Uit het kerkelijk leven.
Niet bepaald edel.
Het ligt voor de hand, dat nu het rapport van de door de Synode benoemde Commissie voor den modus vivendi gereed en gepubliceerd is, daarover allerlei beschouwingen ten beste worden gegeven, waarop wij nog niet zullen antwoorden, omdat het geen tijd daarvoor is.
Natuurlijk dat de Geref. Ds. Landwèhr te Rotterdam al terstond met zijne veroordeeling klaar is en al weet, hoe verkeerd deze zaak is, hoewel hij er blijkbaar niets van begrepen heeft.
Het spreekt van zelf: uit het Nazareth der Synodalen kan en mag volgens dezen zoon der scheiding nooit meer iets goeds komen. God heeft immers alleen scheiding en doleantie gegeven ter verlossing ! En hoewel de Geref. Kerken een treurig beeld van geestelijk verloop te aanschouwen geven, dat dezen broeder oorzaak moest zijn om zich met eigen kerkelijk leven allereerst bezig te houden, is hij al klaar met ons Hervormden en met onze zaken.
Ons dunkt. Ds. Landwèhr is nu eenmaal afgescheiden, heeft als zoodanig alle relaties met onze kerk afgebroken, laat hij | zich nu ook maar niet meer met haar bemoeien en ook practisch afgescheiden blijven. Hij heeft daar op eigen gebied genoeg te wieden en zal zijn tuchtsideaal nog wel niet geheel hebben doorgevoerd.
Wat echter niet zeer edel moet geacht, dat is zijne poging om ditmaal de Gonfessioneelen, „die naar een schaduw grijpen", zooals hij zegt, tegen ons uit te spelen. Is dat misschien tot bedekking der vreeze, dat er uit deze zaak iets kon geboren worden, waardoor alle grond voor verdere scheiding en scheuring wordt weggenomen en dat eens geen schaduw is ? Tot nu toe verwijten menschen als Ds. Landwèhr ons gereformeerden gaarne, dat wij niet doen wat de confessie zegt, ja dat zelfs niet doen kunnen, maar als dat nu straks eens ophield, wat zullen zij ons dan nog te verwijten hebben I De vrees om ook dit laatste argument te verliezen is de geheime prikkel in Ds. Landwehr's geschetter over zaken, die hij nu maar moest overlaten aan hen, die er belang bij hebben en wier zaken het zijn. Ds. Landwehr's kerkelijk vraagstuk is immers reeds in 1886 opgelost, ook al bleek die beweging nu juist niet wel geslaagd.
Het beste' is, dat eerst wordt ingedacht, wat deze modus vivendi biedt; en dan wordt afgewacht wat de uitspraak der Synode zal zijn.
Modus Vivendi in de Ned. Herv. Kerk.
Memorie van Toelichting.
Aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk
Hoogeerwaarde Heeren,
De Commissie door Uwe Vergadering benoemd om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een modus vivendi, waarbij onder handhaving van de administratieve eenheid der Kerk aan de verschillende richtingen eene vreedzame samenleving wordt mogelijk gemaakt, heeft de eer U nevensgaand, met algemeene stemmen aangenomen, voorstel als resultaat van haar onderzoek ter overweging aan te bieden.
Ter bevordering eener juiste waardeering van de hierin neergelegde hoofdgedachte, acht zij het wenschelijk de volgende memorie van toelichting aan haar voorstel toe te voegen.
I.
Het behoeft geen nader betoog, dat het ten vorigen jare bij Uwe vergadering ! ingediende verzoekschrift om eene com-j missie te benoemen, die deze zaak in studie zou nemen, zijn oorsprong vond in het diep treurige beeld, dat onze kerk te aanschouwen geeft.
Hoewel rondom ons vaderland de oorlog woedde en algemeen instinctmatig beseft werd, welke hoogst ernstige gevolgen daaruit ook voor ons volk konden voortkomen,
hoewel zelfs de politieke partijen aflieten van den strijd en tot een zoogenaamden godsvrede kwamen, deed zich het pijnlijke verschijnsel vopr, dat ook zelfs toen in ons kerkelijk leven van vrede niets te bespeuren viel.
