De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk.

20 minuten leestijd

III.

En toen kwam de 19de eeuw.

Nadat in de 18de eeuw het zaad vau den twijfel met kwistige hand was uit. gestrooid door allerlei wijsgeeren, was de hechte grondslag van het geloof der Vaderen niet weinig ondermijnd. JDj dwaallichten werden voor sterren aan. gezien en de uitspraak der rede ging boven het geloof aan de Heilige Schrift, En velen wisten niet meer te onderl scheiden wat waarheid was. Iemand schrijft van dien tijd: , Eilaas! vele van de ranken van die edele wijn. stokken zijn verandert in verbasterde ranken eens vreemden wijnstoks. Hoe zeldzaam is 't nu onder het ge. slagte dat nu leeft, te vinden de liefde voor de Waarheit en Godvrugt. De Waarheid struikelt op de straat, en dat regt is kan der niet ingaan".

En zoo komt dan de revolutietijd met haar godsdienst der rede. Zoo komende dagen, dat als hoogste wijsheid wordt uitgeechreeuwd: „geen God en geen . meester". Waarna de Napoleontische tijd komt, die eindigt in het Koningschap van Willem I.

„Bij den aanvang" - aldus Prof, Reitsma in zijn geschiedenis der Herv, Kerk - „van de negentiende eeuw was het meerendeel der godgeleerden en predikanten wezenlijk heterodox in hun verklaring der leer van Dordrecht, geneigd om bezadigd de vrijheid des geloofs en ware verlichting te verbreiden. Het getal der positieve voorstanders was zeer gering en de academie vormde geen strijdvaardige theologen meer van den ouden stempel, De ware orthodoxie leefde vooral bij de volksklasse voort en gaf hier en daar eenig teeken van leven door den naloop van oefenaars, of zij zong in zuchtende verwachting van betere tijden haar stille klaagliederen over een allerwege heerschende schikkelijkheid, die in de Kerk alle grondslagen des geloofs scheen te ondermijnen"

De heerschende geest alzoo in afwijking van de aloude waarheid en overal onverschillige verdraagzaamheid. Maar toch ook „stille klaagliederen over een allerwege heerschende schikkelijkheid, die in de Kerk alle grond slagen des geloofs scheen te ondermijnen". En • dat laatste is gebleken toen Koning Willem I in 1816 aan de Kerk het „Algemeen Reglement voor het bestuurder Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden" oplegde.

Toen dreigde er gevaar. Waarop het protest gehoord werd van de classis Amsterdam, waar men vreesde dat de leer der Kerk schade zou worden berokkend. Maar wat kreeg men ten antwoord? Dit: „Staat er niet in art., 9 (het - tegenwoordige art. 11) met ronde woorden omschreven, dat de leer der Kerk moet gehandhaafd worden door allen die in eenig Bestuur zitting hebben"? Men kon gerust zijn!

En als men niet al te gerust is en tegen die Synode, met wantrouwen vervuld, aanziet, vreezende dat die kleine Synode ten opzichte van de leer wel eens allerlei wonderlijke bepalingen kon maken, dan krijgt men ten antwoord: „de Synode komt thans niet saam om te gaan delibereeren over fde leer. Die leer ia er en aan die leer der Kerk raakt de Synode niet meer"! - Wie bij deze dingen nu kan zeggen: sinds 1816 is „in geen geval eenige leer de grondslag der Kerk" - die zegt naar onze bescheiden meening allerwonderlijkste dingen! Wie beweert dat het karakter van onze Herv. Kerk is „geen leer te erkennen en van geen handhaving daarvan te willen weten", die bazelt maar wat.

Neen, het is niet tegen te spreken, dat ook .sinds 1816 onze Herv. Kerk een Kerk is met een leerstelligen grondslag. En het telkens probeeren - in 1887 en 1889 nog door tweehonderd predikanten en ongeveer duizend lidmaten - om art. 11 weg te krijgen bewijst, dat de Herv. Kerk een „leer" heeft, van welke „leer" men o! zoo gaarne zou worden bevrijd. Maar gelijk de rapporteerende Commissie overtuigd was, dat wegneming van de woorden „handhaving der leer" uit art. 11 den strijd in de Kerk niet zou b jzweren, maar veeleer zou aanwakkeren, zoo zijn wij er ook van overtuigd, dat onze Ned. Herv. Kerk een confessioneel karakter draagt!

NatuurJgk weten we óok wel, dat onze Herv. Kerk in de praktijk de drie formulieren van eenigheid niet als haar grondslag erkent en dien grondslag eerbiedigen en handhaven wil.

