Uit het kerkelijk leven.
Het veegste.
Nog steeds zijn vele Geref. Kerkbodes in rep en roer over de snoodheid van Prof. Visscher, die het wagen dorst de geestelijke inzinking aan de kaak te stellen en critiek te oefenen op wat men den schoonsten bouw achtte, door de Geref. actie buiten de Herv. Kerk voortgebracht, nl. de Vrije Universiteit. De komische kant ontbreekt daarbij natuurlijk ook niet. Zoo wordt eene bespotting van de onbescheidene opmerkingen van den Haagschen Dr. Schokking, op het voetspoor van een al te haastig liberaal krantenschrijver, door den Heer Dr. Kuyper Jr., Geref. pred. te Rotterdam, waarlijk geheel au sérieux genomen en daarover een boom opgezet op eene wijze, die duidelijk uitwijst, dat deze broeder per se eens wat zeggen wil aan ons adres. Zelfs de gevangenissen en de vervolgingen, van 1834 natuurlijk, worden er bijgesleept, alsof deze broeder zelve er onder geleden heeft. Ik zeg natuurlijk van 1834, want de menschen van '86 hebben daar al zeer weinig onder gebukt gegaan. Wat ook van zelf spreekt, de bitterheid wordt niet of slechts met groote moeite verborgen. Daaruit blijkt wel, dat er zeer gevoelige plekken van het kranke lichaam der Geref. actie zijn aangeraakt. En de vraag moet rijzen, of er soms niet een afgod wat al te hard werd aangepakt. De ervaring leert, dat niets meer prikkelt, meer bittere ergernis wekt, dan juist een omvergeworpen afgod. Maar wat in heel deze beroering ons een veeg teeken schijnt, is dat niets bij deze broederen beluisterd wordt van den toon, dien Ezra hooren liet, toen hij de geestelijke verwording van zijn volk en het verloop der beginselen aanzag. Er wordt geen klacht geslaakt: „mijn God I ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God! want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden tot aan dn hemel." Geen spoor daarvan.
In de plaats van schuldbelijdenis en erkenning der waarheid, die zij immers zelven niet kunnen ontkennen, hebben zij slechts verwijten en smadende woorden aan ons adres. Dit is daarom zulk een veeg teeken, wijl er uit blijkt, dat het kwaad nog dieper invrat, dan vermoed kon worden Vooral in zekere kringen doet het zich gelden. De groep der vroegere afgescheidenen heeft zich van meet af door een geestelijke kracht onderscheiden, door eene godzaligheid, die eerbied afdwong En wij aarzelen niet te erkennen, dat zich nog in die kringen het gereformeerde leven het zuiverste bewaarde. Zij zijn het ook niet, die nu zoo hard roepen en luide afkeuring te kennen geven. Het zijn juist een ander soort menschen, die zich beklagen over onrechtvaardigheid en onbillijkheid, misschien wel omdat zij meer dan anderen het type der verwording dragen Uit den aard der zaak ligt het niet op onzen weg van dat geschetter steeds notitie te nemen. Immers de zaak zelve verbetert door die bitterheid niet. Zij is geen bewijs van kracht, maar van zwakheid, geen bewijs van onschuld, maar van schuld, geen bewijs van bekeering, maar van verdwazing. En dat is het veegste.
Politiek.
Dat Ds. Landwehr van heel den modus vivendi niets begrijpt, merkten wij reeds een vorigen maal op. Hoe waar dat is, werd ons deze week nog weder bevestigd in eene beschouwing van dien broeder over Parochie-kerken en gemeente-kerken.
Natuurlijk denken wij er niet aan hem uit den droom te helpen. We willen alleen opmerken, dat als de Cock had kunnen verkrijgen hetgeen in den modus vivendi geboden wordt, hij zeker te goed Gereformeerd was geweest om zich af te scheiden. •
Waar wij echter wel op komen, dat is het volgende. Ds. Landwehr zegt: „er zit in dezen modus vivindi niets dat aantrekt. Er zit geen geloofsmoed in. Er is niets in dat tot de gemoedereu spreekt. Het is louter geschipper. En met geschipper vangt ge echt, ^Gereformeerde menschen niet."