Uwe Vergadering schortte door den nood der tijden hare zittingen op en stelde belangrijken arbeid uit, tot betere dagen zouden zijn aangebroken. Maar in de Kerk zelve bleef de strijd doorwoeden. De geweldige ernst der wereldhistorische gebeurtenissen vermocht niet de partijtwistingen te stillen. De kerkelijke partijen kenden geene rust.
De Kerk, waarin toch zulk een groot deel van ons volk is opgenomen en die zeker in zulke aangrijpende dagien een lofwaardig voorbeeld moest geven, vertoonde ook toen nog het weerzinwekkend schouwspel eener voortdurende agitatie der partijen, die alle in haar boezem kampen om te bestaan en zich te handhaven tegen de gevaren, waarmede zij elkander bedreigen. Zelfs namen in den strijd over „geesten hoofdzaak" de partijtegenstellingen nog zeer verscherpte vormen aan, opgeblazen als hij werd door sommigen tot een strijd voor „de eer van Christus."
Te midden van de beroeringen daardoor verwekt, hebben wij, die later door Uwe vergadering als eene commissie zijn aangewezen, ons gedrongen gevoeld tot Uwe Hoogeerwaarde vergadering het verzoek te richten om maatregelen, aanvankelijk slechts tot het instellen van een onderzoek naar de mogelijkheid van een vredig kerkelijk samenleven.
De vraag drong zich aan ons op, of het dan volstrekt noodzakelijk is, dat ons kerkelijk bestaan zich op zulk een diep treurige wijze blijft voortzetten en of er dan volstrekt geene wegen zijn, die leiden kunnen tot betere verhoudingen.
De toestand, waarin onze Kerk door den steeds voortwoekerenden partijstrijd langzaam maar zeker geraakt is, wijst duidelijk uit, hoe groot gevaar haar toekomst dreigt. De pijnlijke indruk, dien zg in steeds breeder wordenden kring maakt, doet haar dalen in de waardeering en de achting, welke eene Christeliike Kerk allereerst behoeft om eenen weldadigen invloed te kunnen oefenen. Bovendien verteert zij alle hare krachten in den innerlijken strijd, die haar verscheurt Aan de onderscheidene in haar worstelende richtingen ontbreekt de mogelijkheid om zichzelf te zijn en hare geestkracht te ontwikkelen in de beleving van eigen beginselen.
Het is dan ook geen wonder, dat bij talloos velen de vraag rijst, of het in het belang van Gods Koninkrijk, inhetbelang ook van de geestelijke ontwikkeling van ons volk is, eene nieuwe eeuw in te gaan, die, wat het leven onzer Kerk betreft, zeker niet minder onrustig door bitteren strijd zal zijn, dan de eerste onder de tegenwoordige organisatie, indien niet op afdoende wijze wordt tegemoet gekomen aan de behoefte naar vrijheid voor de onderscheidene richtingen.
Het komt de Commissie voor, dat als onze Kerk nog eene zegenrijke toekomst zal hebben, zij verlost moet worden van de tweespalt, die daarom just zulk een onverkwikkelijken indruk maakt, wijl de Kerk allereerst geroepen is der wereld een beeld van eendracht te toonen.
Is dus de behoefte aan nieuwe en betere toestanden onafwijsbaar en wordt deze door niemand inderdaad'betwijfeld, dan ligt het voor de hand, dat de Commissie zich allereerst rekenschap gaf van de tot nu toe meer of minder warm aanbevolen middelen om het heerschend kwaad weg te nemen.
In de eerste plaats overwoog zij of met eenigen grond eene gezondere kerkelijke samenleving verwacht mocht wordendoor het invoeren van eene zgn. reorganisatie, waardoor op eenigerlei wijze de oude classes in hare rechten hersteld zouden worden. Het kwam haar echter voor, dat zulk eene reorganisatie juist het tegendeel zou brengen van hetgeen men zich daarvan voorstelt. Zij zou noodzakelijk voeren tot het leggen van alle macht in de handen van de helft plus één en daarmede tot een partijstrijd, zeker niet minder bitter dan die thans onze Kerk beroert. Zelfs zou het uiteenspatten der Kerk daarbij met vrij groote zekerheid verwacht moeten worden, aangezien hét losmaken van bestuursbanden bij de verscheidenheid der heerschende richtingen ongetwijfeld de allergevaarlijkste proefneming zou zijn.
