Stichtelijke overdenking.
„ . . . totdat wij de dienstkneehten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden.En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: onderd en vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslaehten der kinderen Israels." Openb. 7 : 3. 4-
De verzegeling van Gods kinderen.
En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: onderd en vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslaehten der kinderen Israels." Openb. 7 : 3. 4-
Wanneer we Openbaring 7 opslaan hebben we te vragen: wat is het verband tusschen den inhoud van dAt hoofdstuk met dien van het worpaanrfe eenerzijds en met dien van het volgende anderzijds.
De zes eerste zegelopeningen ontsloten ons het boek van Gods raad over den loop der wereldhistorie in het algemeen, waarbij tal van schrikkelijke plagen zich voordeden, maar nu wordt ons hier aangegeven, dat de Heere Zijn uitverkorenen voor en in die benauwdheden wil bewaren, om hen allen op te nemen in heerlijkheid.
Dit 7de hoofdstuk schenkt ons een oogenblik van rust en vrede, van blijdschap en zaligheid te midden van al de ellenden, die we-ip de vo£ige^ho, ofd-4 stukken hebben gezien en het geeft vei ! Ugheid bij al de oordeelen, die nog volgen moeten in hoofdstuk 8 en daarna. Het 7de zegel moet — na de ontzege ling van de 6de sluiting — de opening | tot de erfenis voor Sion brengen. Na de oordeelen die door den gerichtsdag, van welken de verzen 12—17 van hoofdstuk 6 spreken, zal de dag der zaligheid voor Sion aanbreken.
Maar och, arme! wie zal bestaan te midden van al die vreeselijke ellende? Beeft en siddert niet alles wat leeft? Gaat het niet om hel en verdoemenis voor ieder die uit een vrouw geboren is ? Wat is de mensch, dat hij zou kunnen bestaan in den dag des gerichts voor een heilig en vreeselijk God? 't Wordt nu ervaren — lees Openb. 6 : 12—17 nog maar eens — dat Zefanja terecht had geprofeteerd: Degrootedag des HEEREN is nabij; hij is nabij en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; — die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid." (Zef. 1:14). En och, als Gods kind aan dien groeten en vreeselij ken dag denkt, wanneer de Heere verschijnen zal in heiligheid en gerechtigheid en alles in het gerichte zal komen wat in het leven gebeurd is, ja, als van de daken zal worden verkondigd wat in het heimelijke is gedaan — wie, wie zal dan kunnen bestaan? Waar ligt het fundament der zaligheid ? In het willen en het weten des menschen ? In stand of vordering van Gods kinderen ? Och I wat zou 't er ddn treurig uitzien. Wat zou er dan weinig hoop zijn. Wat zou alles ddn in puin storten en in rook opgaan. Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed I En als de mensch er onder uit komt, komt hij er nooit anders onder uit dan als een verdoemelijk zondaar. Aller mond is door de wet gestopt en alle vleesch is schuldig! 't Moet er maar op aankomen! 't Moet er maar scherp langs gaan I Dan moet een Paulus uitroepen: k ellendig menschl En zuchtend moet hij zeggen: och, als ik maar niet verwerpelijk bevonden zal worden!"
Maar wil de Heere dan Zijn volk in het onzekere laten? Wil Hij de Zijnen laten worstelen om boven te komen en boven te blijven? Wil Hij Zijn kinderen laten werken, om er misschien toch door te kunnen komen, door dat vreeselij k gericht? Legt Hij ten slotte alles inden mensch, opdat deze probeeren zal het hoofd toch omhoog te kunnen steken, tot het ontvangen van de eerekroon?
Neen! gelukkig niet. En daarvoor is nu, voor de oprechten van harte die oprechtelij k onderzoeken hoe hun staat en stand voor God is en die, door Gods Geest eerlijk gemaakt, mogen weten, dat zij in zichzelf geen goed hebben doch slechts alle kwaad — voor dezulken is nu 't geen ons in Openb. 7 wordt voorgehouden zoo troostvol en 't kan, geheiligd aan hun harte, zoo zeer verblijden en bemoedigen.