Dat nu een eenvoudige in den lande als „de druktemaker", waarover onze penningmeester de vorige week schreef, zoo praat, is begrijpelijk. Maar dat iemand als Ds. Landwehr, geconfijt immers tot in de bronnen der kerkhistori« toe, zoo spreekt, dat is onnoozel of politiek of beide, maarzeker geen vrucht ^^pn geloofsmoed. Het wekt de vrees, dat hij niet slechts van den modus vivendi, maar ook van zijn eigen kerkelij ken weg, geen juist begrip heeft. Laat hij slechts oprecht deze vraag beantwoorden, : Werkte in het feit, dat de doleantie, kort nadat de scheiding was afgestriemd en verfoeid, haar als een lieve bruid ten altaar voerde, meer geloof of meer politiek? En indien het laatste, wat doet Ds. Landwehr dan in de kerkgemeenschap, die geboren werd uit een gekoppeld huwelijk, dat bovendien nooit erg gelukkig is geweest ? Laat Ds. Landwehr dan terugkeeren tot de lijn van de Cock, want dat is zeker, in diens actie zat minder politiek en meer geloof.
De Modus-vivendi.
Niemand die het ernstig meent met Gods Woord zal, ziende op ons huidig kerkelijk leven, optimistisch kunnen gestemd zijn. Men moet de gebeurtenissen van den laatsten tijd maar eens voor den geest laten voorbijgaan: hoevele gereformeerden zijn uit de Kerk geworpen; vroeger en nu ?
Sinds 1816 is het steeds geweest een benauwen en plagen van de gereformeer den. En omdat het gereformeerd beginsel naar vrije ontplooiing vraagt en niet dulden kan gekortwiekt te worden — dat kan 't niet dulden om de wille van de eere Gods, die een jaloersch God is — moeten de gereformeerden steeds het loodje leggen en kwamen zij er 't slechtst af. Dat is gebleken met al de protesten der gereformeerden van 1816 en volgende jaren. Dat is gebleken in 1834 en in 1886. En nog altijd snijdt het ons door de ziel als we er aan denken dat de Buddhist Dr. Bahler vrijuit ging en mannen als Ds Paauwe en Ds. Keek zijn gO' schorst en uitgebannen.
Is het niet in-treurig?
En men moet nu de verslagen van de vergaderingen der Synode maar lezen, bizonder waarin gehandeld wordt over „het Evangelie van Jezus Christus", dan vervult diepe smart ons harte, dat wéér gezegd is, dat men zich niet bemoeit met de zorge voor de zuiverheid van de evangelieprediking; dat men wéér gezegd heeft, dat eigenlijk ieder vrij is om te verkondigen wat men wil.
Ja — wel moest de President van de Synode een gat in de lucht slaan en misschien wat buiten de orde gaande, maar toch kloek handelend, uitroepen: maar weten de heeren dan nu, nadat 1900 jaar het Evangelie verkondigd is geworden, nog niet wat onder dat Evangelie van Jezus Christus te verstaan is?
Is het geen spot voor héél Nederland, voor héél de Christenheid, dat de Synode van de Nederlandsche Hervormde Kerk in deze met een mond vol tanden zit en dat o. a. de secretaris der Synode sarcastisch en smalend durft spreken over allen die zoo vurig begeeren, dat in de Ned. Herv. Kerk niet anders zal verkondigd worden dan het Evangelie, dat ons in Gods Woord is geopenbaard?
Daar staan we nu met ons honderdjarig protest!
Daar staan we nu met ons organiseeren, confereeren en adresseeren.