Maar ze heeft nooit de leer der Kerk officieel durven afschaffen. Ze heeft veeleer steeds met een deftig en ernstig gezicht gezegd: ik zal de leer der vaderen niet verwerpen, alleen sta mij toe, dat ik er een uitlegging aan geve naar den geest en de behoefte-van den modernen tijd.

Zóo is de zaak telkens aan de orde gesteld en zoo is de zaak steeds gebleven tot op dezen dag. Er is een leer der Kerk. De Kerk zelve durft die leer niet uit.

schakelen uit de Reglementen. ^ Waarbij men dan spreekt van „den geest en" de hoofdzaak" der leer; van (Jen aard en het karakter" dier belijdenis, daarbij evenwel tegelijk erkennend dat er een bepaalde leer ten grondslag ligt aan de Kerk.

Heeft de classicale vergadering van Kampen in 1864 niet aan de Synode in overweging gegeven „om uit de reglementen de bepalingen te nemen, welke spreken van de handhaving barer leer en alle artikelen weg te nemen, die aan de gemeente in de doopsbediening barer kinderen, in het belijdenis afleggen barer kweekelingen en in het vieren van het avondmaal eenigen band opleggen, waardoor hare gewetensvrijheid belemmerd wordt"?

Maar de Synode was tot het prijsgeven van eene te handhaven leer, mede onder invloed van Scholten, die vasthield aan de leuze: „geen kerk zonder belijdenis", niet te vinden.

Busken Huet en Pierson legden hun betrekking in de Herv. Kerk neer. Het blijven in de Kerk en het samenwonen met de orthodoxen viel hen te zwaar. In 1870 werd de Protestantenbond opgericht, die de vrije ontwikkeling van het godsdienstig leven beoogt. In 1877 stichtten de Hugenholtzen hunne „vrije Gemeente." Maar in de Kerk bleef men spreken van „de leer" en van „handhaving van de leer."

Nog eens deed de hoogleeraar Diest Lorgion, lid van de Synode zijnde, het voorstel dat „al de artikelen in de reglementen, welke betrekking hebben op de leer, zoodanig worden gewijzigd, dat daaruit verwijderd worde, wat aanleiding kan geven tot bestrijding van de bestaande vrijheid".

Maar bet mislukte weer om het confessioneele karakter aan onze Herv. Kerk te ontnemen, gelijk het tot op heden steeds een mislukking bleef. Men mag 't in deze rekbaar als elastiek gemaakt hebben, doch te ontkennen valt het niet, dat onze Herv. Kerk een confessioneel karakter draagt en dat er naar uitwijzen van de reglementen oorzaak kan worden gevonden „om de bestaande leervrijheid te bemoeilijken en te bestrijden".

Predikanten zijn aan „de leer" gebonden. Lidmaten zijn aan „de leer" gebonden. Laat het dan alles rekbaar zijn als elastiek, dat is waar. Maar nochtans moest ook een man als de • vrijzinnige Dr. Niemeyer, die wel eens trots schreef: „de kerk heeft geen belijdenis" nog onlangs bekennen: natuurlijk zijn de lidmaten onderworpen aan leertuchtI Natuurlijk!

Dat woord spreekt boekdeelen. En Ds, Beversluis die er als een kikvorsch rondom heen sprong wilde eerst wel niet, maar moest toch tenslotte bekennen : „ja, onze Herv. Kerk heeft hare grenzen en die grenzen moeten geëerbiedigd worden".

Zeker — we weten het óok wel, dat het juist wat betreft de leervrijheid, die in de practijk in werkelijkheid in het midden van onze Kerk gevonden wordt, niet goed staat.

Gruwelijke ontrouw; schrikkelijke zonde klaagt in deze onze Vaderen en ons aan. Maar laat ons vasthouden, dat onze Herv. Kerk krachtens recht en historie een eigen leer en belijdenis heeft — waarbq al dat slappe, elastieke, pitlooze moet verdwijnen uit de practijk van ons Kerkelijk leven. , ,

Waarbij we hebben op te komen voor een Geref. Kerk, met Geref. belijdenis en een Geref. Kerkelijk leven, naar uitwijzen van Gods Woord en in aansluiting aau de drie Formulieren van Eenigheid.

Evangeliesaties.

Over de evangelisaties in de Ned. Herv. Kerk is al heel wat geschreven. En het laatste woord zal er nog wel niet over gesproken zijn.