Want Openb. 7 leert ons: wat er kome en wat er gebeure, de Heere heeft de Zijnen te voren gekend en komt ze beveiligen, opdat geen ding hen deeren zal. Hij neemt de Zijnen voor Zijn rekening. Alles is uit en door en tot God. De Heere worpen op de eeuwige verkiezing en de onveranderlijke liefde des Ontfermers, die waakt voor de Zijnen als voor Zijn oogappel. En heel Sion wordt ten slotte gede Zijnen heeft liefgehad van vóór de grondlegging der wereld.
En op dat fundament staat het gebouw vast tot in eeuwigheid, 't Zal niet wankelen noch bewogen worden. Er zal er niet één uitvallen! Ook al moet het door een zee van vuur, ze zullen niet omkomen. De Heere beschermt hen tegen alle woelen van den booze; hun aller zaligheid en zegepraal staat vast.
Johannes ziet — in hoofdst. 7 wordt ons dat duidelijk en uitvoerig meegedeeld — een nieuw gezicht.
Of eigenlijk ziet hij twee verschillende visioenen; één op aarde en één in den hemel, beide betrekking hebbend op Gods gemeente.
Het 1ste gezicht, dat op aarde gezien wordt, beschrijft dan de verzegeling der geloovigen hier beneden; terwijl dan het 2de gericht, dat in den hemel gezien wordt, de zaligheid der geloovigen hier boven laat zien.
't Gaat dus nu om de verzegeling der geloovigen.
En terwijl we dan zien, dat alles in de bedeeling des heils gaat naar den groeten grondregel der uitverkiezing — wordt ons hier daaromtrent menige bizonderheid meegedeeld.
Neen — de engelen die de plagen en de rampen in de hand dragen, kunnen en mogen die plagen en rampen niet over de aarde en al het geschapene doen uitgaan tot dood en vernieling, voordat de Heere orde op Zijn zaken gesteld heeft in betrekking tot Zijn gunst-en erfvolk, dat Hij liefheeft met een eeuwige liefde en dat Hij komt openbaren, dat Hij, die alles begon om Zijns zelfs wil, de werken Zijner handen niet laat varen.
Daar gaat de Heere door Zijn grooten zegel-drager uit onder het menschen-geslacht; en om uit de diepe ellend en van den eeuwigen dood te behouden en te redden, zooals men een brandhout uit het vuur uitrukt, legt Hij Zijn hand op al Zijn gunstgenooten en teekent hen, opdat de duivel, de hel-«n de dood aan hen niets zullen hebben en hen zullen moeten voorbijgaan, zooals de engel der verderfenis in Egypte geen-vat had op éen van de Joden, bij wie bloed aan de posten der deur gestreken was.
God zelf is hier de handelende Persoon. En Hij doet het naar redenen, genomen uit Zichzelf.
Neen, het is niet desgenen die loopt, noch desgenen die wil, maar des ontfermenden Gods, " opdat geen vleesch zal roemen voor Hem.
Of is Hij niet de groote pottenbakker, die uit denzelfden klomp leem maakt vaten ter eere en vater ter oneere? (Rom. 9:21).
Is Hij het niet, die Abel de vreeze Zijns Naams inplant in oprechtheid, terwql Kaïn in zijn zonden blijft? Is Hij 't niet die Jacob verkiest en Ezau haat ? Is Hij 't niet die, als de natuur des menschen verstorven is, Izaak doet geboren worden, opdat Izaaks zaad nooit zou kunnen roemen in het vleesch, maar steeds Jehova zou moeten erkennen in diepe afhankelijkheid als hun aller Oorsprong en hun aller Gebieder ?
Neen, met het vleesch komen we er niet
't Is Israels God die, het leven heeft en hel leven geeft naar "2ijn'weIÏÏë¥agè'fi'r
En zoó, maar zoó ook alleen, komt er een volk, dat naar Hem leert vragen, dat Hem ^^leert kennen en liefhebben. Zoó-is 't mogelijk, dat er sprake mag zijn van een volk, dat uit de duisternis uitgerukt, wandelt in het licht; van den dood verlost, erfgenamen des eeuwigen levens genaamd mag worden.
O, Gods werk is zoo volmaakt, 't Is vol macht en heerlijkheid, vol liefde en genade, vol zaligheid en vreugd.
Dat zien we ook in Openb. 7. Want 't zijn 144000 die er verzegeld worden tot zaligheid en heerlijkheid.
