstaan wat het karakter van de Reformatie, het streven van bet echte Protestantisme is geweest. Laat jnen toch eerlyk zijn, om onderscheid te inaken tusschen de velerlei beweging die gj in de 16e eeuw vooral, was, om los te'komen van onder het juk van Rome's Kerk. 15n laat men dan erkennen dat het Protestantisme b doelde, om terug te keeren tot Gods Woord en onder de tucht van dat Woord door Gods Geest geleid, in het pad der Schriftuurlijke waarheid voort te varen.
Als men dat eens wilde leeren erkennen, dan zouden we aardig opschieten. En dan zouden we ook op een beteren voet komen staan met de histoi'ie. Want historisch is het toch, dat b.v. in het Protest van 1529 te Spiers gezegd werd, tot 2 maal toe (19 en 24 April 1529): „wij protesteeren mits dezen, voor God, onzen eenigen Schepper, Bewaarder, Verlosser en Zaligmaker, die eenmaal onze Rechter zijn zal, zoowel als voor alle menschen en alle schepselen betuigende, dat wij voor ons zelven en voor ons volk op geenerlei wijze instemmen met, noch ons neerleggen bij het vastgestelde Besluit, in iets wat zich aankant tegen God, tegen Zijn heilig Woord, tegen ons zuivere geweten, tegen de redding onzer zielen en tegen het laatst genomen besluit van Spiers."
Daar gaat dus, bij hen die protesteeren, de eere des Heeren en de autoriteit van Zijn heilig Woord voorop! Niets van dat individualistische element dat gevonden wordt bij hen, die, vrij van zin, alles los maken van de Schrift en alles werpen op het vrije geweten.
En hoe b.v. een man als H. U, Meijboom in De oude Kerken en de Nieuwe Tijd b.v. schrijven kan: „Luther was de machtige figuur, die met zeldzamen moed en met zeldzaam succes de vonk wierp in de brandstof, die in de groote Roomsch-Oathoheke Kerk zich had opgehoopt; die een uitweg baande voor de vele geesten, die onder het knellend juk van Eome zich beklemd gevoelden; die de boeien verbrak, waaraan het organiseerend militairisme der Romeinen de zonen van het vrije Germanië allengs geketend had. Luther was de man, die een beroep deed op de rechten der conscientie, op de vrijheden van den christenmenseh, op de inwendige getuigenissen van den Heiligen Geest. De onafhankelijke pausen en keizers trotseerende. Luther was de vertegenwoordiger van het individualisme, tegenover het overvleugelend gezag van dogmatisme en clericalisme, van de persoonlijke vrijheid tegenover den drang van confessie en hiërarchie" — hoe men dat schrijven kan, zonder daarbij naar recht en waarheid voor te'stellen, dat Luther in alles zich wenschte te richten naar Gods Woord, dat begrijpen we niet.
Verstaat men dan werkelijk zoo weinig van Luhers zieleworsteling, van Luthers optreden, van Luthers stellingen, van Luthers strijd, van Luthers arbeid?
En zijn Luther, Zwingli, Calvijn, Melanchton, Beza enz. niet sprekende bewijzen van het streven der Reformatie om de Kerk van Christus weer te doen luisteren naar Zijn stem en te doen leven bij Zijn Woord? Om de Kerk weer een belijdenis te geven, gebaseerd op de Schrift en de Kerk weer te brengen onder een schriftuurlijke organisatie?
Neen, men verstaat niet veel van de reformatorische beweging, als men enkel spreekt van „de rechten der conscientie, de vrijheden van den christenmenseh, de inwendige getuigenissen van den Heiligen Geest, het individualisme en de persoonlijke vrijheid."
Als men het niet anders en beter weet te zeggen, dan zegge men liever niets I
En nog eens terug komend op het woord protestant, wij meenen dat het alleen der historie getrouw is, als men van dat woord déze verklaring geeft: »Gods Woord als hoogsten rechter erkennen en geen menschelijke bepalingen dulden, die zich boven Gods Woord stellen of tegen Gods Woord ingaan."
Dat bemerkt men aanstonds als men de historiebladen der Kerken, uit de Reformatie voortgekomen, opslaat. Er is onder de talrijke symbolen der Protestantsche Kerken geen enkele aan te wijzen waarin niet gesteld en gehandhaafd wordt de goddelijke autoriteit en ingeving der Heilige Schrift. En ja, meende men aanvankelijk bij de Luthersche beweeing dat 't niet zoo noodig was zoo breed te spreken over de Schrift, als de inwendige strijd opkomt en voortschrijdt, wordt spoedig in de Formula Concordiae een hoofdstuk opgesteld, dat tot opschrift draagt: „von den summarischen Begriff, Regel und Richtsschnur nach welcher alle Lehre geurtheilet und die eingefallene Irrungen christlich entscheiden und erklaret werden sollen".
