De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Sticbtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sticbtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Ik maak den vrede en schep het kwaad; Ik, de Heere, doe al deze dingen, Jes 45 : "7b.

„Ik maak den Vrede"

Heel deze wereld is één schouwplaats van Gods groote daden Alom, waar ge 't oog maar wendt, moesten ons aangrijpen en boeien de teekenen van Gods immerwakend alvermogen, maar wij mensctien zijn zoo schreiend-arm aan opmerking voor wat Gods hand rondom ons werkt. De hemelen vertellen "^Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk; de dag aan den dag stort overvloedig sprake aif, en de nacht aan den nacht tooat wetenschap. Zgne al dragende Mogendheid leidt de zon langs haar baan en bekleedt 't wegschuilend veldbloemke met de schoonste tinten.

Bij de sprake van Zijne sparende Voorzienigheid voegt zich de stem Zijner gerichten, die den dichter doet uitroepen:

Gewis daar is een God, die leeft En op deez' aarde vonnis geeft.

Het tweetal jaren van oorlog^ammer is vol-Schroeiend en zengend gaat de ademtocht van Gods oordeelen over den tevensakker der volken.

Twee jaren reeds vloeit het eêlste bloed bij stroomen. Ach, wie telt de ontroerende som der kostelijke menschenlevens saam, die wegzonken in de massa-graven der slagvelden. Wild en wreed slaat de sikkel des doods in het opgaande koren van den volkerenakker. Steeds verder brokkelt de trotsche tempel der Beschaving weg, waarin schier al wat groot is onder de volken neerknielde, na den levenden God verlaten te hebben. Op gzingwekkende wsze leed de wgsheid dezer wereld schipbreak, die zich spottend had afgewend van het teeken des kruises. In 'n «ceaan van bloed smoort de kreet der g delheid weg: laat ons eten en drinken en vroolgk zgn. Maar van terugkeer tot God hoort men niet; al meer en meer Igkt het bloedig treurspel zijn klem op de conscienties te missen.

Van uit de landen, waar de krgg woedt, vangt men geen gerucht op, dat meldt, hoe de volken gerechtigheid leeren; 't is ééne aanbid iing van 't stalen geweid, één verguizen van den ander, toch ook schepsel Gods. Wij zien de volken rondom ons beladen met den centenaarslast van rouw en druk, maar zij betreden niet den , weg die tot inkeer, tot Golgotha, tot God i leidt.

En wij ? Er is oorzaak, wanneer ge den levenstoon beluistert onder ons volk, om vanaf de bloeddoordrenkte oorlogsvelden de oude vraag te doen uitgaan: gaat 't ulieden niet aan, gij die op den weg Toorbggaat? Het is een zinnen en pogen in toomelooze zelfzucht om den rampspoed des anderen dienstbaar te maken aan eigen verrijking; velen klagen over verzwaring van den levenslast, maar voor de ontzaglijke Godsspraak is geen aandacht. Noch in den. weedom, die anderen neerslaat, noch in 't sparend meedoogen, dat ons omtuint, wordf Gods vinger opgemerkt. Als de ontroerende ernst onzer  dagen ons niets te zeggen heeft, dan zal zij tegen ons getuigen. '

En hoe weinigen zijn 't, die in de binnenkamer den nood onzer tijden voor Geds aangezicht uitbreiden! Tot pulver vergruist deze geweldige tijd de langgekoesterde idealen van veldwinnende cultuur en veredeling, die der menschheid de gouden eeuw zouden naderbrengen; \waar zijn zij, die ervan leerden hartgrondig met den psalmist in te stemmen:

Zalig hij, die in dit leven Jakobs God ter holpe heeft!

Zoo gaan de dagen voorbij, en wij leeren niets, terwijl twee lange jaren van schokkenden jammer één aangrijpend commentaar leverden op 't woord der Schrift: "Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen.

Komt, leggen wg nog 't oor te luisteren naar de Godsspraak, en zoeken wij zoo antwoord op de bange vraag: hoe lang, Heere ?

Ik. de Heere, doe al deze dingen: ziedaar de slotsom, waartoe wij moeten komen; de groote les, die ons van nature ontbreekt en die wij toch zoo noodzakelgk : moeten verstaan. Zonder dat, staan wij blind op de schouwplaats van Gods groote werken in natuur en genade. Dan zijn : we zonder toevlucht en dekking, als 't ; leed ons genaakt. David begeerde te vallen in de handen zijns Gods, en dat is ook van alles verre 't beste.