Ook overwoog de Commissie, naar aanleiding van haar geboortegeschiedenis, de vraag, of verscherping van formules eenig heil zou brengen. Maar ook daarvan meent zij, kan voor duurzame bevrediging • niets te wachten zijn.
Reeds hierom acht zij die verwachting ijdel, wijl zulk eene verscherping slechts door te voeren is, onder verbitterden tegenstand van meer dan ééne groep van beteekenis, die uit den aard der zaak niet zouden rusten, voordat dé ingevoerde wijziging weder zou zijn te niet gedaan.
Ook stellen de verschillende richtingen zoo uiteenloopende eischen op dit gebied, dat er op dezen weg geen stilstand mogelijk is, voordat ééne partij alle andere aan zich onderworpen heeft.
In elk geval is duidelijk, dat wijziging van formules geene bevrediging baart.
Zal er van ontspanning sprake komen, dan kan deze alleen bereikt worden door een modus vivendi, die, met behoud der administratieve eenheid, aan elke richting de vrijheid waarborgt, om in overeenstemming met eigen beginselen onder het synodaal verband haar kerkelijk leven tot zijn recht te doen komen.
II.
Wat het standpunt aangaat, waarop de Commissie zich bij haar onderzoek geplaatst heeft: zij is er van overtuigd, dat nooit eene oplossing van onze kerkelijke moeilijkheden gevonden kan worden, tenzij men het historisch gewordene tot uitgangspunt neemt.
Hoewel er over de waardeering van dat historisch gewordene verschil kan zijn, zou het toch zeker ijdel wezen, de geschiedenis van meer dan eene eeuw eenvoudig te willen ontkennen door aan eene enkele groep, met uitsluiting van alle andere, onder de thans |heerschende organisatie alleen bestaansrecht toe te kennen. Des te minder kan hiervan sprake zijn, omdat reeds onder de heerschappij van het vroegere kerkrecht, .van de tijden der reformatie tot aan de revolutie hier te lande vigeerend, het partijwezen in het kerkelijk leven ingedrongen was. Daarbij komt, dat onze tegenwoordige organisatie, afgezien van de vraag of zij wettig dan wel onwettig is ingevoerd, toch door allen, zij het onder voortdurend protest van meer dan ééne zijde, erkend en gehoorzaamd wordt. Aanvaarding van het historisch gewordene acht de Oommissie dus „conditio sine qua non" voor eene oploslossing van het kerkelijk vraagstuk.
In de tweede plaats had de Commissie zich rekenschap te geven van hetgeen in onze kerkelijke organisatie aanleiding is, dat het partijwezen in onze Kerk zich op eene voor het geestelijk leven zoo schadelijke wijze ontwikkelt.
Eene der voornaamste oorzaken, meent zij, schuilt in de tweeslachtigheid, die de organisatie kenmerkt. Van meet af was deze aangewezen op de vervulling van eene onuitvoerbare taak. Aan de besturen
toch is opgedragen hetgeen zij niet vermogen. Immers, zij zijn geroepen de leer te handhaven. Of deze in de Kerk leeft of niet, of nieuwe tijden nieuwe vragen op den voorgrond stellen, vragen, waaraan men vroeger niet kon denken, of de stand van het geestelijk leven bloei of achteruitgang aanwijst, dat alles doet niets af noch toe aan de taak der besturen, die voor de leer moeten waken
Voor meer dan zestig jaren sprak Groen van Prinsterer dan ook reeds uit, dat onvoorwaardelijke handhaving der formulieren in zijne dagen niet meer mocht worden geëischt, wijl hij inzag, dat de besturen daartoe niet in staat waren, al wilden zij het ook,
Nevens deze taak, om de leer te handhaven, hadden zij de gemeenten te besturen. Hoewel met betrekking tot dé belijdenis gebonden, stonden zij voor de werkelijkheid van het leven, zooals het zich in onze Kerk óók openbaarde in de verscheidenheid zijner schakeeringen op geestelijk gebied.
