Stichtelijke overdenking.
Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Hand. 9:6^,
Heere! wat wilt Gij?
„Welke is uw eenige troost, beide in het leven en sterven? "
Ge weet, waarde lezer, hoe de Heidelberger geloovige daar antwoordt: „Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben ...."
Dat antwoord is treffend en veelzeggend, waar het uit doet komen, dat dït het rijke van het leven des geloovigen is, dat hij niet meer zichzelf eigen is. Ja, in het „niet meer'zichzelf" ligt des vromen heil! Niet meer zichzelf maar Jezus Christus eigen! Dat is: Voor rekening van den algenoegzamen Heere en Zaligmaker Jezus ChristusI Dat is: Het eigendom van Hem, Die vrijkocht uit den doodelijken Satansgreep voor den duren prijs van Zijn dierbaar bloed! — Dat is: hier reeds te kennen het lied hetwelk straks eeuwig wordt gezongen tot eere des Lams: „Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed." — Niet meer aichzelf! dat'geeft te-xingen immers:
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven, Ver boven beed' en wenschen. Reeds wrocht voor 't oog der menschen. Maar daarbij is het dan: at zal ik, met Gods gunsten overlaÉln, Dien trouwen Heer' voor Zijn gena [vergelden ? Hem, Wien zij zooveel, Wien zij alles hebben te danken, willen ze ook volgaarne, zoo het recht is, hun leven wijden. Des Heeren volk zal Hem prijzen! Paulus zegt dat in 2 Cor. 5 : 15: ... opdat degenen, die leven, niet meer ziohzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is." Het verloste volk zingt David na: Nu zal ik voor de weidaan, die 'k genoot, Aan Hem, naar mijn geloften, eer [bewijzen."
Achter den Heere aan, dat is de lust der ziele! — ja! wanneer ze zijn inden dag van des Heeren heirkracht, waarop des Heeren volk een gewillig volk is! De Heere heeft veel werk met Zijn volk opdat het Hem en niet zichzelf leve! Hij moet daartoe met Zijn Geest bekeerend arbeiden voor het eerst en bij vernieuwing. Anders gezegd: Waar de Heere met Zijn Geest komt werken, daar wordt het geleerd den Heere te leven. We zien dat bij Saulus van Tarsen, zooals we hem in het tekstvers boven onze overdenking hooren bidden: „Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal? "
Saulus van Tarsen leefde zichzelf. Woedende tegen den Naam van Jezus van Nazareth, meende hij, dat hij tegen dien Naam vele wederpartijdige dingen moest doen, zooals hij zelve tegen Agrippa zegt. Hij mèèndè dat! Het was inbeelding! En hij volgde derhalve eigen vijandschap des harten. Zijn natuurlijke haat en vijandschap tegen God en den naaste vierde hoogtij. Wanneer hij het straks zegt dat der menschen ongerechtigheid is, dat zij haters van God zijn, dan kent hg zichzelven in dezen. In dien eigen weg nu wordt Saulus van Tarsen stil gehouden op de reize naar Damascus. Bij het licht des hemels en het Woord des Heeren komt zijn eigen bestaan uit. Dan ziet hij zich in zijn werkelijk bestaan. In plaats van een dienaar van Israels God een vervolger van den Eeniggeborene des Vaders! Het vervult hem met ontzetting over zichzelf! Ter aarde gevallen, lezen we, dat hij beefde en verbaasd was!
Zóó, mijn lezer, is het de weg des Heeren met den zondaar. — Deze is in zijn zondig bestaan een vijand van God. De zonde is de ongehoorzaamheid, d. i. de vijandschap tegen den Heere. Een strijder tegen God, zoo komt hij uit in zijn leven. Wat al een vijandschap komt er openbaar reeds voor de menschen! Hoe is het met name gesteld in het harte voor Godes alziend oog! In ontzettende werkelijkheid leeft dat voor het eigen zielsoog wanneer licht van Boven het levenspad kruist, wanneer Gods Waarheid door den Heiligen Geest gemaakt wordt de pijl, die treft het harte. De ontzettendheid der zonde tegenover een heilig God doet dan beven en vreezen. Het „Gij zijt die man" doet dan sidderen voor een vonnis gansch rechtvaardig. Door schuldbesef getroffen en verslagen ligt hij daar dan gansch verloren voor God! Gods gramschap dubbel waardig! Geen hope meer uit en van zichzelf! — •^•^rmg'^^
Hoe komt dat uit in de bekeering van Saulus van Tarsen. Hoe toont ons dat diens uitroep, diens gebed: „Heere wat wilt Gij, dat ik doen zal? " In dien uitroep wordt ons Saulus getoond als aan eigen zijde met en in alles veroordeeld. ^-
Saulus had zijn plannen toch immers! Saulus had toch zijn lastbrief in den zak! Saulus had toch zijn doelwit voor oogen! Saulus wist toch zoo goed wat hem te doen stond! Saulus kende toch zijn zending! Naar Damascus! en.... Maar, ge gevoelt het, nietwaar? dit juist, het is, na hetgeen met hem geschiedde, bij hem een afgesneden zaak geworden. Zijn plannen, lijn lastbrief, zijn doelwit, zijn zending daarmede is het uit! Alles wat van hem is dat is van den booze! Het kan voor God niet bestaan! Daarmede kan hij bij den Heere niet verschijnen en leven! Daarin ligt voor hem de dood! het verderf! En daarom moet het er nu uit: Heere wat wilt Gij, dat ik doen zal? — Hij zegt daarin: Tot hiertoe was ik satan's dienstknecht, maar nuhebiklust om u te vreezen, o Heere! Daar is in dien stond een zware strijd gestreden. Satan stond daar tegenover den Heere I Christus Jezus bond den strijd aan met Belial! En Jezus heeft getriumfeerd! — Straks zegt deze Saulus tot Agrippa dat hij dit hemelsch gezicht niet ongehoorzaam is geweest. — Thans noemt hij Jezus van Nazareth: Heere! Hem, Dien hij tot nu toe vervolgde en niet achtte erkent hij nu te zijn de Heere, ja die Heere Die hem tot de zaligheid moet leiden. Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal? Dus: Heere! Gij zijt God! — Gij zijt de Heiland! — Wat, wat moet ik doen om zalig te worden. Ja de overwinning des Heeren zoo alleszins duidelijk waar het niet is: Heere nu zal ik het beter maken, maar juist Heere! wat wilt Gij? m.a.w. Heere maak het nu toch geheel anders met mij want alles, wat bij mij is, is gansch verwerpelijk! Saulus roept hier uit „o God! wees mij zondaar genadig".