Laat er alzoo eenig onderscheid zijn tusschen de belijdenisschriften der Lutherschen en der Gareformeerden — 't is toch *eker niet wel voor veel tegenspraak Vatbaar als we zeggen, dat de Reformatie Gods Woord weer tot eere gebracht heeft en de kerken der reformatie Gods Woord hebben erkend als regel voor leer en Jeven, voor denken en spreken, voor Woord en daad; waarbij het Oude Testament overal met nadruk wordt gehandhaafd in zijne gelijke beteekenis met het Nieuwe, al wordt de toename in helder beid van openbaring ook gaarne erkend.
Lees ook maar de Ned. Geloofsbelijdelydenis in 87 artikelen opgesteld door Guido de Bres en door de Kerken van Nederland gaarne erkend als haar confessie. Is die belijdenis niet opgesteld om aan te toonen, dat men niets gemeen wilde hebben met allen die naar de inspraak van hun conscientie vervielen in allerlei anarchistisch gedoe en zich niet ontzagen de gruwelijkste dingen voor te slaan ?
Met dezulken had men geen gemeenschap ! En de Hooge Overheid moest het weten, dat zij menschen voor zich had, die niets anders wenschen te zijn dan christenen, die zich in alles gebonden achtten aan Gods Woord 1 Toen in den nacht van 1 op 2 Nov. 1561 de gedrukte Belijdenis in 37 artikelen in den tuin van de landvoogdes Margaretha geworpen was, toen werd door meer dan 100.000 burgers aan den Koning geschreven: „vóór men tegen ons woedt, behoort men aan te toonen hoe wij ketters zijn en hoe wg dwalen in het geloof - en ons door teksten uit den Bijbel te overtuigen. Wij verzekeren u Sirel dat in Uwe Nederlanden meer dan 100.000 man zijn, houdende en volgende den Godsdienst, waarvan wij U de Belijdenis aanbieden; die slechts begeeren aan te toonen, dat hun leer is gefondeerd op den eenigen rotssteen, welke is Jezus Christus."
Zóó wilde men zijn en niet anders: in de religie zich richtend naar Gods Woord.
En men behoeft de 37 artikelen maar te lezen en men proeft het, dat het onzer Vaderen wensch was om in te leven in de Schrift en Gods Woord na te spreken.
Wat ook uit den Heidel bergschen Catechismus, met z'n vele teksten (158 uit het O. T. en 515 uit het N. T.) aan den kant geschreven, duidelijk wordt. Niet 't minst uit de Vijf leerregels van Dordt met de uiteenzetting van de Schriftuurlijke waarheid en de bestrijding en verwerping van de dwaalleeringen, die tegen de Schrift ingingen.
Neen, wie maar even de belijdenisschriften der Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk inziet, die kan het niet loochenen, dat het grondbeginsel van de Kerk der Reformatie was: men mag geener menschen schriften gelijk stellen met Gods Woord, want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve (zie art, 7 Ned. Gel. bel.)
En dat men zulks meende, kerkelijk en werkelijk, kunnen de Remonstranten getuigen, die in 1618—19 ter Synode van Dordt voor Nederlandsche en Buitenlandsche theologen verschijnend, hebben ervaren, dat de kerken der Reformatie in Nederland, Engeland, Schotland, Zwitserland, de Paltz, Nassau, Hessen, Oost-Friesland en Bremen de waarheid naar Gods Woord wenschten te handhaven. Want neen! het stond niet zóó, dat onze Vaderen van de belijdenisschriften afschuwelijke afgoden maakten voor welke afgoden ieder knielen moest op straffe van uitbanning uit de Kerk. Dat is een èl te dwaas verzinsel.
Maar men wilde de vrome wijsheid van de Remonstranten maar niet voor goede munt aannemen, tenzij men de waarheid der leeringen bewees uit Gods Woord.
't Ging om de autoriteit van Gods Woord of 't gezag van des menschen woord.
En onze Vaderen kwamen er niet in, om onder het juk van de Remonstranten door te gaan. Ze verkozen voor leer en leven, voor Kerk en huis den eenigen regel van Gods Woord en niets anders, waarvan een kostelijke uiteenzetting in de belijdenisschriften gevonden werd. Die belijdenis naar de Schrift bestond en bond. Welke belijdenis zij zich dan ook niet uit de handen lieten futselen door allerlei geredeneer 't welk geen grond vond in de Schrift, maar een uitspinsel was uit de overleggingen des menschen „die een leugenaar is en ijdeler dan de ijdelheid zelve".