Tengevolge van tal van oorzaken, waarover wij ons hier niet behoeven uit te spreken, nam de verscheidenheid der richtingen sterk toe. Dit verschijnsel vertoonde zich niet alleen in onze Kerk, maar ook in heel het geestesleven van ons Nederlandsche volk. De afstand tusschen de leer der Kerk en hare levensuitingen werd steeds grooter. Zooals reeds gezegd is, bestond er ook onder het oude kerkrecht een afstand tussche-n die twee, waaruit ook toen rich tings verschillen opkwamen. Zou de Kerk misschien destijds in staat geweest zijn, de daaruit ontstane moeilijkheden te overwinnen, indien zij van den aanvang af zich vrij genoeg had kunnen bewegen? De veronderstelling is echter niet al te gewaagd, dat de groote worsteling der geesten veel vroeger tot scheuringen geleid zou hebben, indien de staatsmacht de vrije uitingen van het kerkelijk leven niet belemmerd had.
De aangeklaagden waren toen ook dikwijls de rechters, hoewel erkend moet worden, dat de vroegere organisatie voeling met het leven mogelijk maakte, terwijl de tegenwoordige deze vrijwel afsnijdt.
Van den aanvangt hebben de besturen er slechts naar gestreefd, botsingen te vermijden, en zij hebben feitelijk niet anders kunnen doen. Zij moesten wel tegemoet komen aan degeestesstroomingen, die ook in de Kerk nagistten. Maar uit den aard der zaak werden daarmede j uist de ge voeligheden opgewekt; de eene partij was van oordeel, dat de besturen in dezen te ver, de andere, dat zij daarbij niet ver genoeg gingen. Het gevolg moest in deze omstandigheden wel zijn, dat heel de organisatie voortdurend wrevel opwekte. Want hoeveel er ook in den loop der voorgaande eeuw in de verhouding van Kerk en Staat veranderde, toch is, ondanks de daaruit voor onze Kerk gevolgde vrijheid, de bestuursinrichting in wezen dezelfde gebleven.
Met de toename der richtingsverschillen moesten, bij de vrijheid der Kerk tegenover den Staat, de partijtwisten zelfs nog feller worden.
Dat zulk een proces niet straffeloos kan voortduren, behoeft geen betoog. De Kerk verliest op deze wijze haar beste levenssappen, daar onder deze omstandigheden telkens nieuwe groepen en groepjes zich ^an hare gemeenschap onttrekken.
Indien er dan ook van kerkelijke vrede sprake ^al kunnen zijn, acht de Commissie het volstrekt noodig, met de tweeslachtigheid van de taak der besturen principieel te breken, zóó, dat de mogelijkheid ontstaat, om al wat rechtstreeks betrekking heeft op het geestelijk leven der gemeenten over te brengen naar het gemeenteleven zelf. Dit bekome gelegenheid, zich zelf te organiseeren en eigen geestelijke belangen zoo te behartigen als het zal noodig oordeelen.
Het moet niet mogelijk zijn, dat predikanten of kerkeraden, die zich om des gewetens wille verplicht achten, de inschrijving in het lidmatenboek te weigeren van personen, wier overtuiging, naar zij meenen, in strijd is met de belijdenis der Kerk, zooals zij die opvatten en toepassen, toch daartoe gedwongen worden, en indien zij weigerachtig blijven worden afgezet, terwijl tal van andere reglementsverkrachtingen straffeloos bedreven worden.
En omgekeerd moet het ook niet mogelijk zijn, dat zij, die krachtens de organisatie de rechten van het lidmaatschap verkregen hebben, in het genot en gebruik daarvan worden belemmerd, omdat zij toevallig in eene gemeente wonen, welker hoofdrichting van de hunne verschilt.
Om aan deze moeilijkheden te ontkomen acht de Commissie, dat, in verband met en als gevolg van de aanvaarding van het historisch gewordene, erkenning van groepformaties (in het voorstel aangeduid met den naam van „gemeentekerk") noodzakelijk is. Daaronder verstaat zij, dat aan groepen van lidmaten de bevoegdheid kan worden toegekend, zich zelfstandig te 'constitueeren tot het regelen van eigen leven, zonder daarbij door anderen te worden gehinderd.