Nu lazen we van de hand van Dr. Bronsveld in de Kroniek van de Stemmen voor waarheid en vrede (Juni 1916) een zoo eigenaardig advies, dat we niet kunnen nalaten daarvan hier melding te maken.

Mocht dit advies worden opgevolgd door „de etischen", dan krijgen we een toestand, waarvan de gevolgen niet zijn te overzien. Dan loopt alles kris en kras door elkaar!

Men oordeele zelf.

Dr. Bronsveld schrijft:

Omnis comparatio claudicat, maar met de sociaal-democraten hebben de »confessioneele« en «gereformeerde* fracties in onze Kerk dit gemeen, dat zij, waar kiescolleges zijn, bijna overal de meerderheid verwerven, en wie geen geestverwant is, uitwerpen. In meer dan één van onze groote steden worden dan ook predikanten, die niet tot de genoemde partijen behooren, bij vacature vervangen door leeraars, wier prediking om vorm en inhoud vele belangstellende leden der gemeente niet bevredigt. Ik zeg niet, dat de zoogenaamde i> etische« predikanten altijd voldoen aan de eischen, welke men in onzen tijd aan een leerrede stellen mag en moet. Er wordt weljeens geklaagd over gebrek aan degelijkheid, over jacht op iets ongewoons of iets geestigs, over de vervanging van het evangelie door bespreking van »kwesties«, enz. — maar wat zal men zeggen, als jongelieden, als menschen van smaak en ontwikkeling verklaren, geen preek te kunnen hooren, die even goed vóór 200 jaar als thans had uitgesproken kunnen worden ? Wat men dan zeggen zal ? »Het spijt me, en ik kan het mij begrijpen.» Ik word niet gaarne persoonlijk — maar ik zou wel eens willen weten, wat Dr. Kromsigt zegt van de leerredenen van menig geestverwant collega, door hem aanbevolen. Doch, wat moeten zij nu doen, die getrouwe kerkgangers willen blijven, maar bij hun voorgangers eer geërgerd dan gesticht worden ? Naar dissenters gaan ? Maar men wil predikanten hooren van zijn eigen Kerk ! Onze Kerk verlaten ? Doch, men wil daar niet over denken. Wat dan? Mag ik een raad geven ? Ik heb den tijd gekend, waarin in de meeste groote steden een rechtzinnig predikant een uitzondering was geworden. Ik herinner mij, dat dit het geval was bijv. te Leiden Wat heeft men aldaar toen gedaan ? Een geschikt lokaal gehuurd, waarin eiken Zondag predikanten optraden, door wie men gesticht werd. Dat bracht eenige onkosten meê, maar men had het er voor over. Ook te Helder, te Bolsward, te Deventer, te Meppel en elders doet en deed men dat. En 'tis geschied meestal met rijken zegen. Van de samenkomsten te Leiden en Helder bijv. heb ik de aangenaamste herinneringen. Laat men het weit gaan doen, als niet moderne ipaar confessioneele overmacht ons voorgangers onthoudt, door wie men wordt opgebouwd in zijn allerheiligst geloof. Er wordt dan een kern bewaard, die, der kerk niet ontrouw, wacht op betere tijden. Op actie volgt reactie, en het opkomend geslacht zal op den duur niet bevredigd worden door een prediking, die niet is voor onzen tijd, al heeft zij thans het oor van de groote schare."

Allereerst treft ons hier weer de beschouwing dat een ethische dominédoor menschen van onzen tijd gehoord kan worden maar gereformeerd gezinde predikanten niet. De ethische predikanten zijn ontwikkelde mannen, die werk maken van hun preeken en die hun tijd verstaan — maar de gereformeerd-gezinde dominé's zijn ongelukkige sukkels, die in hun denken en spreken 2 è 300 jaar ten achter zijn. Fatsoenlijke menschen kunnen dan ook bij confessioneele of gereformeerde predikanten niet kerken — oordeelt. Dr. B.; die niet schijnt te voelen, dat hij in deze eenvoudig de levens-en wereldbeschouwing van al de gereformeerd-gezinde predikanten in de Herv. Kerk benevens heel de prediking en al den arbeid van de predikanten in de Geref. Kerken dood verklaart.

En dè, t in een tijd waarin de ethische prediking zoo weinig gezien is en de invloed van de etische predikanten met den dag achteruitgaat. Terwijl èn onder onder de eenvoudigen èn onder de intellectueelen juist de gereformeerde prediking zoowel in de Herv. Kerk als in de Geref. Kerken wordt begeerd door vele duizenden in stad en dorp.