Met 10 tegen 9 stemmen worden degenen, die in eenvoudigheid voor de waarheid naar Gods Woord wenschen op te komen, altijd met modder gegooid. En als het gaat over de rechten van de Walen of over de plaats van dit of dat in het midden van ons kerkelijk leven, dan gaan de sluizen der welsprekendheid open; dan spreekt men in 't Hollandsch en in 't Fransch hartontroerende woorden en men bezweert bij hoog en bij laag dat de Synode toch recht zal doen — met gunstig gevolg.
Over den Christus Gods ontfermt men zich niet. Of Hem de kroon der eere ontrukt wordt, dat ontroert de ziele niet van degenen die in het hoogste Bestuurscollege zitten. En die personen zitten daar als „gevierde" personen.
Terwijl als de een verdwijnt zijn opvolger reeds is aangewezen!
Het-is een kliekregeering. En dat weet men en dat ziet men; maar met allerlei drogredeneeringen weet men het te bedekken en te verbloemen en door misbruik te maken van z'n macht weet men steeds weer te verhinderen, dat er veranderingen ten goede komen.
Inplaats dat men daar in de Synode voelt dat het mannenwerk is om mee te helpen tot een algeheele verandering — zit men als kwajongens knusjes te grinniken en in z'n vuistje te lachen als het weer blijkt dat tegen dat domme „de helft plus een" alles wat goed bedoeld is te pletter stoot.
Neem Kerken. de positie van de Waalsche
Wie voelt het niet, dat het grootelij ks onrecht is, dat het luttel klein aantal van luttel kleine Waalsche Kerken evengoed 2 afgevaardigden zendt naar de Synode als b.v. de provincie Zuid-Holland.
Zuid-Holland telt 750, 000 Hervormden. De Waalsche Kerken saam nog geen 10, 000.
Voelt ieder niet, dat het kant noch wal raakt, dat nu de gemeenten van I Zuid-Holland saam 2 afgevaardigden mo-I gen zenden en dat de Waalsche Kerken evenveel vertegenwoordigers hebben ?
Maar omdat er nu achter zit, dat men ' een modern heertje kwijt raken of er een orthodox mannetje bij krijgen zou als men de Walen wat minder of Zuid-Holland wat meer gaat geven, dèarom is men zoo laf en zoo kinderachtig om het onrecht te bestendigen — waarbij men, ! vooral van moderne zijde, een heel deftig ; en braaf gezicht zet om te bewijzen dat ' men de dingen o! zoo hoog opneemt.
Maar om dan direct daarna in z'n vuistje te lachen, zooals een groote straatbengel lacht als hij de pet van z'n kleinen confrater stuk getrokken heeft.
't Is een walgelijke comedie daar in Den Haag! En dat blijft zoo, tot dat we met elkaar op een algeheele verandering der dingen aansturen, waarbij dan ten minste de beginselen eerlijk en vrij tot uiting kunnen komen.
Langs den weg van protesteeren en adresseeren gaat het niet.
Langs den weg van verandering te brengen in de samenstelling van de Synode ook niet.
Men heeft ons nu lang genoeg een kool gestoofd en om den tuin geleid.
De Synode heeft nog geen lust om zich zelf op te hangen. Al is ze hónderd jaar oud, ze heeft nog geen zin om uit te stappen, 't Zit daar lekker en goed in Den Haag!
En dat was in 1914 zoo toen er 13 orthodoxen en 6 modernen zaten; dat was in 1915 zoo toen er 12 orth. en 7 modernen zaten; dat is in 1916 zoo nu er 11 orth. en 8 modernen zitten Ook zal dat in 1917 zoo zijn als ook dé, n 11 orih. en 8 mod. zitting zullen hebbeu (Zeeland 2 leden en N.-Br. en Limb. 1 afgev). En als in 1918 de verhouding 12 orth. en 7 mod. of in 1919 de verhouding weer 13 orth en 6 mod. zal wezen (N - HoU 2 mod. Gron. 2 mod. Dr. 1 mod. en de W. C. 1 mod ; als ten minste N.-Br. en Limburg orth. blijft) dan zal het altijd en altijd weer 't zelfde zijn en blijven: de Synode spaart zich zelf, ook al gaat de Kerk verloren. En al zou men 't eene jaar bijna tot verandering gekomen zijn, dan zal de Synode van het volgende jaar wel zorgen, dat alles weer ongedaan wordt gemaakt en dat alles wee? , 't zelfde blijft.