Dat is een hemelsch getal — en dat moeten wij, menschen van deze aarde, nu niet op aardsche wijze met aardsche wijsheid gaan ontleden en .. verknoeien,
We inoeten ook hier Schrift met Schrift vergelijken en trachten om deze zaak naar goddelijke onderwijzing te leeren verstaan.
En dan is dit ons wel geopenbaard in de Schrift: dat 4 het getal van de uitgestrektheid der aarde is — naar de 4 hemelstreken 't Noorden, 't Zuiden, 't Oosten en 't Westen. Terwijl 3 het getal is der Goddelijke volheid — naar de 3 personen in het Goddelijk Wezen, Vader, Zoon en HeiUge Geest.
Waar de Heere nu de aarde ontmoet tot verkiezing van Zijn Kerk, daar ontmoet de drieëenige God de 4 windsteken der wereld en daar ontstak de Kerk, die dan wordt voorgesteld in de 12 (4 X 3) geslachten.
12 is alzoo het het getal der Kerk. 12 stanamen Israels, vertegenwoordigend de Oud-Testamentische Kerk.
En dan is 1000 het getal van hooge volkomenheid.
Wil men dus de Kerk des Hoeren in haar grootheid en volheid aanduiden dan krijgt men dat getal 12 en dat getal 1000; terwijl dat getal 12 dan nog eens vermenigvuldigd wordt met 12 om aan te duiden, dat men niet moet blijven staan bij de 12 stammen der Oud-Testamentische bedeeling, maar ook rekenen moet met de 12 stammen der Nieuw-Testamentische Kerk, (12X12X1000 = 144000),
144000 verzinnebeeldt dus hier de Kerk des Heeren in haren voortreffelijksten open baringsvorm.
Maar nog eens, dit getal vertolkt een hemelschen sprake. Hier is eene hoogere dan aardsche, hieris een goddelijke telling.
En daarom moeten wij niet gaan redeneeren, op den tel van menschen afgaande. Want dan komen we bedrogen uit. We kunnen ten slotte ook niet tellen. Lees vers 9 maar ; daar staat: „Na dezen zag ik, en ziet 1 eene groote schare, die niemand tellen konde, uit alle natie en geslachten en volken • en talen, staande voor den Troon en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen en palmtakken waren in hunne handen, "Hier valt dus niet te tellen.
In het huis des Vaders zijn ook vele woningen. En de Zoon des menschen heeft Zijn ziel gegeven tot een rantsoen voor velen (Matth. 20 : 28). Het bloed des nieuwen testaments is voor velen vergoten tot vergeving der zonden (Matth. 26 : 28). Gelijk we ook lezen: Want het betaamde Hem, om w^ken alle dingen zijn en door welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heiligheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zoude heiligen." (Hebr. 2:10).
Waar de Heere dus velen verkoren, velen geteld., velen verzegeld heeft, daar moet ons tellen falen. Maar het komt er voor ons ook niet op aan te weten hoévelen er zullen zalig worden •^ Hier wordt ons geopenbaard, dat de Heere zich een gemeente verkoren heeft ter beërving der zaligheid, terwijl de Heere nu Zijn volk niet vergeet noch hen aan zichzelf overlaat.
Neen, Hij zet Zijn hand op de Zijnen; Zijn oog is op hen; Zijn hand bewaakt en teekent en beveiligt hen. Hij zorgt voor de Zijnen, zooals een moeder voor haar kroost. En zóo zullen ze ook allen behouden worden. Ze zullen niet omkomen, óok in duren tijd en hongersnood niet.
Zeker, Kaïn heeft het op Abels leven gemunt en slaat hem dood. Maar de j Heere redt zijne ziele, opdat hij leve tot' in eeuwigheid en zijn volk sterft niet uit. | Laban benauwt Jacob en vervolgt hem om hem kwaad te doen, maar de Heere bewaart Zijn kind en geleidt hem in veiligheid. Petrus wordt in de gevangenis , geworpen, maar de Heere leidt hem uit. Paulus is in gevaar om met schip en al in de golven om te komen, maar de Heere redt hem wonderlijk. En ziet, zóó kent de Heere de Zijnen en bewaakt hen als Zijn oogappel.
