De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

De faculteit der godgeleerdheid aan de universiteit wan Amsterdam.

Naar aanleiding van de besprekingen over de positie der theologische faculteit van de universiteit, welke gevoerd zijn in den raad bij de behandeling van de begrooting voor 1916, hebben B. en W. curatoren der universiteit verzocht, hun opinie te willen mededeelen omtrent deze aangelegenheid, daarbij wijzende op de omstandigheid, dat aan het eind van het loopende studie-jaar twee hoogleeraren van genoemde faculteit op grond van 70-jarigen leeftijd zullen moeten aftreden,

In antwoord hierop hebben B. en W. van curatoren een brief ontvangen, waarbij deze onder overlegging van de door hen ingewonnen adviezen van den senaat der universiteit en de faculteit der godgeleerdheid, het volgende mededeelen:

»Ten aa.nzien van het in uw schrijven in de tweede plaats door u gevraagd advies betreffende de positie van de theologische faculteit zijn door ons reeds definitieve adviezen van den senaat en van de faculteit der godgeleerdheid ontvangen, welke adviezen wij hierbij overleggen.

Zooals door den Senaat wordt aangetoond, zou de opheffing van de faculteit van godgeleerdheid — een der faculteiten, welke de minste kosten van de gemeentekas eischen — nauwelijks tot eenige bezuiniging leiden, daar vakken als dat der wetenschap van het zedelijk leven, dat der geschiedenis der godsdiensten en dat der geschiedenis van het christendom bij een andere faculteit — bijv, de litterarische — zouden moeten worden ondergebracht.

Wij meenen er u voorts op te moeten wijzen, dat van een verloopen der theologische faculteit aan de universiteit van Amsterdam niet kan gesproken worden.

Ongetwijfeld zou, zooals de theologische faculteit te recht opmerkt, het aantal studenten, veel grooter worden, indien de raad der gemeente Amsterdam zou kunnen besluiten, terug te komen op zijn besluit van 1894, waardoor aan de theologische faculteit de hoogleeraren vanwege de Nederlandsche Hervormde Kerk ontvielen.

Ook nu echter neemt de theologische faculteit aan onze universiteit, wat betreft de aantallen studenten, die in de laatste jaren aankwamen, tegenover de Rijks-universiteiten en de Vrije Universiteit volstrekt geen ongunstige plaats in, terwijl in den loopenden cursus het aantal onzer theologische studenten even groot is, als dat aan de Rijksuniversiteit te Groningen.

Wij zijn dan ook met deh Senaat en de faculteit van meening, dat de theologische faculteit aan onze inrichting van Hooger onderwijs vooralsnog niet kan worden gemist, en wij herinneren er U aan, dat een in, 1890 door den raad van Amsterdam tot de regeering gericht verzoek, om de opheffing der theologische faculteit mogelijk te maken, bij ministerieel schrijven van 25 ApJil 1892 werd afgewezen. Naar onze meening is er alle reden om aan te nemen, dat, mocht een dergelijk verzoek opriieuw tot de regeering worden gericht, het antwoord niet anders zou luiden.

Dit zal thans te eer het geval zijn, nu in 1905 in de Hooger Onderwijswet een artikel is opgenomen (wat den termijn betreft, gewijzigd in 1911), hetwelk voorschrijft, dat bij de Staten-Generaal nader een voorstel van wet moet worden ingediend, waarin het bepaalde omtrent de vakken in de faculteit der Godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteiten nader wordt geregeld. Men kan wel als vrij zeker aannemen, dat de regeering een wetsontwerp betreffende onze Universiteit niet zal willen indienen, alvorens zich van dezen haar door den wetgever opgelegden plicht te hebben gekweten. En niet zeer waarschijnlijk is het, dat de regeering hiervoor in de naaste toekomst den tijd zal vinden. De vervulling der thans ontstaande vacatures zal daarop dus bezwaarlijk kunnen wachten.a

Uitgaande van het in dezen brief ingenomen standpunt hebben curatoren den raad een aanbeveling aangeboden ter voorziening in de vacatures, welke aan het einde van het loopende studiejaar in deze faculteit zullen ontstaan.