Die tollenaarsbede leeren alle tollenaars evenals Saulus van Tarsen. —Wanneer het des Heeren doen met een zondaar geworden is, dat deze met Gods Waarheid van doen gekregen hebbend, omkwam met zichzelf, dan is hun bede evenzeer: Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal?
Zij hadden het alles ook reeds zoo goed klaar gemaakt! Dit moest gedaan! Dat gelaten! Het gebouw voor de eeuwigheid werd bewust of onbewust zoo geheel door eigen wijsheid en eigen kracht, door eigen streven, door eigen brieven, door eigen zending in elkaar gezet. — Het was alles ik, de hoogmoedige ik, die wijzer wil zijn dan God. —
Maar bij den Heere kon en kan hij niet bestaan. Lang hield hij het tegen den Heere niet uit. De worsteling tusschen Satan in het eigen ik en den Heere door Zijn Geest werd een zware worsteling. De overwinning evenwel wordt des Heeren. Eigen bedoelen, eigen streven, eigen willen, eigen werken, eigen brieven, eigen zending, kortom alles van het eigen ik, alles van zichzelf gaat er aan. Het wordt: Heere wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Het wordt: Aan den Heere zich gewonnen geven l Naar Diens wil gevraagd! „Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden, Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht." Aan de voetbank van den troon der genade is het dan: „ Gena, o God! gena, hoor mijn gebed", met: „Leer mij naar Uw-wiWe handelen." —
Zóó is het de rechte plaats, nietwaar, mijn lezer, van het overtredend schepsel tegenover den eeuwig volmaakten, heiligen Schepper. Maar zóó ook alleen zal het de rechte plaats blijven voor het herschapen schepsel tegenover den eeuwig volmaakt heiligen Herschepper, waar het in zichzelf overtredend blijft.
Saulus van Tarsen moet Damascus binnen met blindheid geslagen, om te wachten op uitkomst des Heeren. Saulus moet zóo juist zijn eigen weg langs naar binnen ziende om meer en meer een walg van zichzelf te krijgen, want hij zou daar, maar ook hij heeft later hoe langer hoe meer zijn eigen verfoeilijk bestaan gezien. Eenmaal stil gezet, met God van doen gekregen, komt het recht Gods bijzonder en telkens weer spreken en.... wordt doorgemaakt het: graaf maar dieper en gij zult meer gruwelen vinden. — Hoe langer hoe meer wordt hij in zichzelf een zondaar en goddelooze bij God. —
En daarom, zal het goed wezen, dan blijft het op den weg hier beneden de bede: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?
Naar des Heeren wil vragen, des Heeren wil te zoeken, dat is het leven van den bekeerden zondaar.
Ligt ge daar niet, mijn lezer en lezeres, ligt ge daar niet in al uw paden, bij al uw doen, ach, ge doet mij vreezen, dat ge nog nooit schuldenaar werdt voor God, dat ge nog immer gaat uw eigenwillig pad, of dat ge — wederstaat den booze! het spoor zijt bijster geworden door uw dwaalziek harte. In eigen paden, gevonden zijt ge dan op het hellend vlak der zonde, brengend in den eeuwigen dood of als afgedwaald schaap over de bergen in magerheid over uwe ziel. Ligt hier soms, volk van God! de oorzaak van zoo menigerlei klagen in onze tijden?
Onderzoek en doorzoek nauw! Het zal den zondaar dèn alleen goed wezen, wanneer hij den Heere moeiaanloopen met het:
, Heer', ai! maak mg Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend." Maar ook des Heeren kind zal dèn alleen goed staan, waaneer het den Heere raoet naloopen met het:
„Gun leven aan mijn ziel, dan looft [mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen."
Want op het „Heere! wat wilt Qij, dat ik doen zal? volgt door de diepte heen van algeheele verlorenheid met zichzelf en oprechte walging van zichzelf de onderwijzing door des Heeren Geest, waardoor komt te leven een rijke Christus voor een armen zondaar, een dierbare Jezus voor een verloren schepsel, zóódat het eeuwige bruiloftslied hier bij wijlen wordt aangevangen in:
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, O God, mijn sterkt'! U hartelijk beminnen. Mijn steenrots, burg en helper is de Heer', Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, [mijn eer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's