Mag die waarheid: , , Ik, de Heere, doe; al deze dingen" tot ons hart doordringen, dan ligt er een wondere kracht ter bemoediging en ter geruststelling in: nooit zijn we dan de speelbal van zonde of Satan, van wereld of menschen, immers God regeert. Alles ligt in Zijne hand, onder de macht van Zijn albestier, en zoo kunnen ons alle dingen medewerken ten goede. Gode ontgaat niets. nooit ontglipt hem de teugel: geen macht ter wereld verdringt Hem van Zgn plaats aan het roer, op den troon. Als de last zwaar wordt, 't pad steil en de doornen tairgk; als de branding loeit en de stormwind ons voortzweept; als de levensbeker van alsem bitter wordt, en de wonden diep schrgnen, de aanvechtingen vele en de vganden fel; als de weg eenzaam wordt, het huis ledig en de wanden der woning met rouwfloers behangen; als de dag ten avond neigt en de kracht verwelkt, o dan is er geen troostrijker woord dan wat de Vader, die in de hemelen is. Zijn zwoegend kind toeroept: Ik, de Heere, doe al deze dingen.

Al deze dingen; in 't voorafgaande is sprake van licht en duisternis, van vrede en kwaad.

Om met 't laatste te beginnen: Ik schep hef kwaad. Niemand leide hieruit af, dat , God de auteur der zonde ion zijn; dan zou dit woord in strijd zijn met heel de overige Schrift, en dat is uitgesloten. Hier is bedoeld niet 't kwaad der zonde, maar 't kwaad der straf, waarmede niet gezegd is, dat 't ontzaglijk zondefeit ontsnapt aan: Gods bestier, dat over alles gaat. Daarop behoeft hier niet verder ingegaan, wgl hier slechts sprake is van 't stoffelgk kwaad; de levensdruk en 't kruis der smarten; de last der tegenheden; krankheid en pijn; rouw en dood; branding en noodweer; oorlog en pestilentie; honger en zwaard, en d.g.l.(dergelijke).

In dit alles is een werk Gods; ook een ; werk der menschen, en gevraagd naar de verhouding dier twee, antwoorden we met verwijzing naar 't schoone woord uit  Art. 13 onzer Geloofsbelijdenis, , , dat Gods ' macht en goedheid zoo groot is en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddeloozen onrechtvaardiglijk handelen."

Hierbij vergeten we niet, dat er zonder zonden ook geen zonden zouden zijn; de zonde heeft den weg gebaand voor den dood, die tot alle menschen is doorgegaan. Neem b.v. den oorlog, die zoo lang en vreeselijk woedt. Ook van dat  geldt ''t woord des Heeren: Ik schep het kwaad, hoewel niemand ontkennen zal, dat menschen verantwoordelijk zgn voor dit schrikbedrijf en de volken door hun afkeeringen van God zelf den weg hebben geëffend voor dezen nameloozen jammer. Zonde slaat wonde! Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toorn, beleed David. En toch zegt de Heere: Ik schep het kwaad, en daarvoor leert Hem danken al wie met David begeert in Gods hand te vallen, want nu is 't mogelijk, dat eens de dag aanbreekt, waarop 't gedrukte volk belijdt: 't Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest! Nu zijn de levensjammeren nog bemoeienissen, die God met ons maakt; nu zijn ze als 't bitter medicijn, dat door de krankheid noodig werd, maar door den heelmeester werd beschikt.

Gg ligt met al de veelheid uwer tegenspoeden in de hand uws Gods, Die weet wat gg van noode hebt. En wanneer duizend dooden langs n.we ziel kruipen. de angsten der hel u in 't schrikdalder ontdekking omvademen, geslingerd wordt in de afgronden van 't zielsberouw of in de diepe kolken der bekommering vanwege uwe zonden, dat geldt ook van dat kwaad, dat de Heere 't schept, en in 't eind leert ge er Hem voor danken: ik dank U, Heere, dat Gij toornig op mij geweest zgt, maar Uw toorn is afgewend !

Ook zegt de Heere: lk maak den vrede, en vinden wij daarin niet 't antwoord op de vraag: hoe lange nog?

Niet slechts de heilzame druk, ook de bemoedigende weldaad komt van Hem. Die 't al regeert. En Zgne Vaderlgke goedheid houdt ze beide in 't evenwicht Zgner ondoorgrondelgke Wijsheid: Ik maak den vrede: om de wonden strengelt Hg de in balsem gedrenkte windselen Zgner gadelooze ontferming. Hg doet smart aan en Hg verbindt; daarom getuigt de profeet: Uw toorn is afgewend j en Gij troost mg; daarom is 't zoo goed in Gods handen te vallen.