Het ligt voor de hand, dat alsdan de geestelijke taak van den kerkeraad, maar ook zijne verantwoordelijkheid met betrekking tot deze, dan reglementair erkende groepen wordt overgedragen aan de kerkeraden of besturen dezer gemeente-kerken. Zulk eene wettig erkende groep kan de vrijheid genieten, die zij behoeft, al blijft zij daarbij onderworpen aan de thans geldende bepalingen voor hen, die tot de Hervormde Kerk wenschen te behooren.
De Commissie is er van overtuigd, dat op deze wijze voor elke richting de vrijheid kan verkregen worden, die zij behoeft. Elk lidmaat kan zich dan aansluiten bij die groep, waartoe hij krachtens zijne overtuiging meent te behooren.
Is langs dezen weg de oorzaak van den partijstrijd weggenomen, dan ontstaat de gelegenheid, dat zij zich inspannen, om elkander te overtreffen in de openbaring des geestes en der kracht.
III.
Hetgeen de Commissie als uitgangspunt van haren arbeid aanneemt, sluit dus mettertijd de mogelijkheid in, aansluiting aan het zich in de gemeenten ontwikkelend geestelijk leven te verkrijgen.
Ter aanbeveling van dit beginsel zij er ' op gewezen, dat het door het leven zelf reeds ' spontaan, zij het dan nog op onvolkomen ' wijze, in toepassing werd gebracht. Im-' mers, op tal van plaatsen ontstonden van orthodoxe zijde z.g n. evangelisaties, van vrijzinnige zijde vereenigingen. Tot nu toe misten deze de sanctie van het reglement. Dit gaf eenerzij ds aanleiding tot veelvuldige ontduiking van reglementaire bepalingen, en verhinderde anderzijds de bediening der Sacramenten.
Het is eene tegenstrijdigheid, dat zulke groepen tegenover de geordende prediking wel eene afzonderlijke bediening des Woords mogen stellen, terwijl bediening der Sacramenten verboden blijft. Toch kan men niet ontkennen, dat dergelijke vereenigingen van gelijkgezinden zeer nuttig werk deden voor eene dikv^ijls belangrijke minderheid, wier geestelijke behoeften door den plaatselij ken kerkeraad niet vervuld konden worden.
Bovendien lokt toepassing van dit beginsel aan, omdat, naar het oordeel der Commissie, daarvoor geen e al te diep ingrijpende wijzigingen in het reglementaire systeem noodig zullen blijken, terwijl toch wettelijk verband met het zich gestadig wijaigend leven mogelijk gemaakt is.
De vrees, dat zich op deze wijze in den boezem der Herv. Kerk allerlei secten zouden kunnen-vormen, acht de Oommissie ten eenenmale ongegrond. Immers al de thans geldende bepalingen in zake de toelating tot het lidmaatschap der Kerk blijven volkomen onaangetast. De zich constitueerende groepen moeten zich dus binnen het tegenwoordig kader bewegen, zooals dit ook thans met de onderscheidene richtingen het geval is. Bovendien is alle willekeur uitgesloten, daar toch zonder het toezicht der hooge besturen de groepformaties noch tot stand kunnen komen, noch haar leven kunnen regelen.
Ook het bezwaar, dat door de invoering van het beginsel der „gemeente-kerken" het krakter der Herv. Kerk als Kerk zou worden aangetast, acht de Commissie geheel denkbeeldig. Het is bekend, dat de, onder de tegenwoordige organisatie met elkander worstelende, partijen elk toch onder het ééne woord „Kerk" een eigen kerkbegrip noemen. Eén der oorzaken van de heerschende verwarring in den strijd over de Kerk is zeker wel de gedachtenlooze wijze, waarop men dit woord gebruikt. Elke partij verstaat iets anders daaronder, terwijl men nalaat, zich daarvan rekenschap te geven.
Ook nu heerscht er dus de grootste verscheidenheid tusschen de verschillende partijen in zake kerkbegrip. Indien het beginsel, door de Commissie voorgesteld, mocht worden toegepast, dan zou ook in dat opzicht weinig veranderen. Elke groep zou in overeenstemming met eigen kerkbegrip de Kerk blijven beschouwen, zooals zij ook nu reeds in beginsel meer of minder doet.