Zoo'n oordeel uit te spreken is dan ook een weinig dwaas, naar ons oordeel. Bitter geworden door het zien van de afbrokkeling van eigen invloed komt men er toe. Maar verstandig is het niet. Men moest toch wijzer zijn!

Doch dat nu eena daéir gelaten. Waar moet het heen, indien in onze Herv. Kerk geadviseerd wordt door een vooraanstaand man als Dr. Bronsveld: overal waar men geen zin heeft om te kerken bij den plaatselgken predikant moet men maar een locaal bouwen en moet men maar afzonderlijk vergaderen?

Wat zullen daar de gevolgen van zijn ? De toetssteen in deze is dus niet meer: wordt het Woord in de Kerk gepredikt? Maar de maatstaf is eenvoudig of het ons aanstaat of niet wat er door den plaatselijken predikant wordt verkondigd. En ook al is dat naar Schrift en belijdenis een warme, waardige Christusverkondiging — dan kan men toch het recht houden om maar een locaal te bouwen en afzonderlijktegaan vergaderen!

Wonderlijke tijden beleven we. Als men tegenover de ethische prediking, welke den mensch in z'n zondigen staat en den Heere in het werk Zijner verlossing slnders ziet en Anders waardeert dan naar uitwijzen van Schrift en belijdenis moest geschieden — als men daar tegenover partij kiest en in een evangelisatie-gebouw saam komt dan schreeuwt men moord en brand van ethische zijde. Dat is de grootste zonde die men bedrigven kan. Dat is dan tot verscheuring van de Kerk enz enz.

Maar nu de gereformeerde prediking in stad en dorp vorderingen maakt, nu mag de ethische een eigen, zuiver individueel oordeel zich vormen en een eigen maatstaf aanleggen en tegenover een prediking die naar Schrift en belijdenis is een eigen prediking stellen, waarbq men zich wel op zichzelf kan beroepen maar niet op het Woord en niet op de belijdenis der Kerk.

Alleen omdat het niet gaat zooals men het jaren gewoon geweest is; omdat men niet meer zoo alleen de macht in handen houden kan; omdat er ook confessioneelen en gereformeerden tusschen komen; ziet ddarom zal men nu maar overal, waar het kan evangelisaties gaan oprichten!

Maar, gaat het nu wel aan, om zulke adviezen te geven zouder duidelijk te maken wat de consekw«nties van dit advies moeten zijn; n.l. dat dan overal elke richting het recht ontvangt om zich als richting zelfstandig te gaan organiseeren ?

Bedoelt Dr. Bronsveld dat?

Is hij voor evenredige vertegenwoordiging, de modernen inbegrepen? Of evenredige vertegenwoordiging onder de rechtsche partijen? Of voor een modus Vivendi ?

Ons lijkt het advies van Dr. Bronsveld zóo vérstrekkend en zóo ingrijpend, dat er wezenlijk wel eens ernstig over gedacht mag worden.

Want zooals het daar nu ligt is het Kerk-ontbindend en Kerk-verwoestend, met recht voor iedere richting om eenvoudig te doen wat men wil.

Gevoel van eigenwaarde?

Of het bericht in de couranten juist is weten we niet; maar 't stond er toch in. En wel dit: dat in Boskoop, waar Ds. Tuinstra nu weldra vertrekt, de confessioneelen een gebouw zullen stichten, koopen of huren om daarin godsdienstoefeningen te houden.

Men wil dus blijkbaar een afzonderlijke, confessioneele eva^^gelisatie hebben, naast de bestaande evangelisatie, waar gereformeerde predikanten uit de Ned. Herv. Kerk voorgaan.

Ook hierin ieder een afzonderlijke weg! Confessioneelen kunnen en willen niet neerzitten onder een gereformeerde prediking .... Het is goed dat men een beetje gevoel van eigenwaarde heeft. Maar dit moest men nu niet op deze wijze toonen.

't Moest eens omgekeerd zijn: dat er een evangelisatie van c9nfessioneele zijde was; waar naast de gereformeerden dan gingen oprichten een „eigen" evangelisatie. Och, och! wat zou er dan een klaagzangen worden aangeheven!....

Het is wel droevig, dat de rechtzinnigen tegenover het machtig modernisme I in Boskoop zich niet als één man weten te scharen rondom de aloude waarheid!

Ons Studiefonds.