De Heere kent al de Zijnen, aan wat plaats en onder welke omstandigheid zij ook verkeeren. En d& arvoor heeft de Heere Zijn hand tot hen gewend om hen nooit meer los te laten, om altijd met hen te zijn en om hen door het leven te vergezellen, totdat ze zullen worden opgenomen in heerlijkheid. 0! die dan toch het roemen in het vleesch maar eens mocht afleeren. Die toch maar eens als een verdoemelijk zondaar voor Gods aangezicht mocht verschijnen. Die maar eens geworpen! mocht worden, met al z'n nood en dood, op Gods vrije genade en eeuwig-onverdiende ontferming. Die maar eens vertroost mocht worden uit de eeuwige barmhartigheden des Heeren, die Hij in Christus Jezus komt openbaren voor een arm zondaarsvolk! Die mag naderen tot de rechte fontein des heils en tot de eeuwige bronne van zaligheid.
Kent ónze ziele reeds iets • van deze tèere, heilige, goddelijk-rijke zaak?
Mocht het óns al gaan om de aanraking onzer ziele door den adem des Geestes, om te hooren uit den mond van den God der verkiezing: „Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik? "
't Moet toch zóó zijn of worden, dat we leeren bekennen: „ik heb niet naar Hem gevraagd, maar Hij heeft eerst naar mij omgezien."
We moeten toch van vqanden vrienden gemaakt worden. Van kinderen der duisternis tot kinderen des lichts.
En ziet, nu gaat de God der verkiezing als een God van rijke genade rond om zich een volk te vergaderen, dat Hij aan de ziele onderwijst van de zaligheid die in Jezus Christus is.
Want wat is dat teeken der verzegeling ? Johannes heeft het niet gezien.
Hij heeft wel de vruchten er van gezien: eeuwige zaligheid en heerlijkheid voor een arm zondaarsvolk, dat Jezus Christus als het Lam Gods mocht prijzen, belijdende dat Zijn bloed hen gewasschen had en hen zonder vlek en rimpel deed staan voor het aangezicht des Vaders.
'Ea ia, ova God als Vader te kennen, in Christus met Hem verzot, tod!' en vereenigd, dé, t is de zaligheid voor een arm, in zichzelf verloren en verdoemelijk zondaar. ^ Om voor God te mogen verschijnen „hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden", daar gaat het om (Openb, 14:1), En daarom, hebben wij ook reeds die verzekering der ziele leeren kennen, dat we mogen zeggen tot roem van Gods eeuwige liefde en tot prijs Zijner heerlijkheid: at onze zonden zijn uitgedelgd uit het boek van Gods gedachtenis, om de wille van de kruis-en zoenverdiensten van Jezus Christus? en orsteni naar de gerechtigheid.
„Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Weigelukzahg is de mensch dien de HEERE e ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest geen bedrog is." (Ps. 32:1 en 2) ^^^ is de groote zaligheid die geopenbaard wordt aan alle oprechten van harte, die aan hun vijandschap en leugenachtigheid ontdekt zijn geworden, om arm ellendig voor den Heere te worden en ebracht. Ddt is het goed, dat Hij uitdeelt aan e armen van geest, aan degenen die reuren, aan degenen die hongeren
En dezulken bewaart de Heere biij het even. Hij redt hen van den dood. De eere schaart Zijn engelen rondom hen, ie Hem vreezen. De Heere is rondom ijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid, De Heere is bij mij, ik zal niet vreezen, " De Heere is mijn Herder; mij zal niets ntbreken - al ging ik ook in een dal er schaduwen des doods, ik zou geen waad vreezen, want Gij zijt met mij; w stok en Uw staf, die vertroosten mij, " Heerlijke troost voor Gods kinderen, ie op Hem mogen betrouwen!
„Want God zal mij, opdat Hij mij eschut', in ramp en nood versteken in ijn hut; mij bergen in 't verborgen van ijn tent en op een rots verhoogen uit ' ellend.
" Of zooals de dichter van Ps, 34 zegt: God zorgt, als 't leed genaakt, dat hij niet gansch ter nederstort, dat hem geen
been gebroken wordt — dus is hij wèl bewaard." Welnu dan, mag onze ziele in deze dingen bij aanvang of bij voortgang deelen ?
Buiten Gods eeuwige ontfermende liefde in Christus is dood en verderf. Niets anders! En daarom zegge onze ziele in oprechtheid :
„'k Waar liever in mijns Bondsgods woning een dorpelwachter, dan gewend aan d' ijdle vreugd in 's boozen tent."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's