Zoo staat het dan ook voor ons vast, dat onze Hervormde (Gereformeerde) Kerken van ouds zich hebben gebaseerd op en zich hebben geschaard rondom een belijdenis — en dat van den beginne afaan niets te bespeuren is geweest van het streven om van de Kerk te maken een religieuse Vereeniging van „elk wat wils".
(Wordt vervolgd)
De Classieale Vergaderingen.
Over 't algemeen valt er niet veel bizonders aangaande de op Woensdag 28 Juni gehouden Classieale Vergaderingen te vermelden.
De Synodale voorstellen waarover gepraat is waren dan ook niet veel bizonders.
't Is weer gezien, dat onze Classieale Vergaderingen het eigenlijk karakter verloren hebben.
Terwijl het kookt en gist en woelt in het midden der kerk; terwijl op elk terrein — maar vooral op religieus — kerkelijk gebied de vraagstukken zich om strijd naar voren dringen — is 't op de Classieale Vergaderingen net alsof er niets dan peuterwerk te verrichten is. Men praat wat over dit artikel; men knabbelt wat aan dat reglement; men sputtert wat tegen deze zaak; men schaaft wat aan die bepaling.
En zoo gaat de kostelijke tijd verloren terwijl er niets gedaan wordt en er zoo machtig veel is dat om ernstige bespreking vraagt.
Wanneer zal er eens verandering komen ?
We hebben goeden moed. We gelooven vastelijk dat de tegenwoordige bestuursorganisatie haar langsten tijd gehad heeft, 't Is te merken aan kleine en groote dingen. Er is een algemeen en sterk verzet tegen de tegenwoordige regeling van zaken. En overal beluisteren we stemmen die zeggen: er moet verandering komen!
We hebben goede moed! Een paar kleine dingetjes wijzen op verandering.
Ouderhug Menthen van Arnhem moest aftreden als lid van het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland — en hij is niet herkozen, In zijn plaats is gekozen de heer v. Hoogstraten, ouderling te Arnhem en lid van het Hoofdbestuur der Confessioneele Vereeniging.
Dat is maar een kleinigheid op zich zelf. Maar toch teeken t het. Want ouderling Menthen is bekend om z'n zonderlinge houding in de Synode ten opzichte van de geest-en hoofdzaak-kwesties; en ook ten opzichte van de voorstellen tot verandering in de samenstelling in de Synode,
In den middelijken weg heeft hij wel mee de boel in de war gestuurd in Den Haag, En ziet, nu heeft men hem naar huis gestuurd en men heeft gezegd, dat men 't liever eens met een ander probeerde. Dat verblijdt ons.
Iets dergelijks —maar méér teekenend nog — is gebeurd in Sneek. Daar moest de knappe Dr, Wumkes aftreden als praeses van het Class. Bestuur. En de orthodoxe meerderheid heeft hem naar huis gestuurd — wat maar zelden voorvalt in onze Kerk,
Ook alweer verband houdend met de geest-en hoofdaaak-beweging van het vorig jaar.
Dr, Wumkes heeft zich toen wonderlijk gedragen. Het Sneeker adres aan de Synode is nog niet vergeten. En het boekje daarop gevolgd: „Dienst der Verzoening" (uitgave A, J. Osinga — Sneek 1915) herinnert men zich nog wel.
Wie had van den orthodoxen Dr, Wumkes. zoo iets verwacht? Niemand! Z'n eigen vrienden hebben zich aan z'n houding vreeselij k geërgerd. En de modernen hebben hem in de hoogte gestoken.
Maar nu heeft de Classieale Vergadering hem naar huis gestuurd en Ds, P. Bootsma van Balk in zijn plaats gekozen. Natuurlijk onder uitroepen van moderne zijde als: „'t is schande"i; „'t is vreeselijk"; enz. enz.
Maar wij kunnen het nu niet zoo afkeurenswaardig noemen. Integendeel. Want de orthodoxie wil in deze toch liefst mannen hebben die ook, als 't er op aankomt, niet met de modernen mee gaan.
Zoo zijn er meer dingen te noemen. Dat men zoo algemeen sympathie gaat betuigen aan de voorstellen van de Herv. Broederschap en van de Confessioneele Vereeniging bewijst, dat men de dingen moe is. Men voelt, dat het niet langer blijven kan zooals het nu is.
En we gelooven niet dat we ons vergissen, als we zeggen, dat de tegenwoordige bestuurs-organisatie haar langsten tijd heeft gehad en dat groote dingen aanstaande zijn.
Geve de Heere in deze dingen Zijn gunstrijken zegen dan maar te ervaren, opdat het nog tot zegen voor Kerk en Volk mag zgn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's