Beide, het kwaad en de vrede worden door God beschikt; op Gods tgd, en niet eerder, breekt de spannning van den druk, opdat de ziel zal worden gesteld in de vrgheid der heerlijkheid van Gods kinderen.

Ik maak den vrede: Op dat woord kunnen wij niet genoeg acht geven Vrede is hier inbegrip van alle weldaad, van al 't goede, dat God schenkt. Dat heeft zin, Waarlijk, wij in onze dagen vatten 't, dat dat woord vrede dienst kan doen als saamvatting van al wat begeerlijk is. 'n Heimwee naar den vrede vaart door 't hart der volkeren; hier wordt de weg gewezen waarlangs deze weldaad hooggeprezen moet worden gezocht en op Gods tijd ook zal worden gevonden. Ook daarvan geldt: Vest op prinsen geen betrouwen' Zoover ons oog reikt, breekt  geen enkel lichtpunt den zwarten horizont van geweid en verschrikkingen; geen spoor valt nog te ontdekken van de duive, die den olijftak des vredes over de fel bewogen wateren zal aandragen. Maar Hij, die de dingen roept die niet zijn, alsof zij waren, Hij, wien geen ding te wonderlijk is, zegt: Ik maak den vrede; o laat dan onder alle volk alle ziel, die bidden geleerd heeft, den genadetroon van dezen Oppersten Koning aanloopen, om vrede!

Een ernstige wenk ligt hierin ook voor ons volk; Hij, die den vrede maakt. Hij is 't ook, die hem bewaart en bestendigt; laat ons dat opmerken, opdat wij den Heere de eere mogen geven en niet den menschen; opdat wij allen saam erkennen mogen: Heere, wij zijn geringer dan al Uwe weldadigheid en trouw; opdat ons gebed tot Hem rijze, dat Hijg ons ook voorts den vrede beware, niet doende naar onze zonden! Want wordt deze weldaad des viedes niet alle dagen menigwerf verbeurd?

Ik maak den vrede en schep hef kwaad; Ik, de Heere. doe al deze dingen: o laat er opmerking geboren worden, opdat wij verstaan wat ons de Heere te zeggen heeft! Kome er inkeer en schuldbelijden! Als 't dwaalspoor verlaten werd, wordt de druk verlicht!

En beperken wij den zin van dit woord niet tot de verhouding der volken; 't heeft wijdere strekking; de Heere maakt ook den vrede des harten, die alle verstand te boven gaat! Alle echte vrede is is een werkstuk van Gods almacht; de duivel, de wereld en 't eigen hart kweeken valschen vrede, nooit echten; want ons binnenste wezen is vergiftigd door de kiemen van haat tegen God en vgandschap tegen den naaste.

Vrede is Gods werk; allermeest de vrede des harten met den Eeuwige zelf; maar die vrede is in bloed en branding geteeld; daartoe heeft Hg, Die 't geen roof achtte Gode evengelgk te zgn, zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid toe; daartoe is Hg, die geen zonde gekend heeft, zonde gemaakt, want de vrede, dien God maakt, is altgd .Vrede door Recht." Geen verzoening zonder voldoening'

Sion wordt door recht verlost. Duur was de prijs voor dien vrede betaald; God heeft hem gemaakt door 't bloed des kruises van Jezus Christus. Ja waarlgk, deze vrede is een werk Gods: in den grondslag, want die werd gelegd in den eeuwigen Vrederaad; in de verwerving, want die geschiedde door de zelfofferande van Immanuel aan 't kruis; in de toepasging, want die wordt bewerkt door den eeuwigen Trooster, den Heiligen Geest, die 't al uit Christus put.

En zoo wordt deze vrede een wonder van almogend ontfermen. Nooit kwamen wij er uit ons zelf toe de vaan van den opstand te strijken en om vrede te vragen: eer zouden we tandenknarsend ondergaan in een eeuwig verzet tegen den levenden God.

Wèl een wonder, en welk een; dat den tweespalt des harten met God verzoent. Die vrede was de weelde van het Paradijs, die met 't Paradijs verloren ging en verloren blijft, tenzij God zich ontfermt.

En dat heeft Hij gedaan; want dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, (ook de uwe, bekommerde ziele, die schreiend zucht om vrede met God), dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. Vrede is een weldaad, die slechts wordt gelegd in smeekend-opgeheven handen. Dat het gebed vermenigvuldigd worde om den vrede der volken, maar bovenal om den vrede met God, die alle verstand te boven gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Sticbtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's