Het ligt voor de hand, dat in alle gemeenten van eenigen omvang het vooral de minderheden zijn, die aan vryheid behoefte hebben. Behalve van het stemrecht en het recht, om hunne medeleden, behoorende tot de meerderheid, te ergeren, zijn zij van vrijwel alle rechten verstoken. Voor hare geestelijke belangen, zooals de minderheden deze verstaan, zorgt de meerderheid niet. De mogelijkheid, dat zij voor zichzelven zorgen, is in de reglementen niet, althans bij lange na niet genoegzaam voorzien. Ons kerkrecht gaat uit van eene voorstelling der gemeenten alsof zij nog een geestelijke eenheid vertegenwoordigen. Sinds vele tientallen van jaren is dat in de werkelijkheid niet meer het geval.
In deze omstandigheden hebben de minderheden getracht, zichzelf te helpen. Is daaruit soms het goede voortgekomen, toch zijn er hier en daar toestanden uit geboren, die óf een ziekelijk sectarisme óf totale onverschilligheid voor alle godsdienstige belangen hebben veroorzaakt. De geestelijke schade, daardoor aangericht, is ongetwijfeld groot, en dreigt, zonder afdoende maatregelen, nog veel grooter te worden. Dat de minderheden eene erkenning harer rechten door de besturen erlangen, is onafwijsbare eisch, maar uit den aard der zaak mag deze rechtserkenning niet tot stand komen ten koste van de levensbeginselen der andere groepen. Dan zou de rechtserkenning der minderheden weer leiden tot nieuwen beginselstrijd.
Kerkelijke erkenning der minderheden en verlossing uit de stiefmoederlijke behandeling, die zij ondergaan, zijn dan ook alleen bereikbaar door vrijheid van beweging voor de onderscheidene richtingen mogelijk te maken.
Bij toepassing van het door de Commissie voorgedragen beginsel is zulks ongetwijfeld uitvoerbaar.
De bezwaren ertegen zijn óf ingegeven door de meening, dat slechts ééne groep bestaansrecht heeft, en dus een gevolg van de weigering, om de historisch geworden toestanden te aanvaarden, óf volkomen denkbeeldig. Immers, het beginsel, door de Commissie voorgedragen, verandert aan de werkelijkheid van het kerkelijk leven niets, maar wil daarmede alleen gerekend zien. In elk geval worden op deze wijze de ernstigste moeilijkheden uit den weg geruimd, en komt een einde aan den steeds voortwoekerenden partijstrijd. Deze toch, gegeven ook den politieken achtergrond van menig kerkelijk belang, zal ten slotte den volkomen ondergang der thans bestaande Hervormde Kerk ten gevolge moeten hebben. En die ondergang zou uit meer dan één oogpunt te betreuren zijn,
IV.
Wat de invoering van het hier aanbevolen beginsel betreft, deze zal geen stoornis in ons kerkelijk leven verwekken. Alle besturen blijven volkomen wat zij zijn. Alleen hebben zij in veel mindere mate te doen met de moeilijkheden, uit de richtingsverschillen geboren. Bovendien zal volledige toepassing ervan slechts geleidelijk plaats hebben.
Gewetensbezwaren kunnen daaruit voor de heerschende meerderheid niet voortkomen. Elke „gemeente-kerk" toch zal zelve aansprakelijk zijn voor de beroeping harer leeraren, van wier diensten zij alleen gebruik maakt.
Zoolang de gelegenheid voor volledige rechts verkrijging nog niet gekomen is, moet de minderheid natuurlqk in hare eigene behoeften voorzien.
Bovendien zal blijken, dat toepassing van het beginsel leiden moet tot groote vermeerdering van het aantal predikanten, daar de gemeente-kerken, eenmaal ontstaan, zich ook zullen beijveren, zooveel mogelijk in hare behoeften te voorzien. De gemeente zal in elk geval beter dan tot nu toe leeren beseffen, welke verplichtingen op haar rusten in zake de behartiging harer geestelijke belangen.
Ook het mededragen in de gemeensghappelijke lasten zal er door veraangenaamd worden. Toestanden als nu heerschen, waarbij tal van menschen des noods met den sterken arm gedwongen worden, in de lasten bij te dragen, zonder dat de toevallig heerschende meerderheid in kerkeraad of kiescollege zich iets aan hunne geestelijke belangen laat gelegen liggen, zullen ophouden.