Ook B. en W. zijn van meening, dat de vervulling van deze vacatures niet achterwege kan blijven. Zoolang toch de theologische faculteit aan de universiteit verbonden blijft, zal het onderwijs in de vakken dier faculteit volledig moeten worden gegeven, en het is niet te verwachten, dat, welk besluit de raad ook neme, de opheffing van die faculteit binnen korten tijd een feit zal zijn.

Wat den principieelen kant der zaak betreft, zijn B. en W. het echter niet geheel met curatoren en den senaat eens.

Het bovenvermelde schrijven van curatoren? heeft een onderwerp van bespreking uitgemaakt in de vergadering van B. en W. waarbij bleek dat B. en W. zich kunnen vereenigen met het denkbeeld, dat de theologische faculteit in de toekomst behoort te worden opgeheven, waarbij echter de vakken, waarin thans onderwijs wordt gegeven, zooals uit het schrijven van curatoren blijkt, voor een groot deel dienen te worden ondergebracht bij de faculteit, der letteren en wijsbegeerte.

Wat de uitvoering van dit denkbeeld betreft, bestaat echter in het college vaii B. en W. verschil van opinie. Een deel der leden is van meening dat, zoolang aan de rijksuniversiteiten de faculteit der godgeleerdheid bestaat, zij aan de universiteit van Amsterdam niet kan worden ontnomen, zonder die universiteit te maken tot de mindere van haar zusters en daartoe zouden deze leden niet willen medewerken. Voorts achten zij het in hooge mate onwaarschijnlijk, dat de regeering, die in 1892 op een verzoek van den raad, om de opheffing der theologische faculteit mogelijk te maken, afwijzend heeft beschikt en voort» in gebreke is gebleven, om aan de haar in 1905 bij de wet gegeven opdracht, om een nader voorstel van wet in te dienen, waarin het bepaalde omtrent de vakken van de faculteit der godgeleerdheid aan de rijksuniversiteiten naderwordt geregeld, te voldoen, thans bereid zou zijn, er toe mede te werken, dat de kwestie ten aanzien van de universiteit van Amsterdam tot een beslissing komt, voordat zij met betrekking tot de rijksuniversiteiten is afgedaan, of zelfs maar aan de orde gesteld. Zij meenen dus, dat het gewcnschte resultaat slechts kan en behoort te worden verkregen, doordat de wet op het hooger onderwijs in dit opzicht ten aanzien van de rijksuniversiteiten wordt herzien, waaruit dan, ingevolge art. 71 dier wet zal voortvloeien, dat die aanwijzing eveneens van toepassing zal zijn op de universiteit van Amsterdam.

De overige leden van het college van B. en W. deelen deze zienswijze niet en kunnen zich vereenigen met het denkbeeld in den raad door den heer Fabius verdedigd, om aan de regeering te verzoeken te bevorderen, dat Amsterdam ontheven zal worden van de verplichting, om aan de universiteit een theologische faculteit in stand te houden.

Als ge, volg van de gehouden besprekingen heeft het college van Burg, en Weth. besloten, den raad voor te stellen, zich te wenden tot de regeering met het verzoek, het voorstel van wet bedoeld in art. XXVII der overgangsbepalingen van de wet van 22 Mei 1905, Stbl. 141, bij de Staten-Generaal in te dienen. Het zal wellicht een eenigszins vreemden indruk maken, dat de gemeenteraad van Amsterdam bij de regeering aandringt op de vervulling van een haar bij de wet opgelegde verplichting, die oogenschijnlijk alleen de rijksuniversiteiten betreft; men houde echter in het oog, dat deze weg, na de weigering van de regeering in 1892 en hetgeen daarop in 1905 gevolgd is, voor de gemeente de eenige is, dien zij kan inslaan, om voor haar universiteit tot een herziening van het onderwijs in de godgeleerdheid te geraken.

Indien de raad zich met onze zienswijze vereenigt, zal het wenschelijk zijn, in het aan de regeering te zenden adres, zij het in groote lijnen, tevens aan te geven, hoe de raad zich de her. ziening van het onderwijs in de godgeleerdheid denkt. Met het oog hierop zullen B. en W. gaarne de uitnoodiging van den raad ontvangen^ een ontwerp voor een adres aan de regeering samen te stellen. (N. Rott. Ct. Ochtendbl,

Dinsdag 18 Juli '16.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's