Dat moeten we in 't oog houden. Want dat is een goede en nuttige zaak. Daar kunnen we nog veel genoegen van beieven. En als de handen in elkaar geslagen worden kan onze Herv. Kerk er groot voordeel van krijgen, door de aanwinst van jonge predikanten!

Om eens te zien hoe anderen in deze handelen nemen we, zonder eenige verdere opmerking te maken uit het Vrijzinnig Weekblad over een gedeelte van het verslag van den penningmeester, die in dien kring de Studiekas beheert. We kunnen er ons voordeel meedoen en het kan een prikkel iijn om ook zoo spoedig mogelijk in ónze kringen in deze te doen wat ©nze hand vindt om te doen.

We knippen dan uit het jaarverslag van vrijzinnigen penningmeester dit uit:

»Geen oorlogswinst gemaakt, geen consent tot uitvoer gehad, en toch in deze jaren een batig saldo! Waarlijk, er is voor onze instelling geen reden tot klagen.»

Zoo begint het jaarverslag van onze Studiekas namens het bestuur opgemaakt door den heerj. N. Pattist. Wij ontleenen er verder het volgende aan.

In 53 gemeenten of afdeelingen der vrijzinnige Hervormden werd voor de Studiekas een collecte gehouden met een gezamenlijke opbrengst van f 514, 251/3.

Aan giften werd f 435, 83 1/2 aan contributies f 3657, 50 ontvangen.

Bestuurders van het fonds Racer-Tak schonken wederom de milde gift van f 1000, —. Ook werd het recht van voordracht en uitkeering der twee Alkmaarsche beurzen weer welwillend aan het aan het bestuur afgestaan.

De gemaakte rente bedroeg f 444, 45. Twee jongelieden verlieten de studie, en zonden tezamen f 355, — terug.

Zoodoende bedroegen de inkomsten f 6786, 59. Aan toelagen werd f3850, — uitgegeven, aan bureaukosten f 200, —, aan drukkosten f 45, 35, aan porto's f 54, 50, aan innings-en verzendingskosten f 83, 80, aan reis-en verblijfkosten van het bestuur f 59, 521/j.

Met nog enkele kleine bedragen kwam het totaal der uitgaven op f 4308, 831/2. Zoodat er een batig saldo is van f 2477, 751/2-

Het reserveltapitaaltje van de instelling bedraagt nu f 12903, 5 81/2, waarvan echter nog de met October vervallende halfjaarlijksche uitkeeringen aan de jongelieden moeten worden betaald.

Steeg het bedrag der collecten en giften eenigszins, het totaal der jaarlijksche contributies verminderde door overlijden en bedanken met f 229, —, waartegenover slechts een aanwinst van f 49, — van nieuwe contribuanten staat.

Propaganda is voor de zaak in het afgeloopen boekjaar door de tijdsomstandigheden weer niet gemaakt. Het bestuur vertrouwt echter, dat allen, wien de zaak ter harte gaat, van zelf aan het werk zullen trekken, wanneer de nood dwingt, bij hen aan te kloppen.

En dit is niet onmogelijk. Nu de instelling haar vijfde levensjaar ingaat beginnen namelijk langzamerhand haar eigen jonge menschen aan de Hoogeschool te komen. Had zij eerst enkelen aan de Universiteit, die met f 100, — a f 200, — erbij geholpen waren, zoodat de Studiekas de toespijs van het maal leverde, nu komen zij aan, wier hoofdschotel zij moet leveren.

Dit jaar moest het bestuur niet minder dan f 4600, — toekennen, waaronder twee toelagen van f 450, —, één van f 350, —, vijf van f 300, — twee van f 250, — de overige van f 200, — en minder.

Er zijn thans 20 jongelieden, die toelagen ontvangen, waarvan 8 aan de Hoogeschool, 6 op •het Gymnasium en 6, die studeeren voor het Staats-examen.

In het geheel werden tot nu toe door de Studiekas 33 geholpen; 5 hunner zijn afgestudeerd, 4 kunnen het stellen buiten haar hulp, 4 hebben de studie verlaten, terwijl de overigen de bovengenoemde 20 vormen.

Sinds He oprichting vam de Studiekas is reeds f 10525.— uitgekeerd, waarbij het totaal bedrag der jaarlijksche uitkeeringen gaat in steeds stijgende lijn.

Maar het bestuur heeft tot nu toe geen klagen, omdat het nog niemand, dien het voor het predikambt geschikt achtte, heeft behoeven af te wijzen.

Niet in den haak.