Het zal niet meer mogelijk zgn, dat een toevallige meerderheid in kerkeraad of kiescollege, dikwijls op weinig geestelijke wijze verkregen, eene zeer groote minderheid in de gemeente van alle geestelijke bearbeiding berooft door uitsluitend predikanten van eigen kleur te beroepen.
De verschillende groepen zullen zich zelf kunnen helpen, en de predikanten, die zij beroepen en salarieeren, zullen als predikanten volgens het reglement kunnen worden erkend, en mitsdien de rechten, daaruit voortvloeiende, kunnen genieten.
Het gemeenschappelijk gebruik der kerkgebouwen, inzonderheid waar slechts één kerkgebouw is, zal in den aanvang allicht de schaduwzijde van het ongewone hebben. Toch is ook dit van zeer weinig beteekenis. Het zoogenaamde „sinmltaneum" (se. religionis exercitium) is geene nieuwigheid en uit beginsel-oogpunt volkomen onschadelijk. Zelfs Roomsch-Katholieken hebben zich daarvan bediend. In meer dan eene plaats is het in gebruik, zonder dat daaraan eenige ergernis genomen wordt. En waar tot nu toe zoovele verscheidene richtingen, zij het dan ook gedwongen en met weerzin, onder één kerkverband leven, ja zelfs recht hebben op het gebruik derzelfde Sacramenten, kan gemeenschappelijk gebruik van een gebouw allerminst bezwaar hebben. Schikkingen op dit gebied zal men gemakkelijk kunnen treffen.
V.
Uit den aard der zaak ligt het niet op den weg Uwer Commissie, in bijzonderheden na te gaan, welke reglementswijzigingen bij de invoering van het door haar voorgestane beginsel noodig zullen blijken. Slechts veroorlooft zij zich op enkele punten de aandacht te vestigen.
De bepalingen aangaande tucht zullen herziening behoeven, voor zoover tuchtoefening naar de „gemeente-kerken" zal worden overgebracht.
In de tweede plaats zal, daar deze „gemeente-kerken" tot verzorging van hare armen geroepen zijn, eene regeling getroffen moeten worden met betrekking tot hetgeen zij daarvoor uit de inkomsten der diaconie verkrijgen zullen.
En in de derde .plaats zal men zich rekenschap moeten geven van de vraag naar de benoembaarheid tot leden der verschillende besturende colleges van hen, die in de besturen der „gemeente-kerken" zitting hebben.
Deze, en misschien nog enkele andere punten, zullen overwogen moeten worden, om het beginsel der groep-formaties volledig in het stelsel der kerkelijke wetgeving op te nemen,
VI.
Aan het slot van hare toelichting gekomen, kan do Oommissie toch niet eindigen, zonder er op te wijzen, dat de invoering van werkelijk doeltreffende maatregelen eene levenskwestie voor onze Kerk is. Niet eindeloos kan zich dé twisting der partijen voortzetten. Zonder veranderingen, die de aanpassing aan het leven mogelijk maken, zullen alle pogingen tot bevrediging mislukken.
Ter wille van den welstand onaer Kerk, den opbloei van het geestelijk leven, bovenal ook om de eere van den Naam des Heeren in ons volksleven, hoopt de Oommissie, dat haar voorstel in beginsel de goedkeuring Uwec^ HoogEerwaarde Vergadering moge wegdragen.
Geve God U, Hoogeerwaarde Heeren, wijsheid bij Uwe beraadslaging over dit hoogst gewichtig onderwerp, opdat zij strekke tot de voorbereiding eener betere toekomst, zoodat, wordt een tweede eeuwfeest aan de tegenwoordige organisatie beschoren, dit inderdaad een feest zij, door de geheele Kerk met vreugde begroet.
De Commissie voornoemd,
S. D. V, VEEN,
Voorzitter.
H.VISSCHER
Secretaris.
T.CANNEGIETER.
P, E. DAUBANTON.
J. A, C. V, LEEUWEN.
H. TH. OBBINK,
Utrecht, Mei 1916.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's