De heer Kuiper te Leeuwarden heeft een voorstel gedaan om in onze Herv. Kerk het stemrecht mee afhankelijk te maken van het bezoeken der godsdienstoefeningen. Hij vindt het een verkeerde toestand als menschen, die nooit naaide Kerk omzien op den dag der verkiezing naar de stembus gaan en dan mee de zaken der kerkelijke gemeente in een bepaalde (meest moderne) richting drijven.

Dr. Niemeyer hoofdredacteur van het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden stak een beetje den draak met dit lumineuze (? ) idee van den heer Kuiper. Dr. N. zou ook zeker niet graag beleven, dat zoo iets ooit mogelijk bevonden werd in de practijk. Want wat zou er dan van de moderne meerderheid in onderscheidene gemeenten weinig overblijven!....

Maar een van de lezers van het Vrijzinnig-Weekblad heeft zich gestooten aan het geschrijf van den hoofdredacteur. Die vond dat de modernen in plaats van met deze zaak een loopje te nemen de hand eens in den boezem moesten steken en erkennen, dat het hier niet in den haak is in het midden van de vrijzinnige actie op kerkelijk gebied.

Hij schrijft:

Mijnheer de Redacteur.

Uw ironische qualificatie van het idee-Kuiper heeft mij na lezing ervan de woorden ontlokt: „En toch "

Want het gaat daar over een zaak, die mij al dikwijls heeft beziggehouden.

De heer Kuiper wenscht een nauw verband te leggen tusschen kerkgaan en stemrecht. Niet waar? dat is een gezond idee. Immers het houdt in, dat alleen zij invloed kunnen uitoefenen op den gang van zaken in de Kerk, die in haar innerlijk leven belang stellen. In de wijze van uitvoering ga ik met den heer Kuiper niet mee, maar hij heeft hier een kwestie naar voren gebracht, die ons vrijzinnig-godsdienstigen te denken geeft.

Is het niet treurig M. de R., dat in den strijd om bestuurszetels e.d. in onze kerken zoo dikwijls mannen in 't vuur worden gebracht, die we nimmer aan onze godsdienstoefeningen zien deelnemen? Meerdere malen hielpen deze krachten mee, de vrijzinnige zege te behalen. Oordeel ik verkeerd, wanneer ik meen, dat een gebouw, op zoo onvaste fundamenten opgetrokken, altijd op invallen staat? En verhoogt het wel den ernst van ons streven, wanneer wij voortdurend van dien kant om hulp vragen?

Met dank voor de plaatsing, Uw dw.,

H. DE BLOUW.

Middelburg, 2 Juli igi6.

De hoofdredacteur zegt hier niets op. Misschien is dat ook maar 't verstandigst. Maar ons dunkt, het is de moeite der vermelding waardig, dat hier een vrijzinnige zelf komt getuigen dat het vrijzinnige gebouw op zoo onvaste fundamenten is opgetrokken en op invallen staat. Daarbij verklarend, dat op deze wijze de ernst van het vrijzinnig streven niet verhoogd wordt.

De Gezangen.

In 1834 werd door Ds. de Cock en anderen scherp geageerd tegen de gezangen in de Herv. Kerk, die in 1807 waren ingevoerd en die alle predikanten in die dagen moesten laten zingen (sinds 1864 is 't niet meer verplicht gezangen op te geven).

Ze werden genoemd „Sireensche minneliederen geschikt om een valsche leugenleer in te voeren" enz.

We zijn nu nog geen 100 jaar verder. En we zien in het midden van de Geref. Kerken een algemeene en zich steeds uitbreidende beweging om te komen tot invoering van .... Evangelische Gezangen.

Bij ons komt de vraag op of men wel recht gedaan heeft om in 1834 zóó te ageeren tegen de gezangen, dat het al mee éen van de oorzaken is geworden tot afscheiding van de Herv. Kerk. Wanneer men dê dingen niet zoo opgeblasen had en men ware eens, gezien den diep vervallen toestand der Kerk, wat kalmer te werk gegaan, zou dan de geschiedenis sinds 1834 niet een heel ander verloop hebben kunnen nemen?

't Is wel eigenaardig dat het toen al mee de oorzaak werd tot afscheiding, terwijl men nu zoo algemeen behoefte schijnt te voelen aan gezangen, waarbij men blijkens allerlei beschouwingen tal van gezangen uit onzen tegenwoordigen bundel graag zou willen overnemen — als het copierecht dat toelaat. Veel van de groote oorzaken van de afscheiding — afscheiding van de Kerk is 'geen klein ding! — worden er tegenwoordig niet grooter op!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geen leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's