We hebben het gezien met de geesten-hoofdzaak-kwestie Er was vóór en tijdens en n& de groote Haagsche vergadering een zeldzaam hartelijke overeenstemming en samenwerking tusschen allen die we rechts-orthodox willen noemen.
Slotemaker de Bruine, Riemens, Lütge, Kromsigt, Locher, enz trokken met de Geref. Bondsmannen op alsof er niet 't minste verschil in theologicis tusschen hen bestond. En uit het midden van de Kerk ging een krachtige stem op, welke stem men in Den Haag in de vergadering van de Synode hooren kon.
Maar zooals men vroeger Ds. Moorrees van Wijk met z'n adres met bijna 9000 handteekeningen heel kalm buiten de de deur zette, om zich daarna zelf nog weer eens extra in_ z'n synodale stoel vast te zetten, zoo heeft men ook in 1914 en 1915 gedaan. En in 1916 geeft men ons nog even een schop na, op COBQmando van een orthodoxen secretaris én orthodoxe leden.
't Is om wanhopend te worden!
Waarbij de moderne heeren aanstonds te kennen geven: „ging je maar heen; liever vandaag dan morgen; we kunnen je missen als kiespijn; 't zal héél opluchten !"
Prachtig!
Een ideaal toestand!....
Waarbij we niet anders kunnen getuigen dan: er moet verandering komen!
Er moet verandering komen. Zooals het nu is en nu gaat, kan en mag het niet langer blijven. Daarover zijn allen die op den bodem der Schrift staan en hartelijk instemmen met onze belijdenis, het roerend eens. Jammer, dat dit zoo dikwijls weer vergeten wordt en dat men dan weer gaat praten en handelen alsof het toch eigenlijk nog zoo heel erg niet is. Neen! het is schrikkelijk erg. 't Is onhoudbaar. En alle gereformeerd Kerkelijk leven gaat dood. Alle Kerkelijk bewustzijn gaat weg. Van Kerkelijke actie naar gereformeerde lijnen is geen sprake. En de machteloosheid brengt over de onzen moedeloosheid, waarbij de een na den ander uitvalt. Terwijl wat blijft in handel en wandel steeds machteloozer, krachteloozer, moedeloozer moet worden.
Wij, gereformeerden, kunnen in geen enkel opzicht eens echt-gereformeerd optreden. We kunnen nooit eens echtgereformeerd handelen. We kunnen de dingen nooit eens naar gereformeerd beginsel aanpakken en doorzetten. En zoo is er veelal ook onder ónze menschen geen Kerkelijk bewustzijn meer en van gereformeerd handelen en wandelen heeft men geen weet. Terwijl telkens en telkens maar weer uitvallen, dan déze en dé-n gene.
Dat is onhoudbaar. We kunnen dat met tal van dingen bewijzen.
Niets in de gemeente kan eens echt gereformeerd aangepakt worden. De kansel is niet vrij. De sacramenten zijn niet vrij; de tuchtoefening'is niet vrij; het toelaten en weigeren tot de belijdenis is niet vrij; de gemeenschap tusschen verschillende gemeenten is niet vrij; geen enkele Kerkelijke vergadering is vrij; geen enkele Kerkelijke inrichting, school, stichting, arbeid enz. is vrij, we zitten altijd en altijd zoo vast als een muur en loopen in 't moeras met onze geref. beginselen en plannen.
Laat ons dat toch goed voelen en ons goed voor oogen stellen.
Dat geldt onze dorpen en dat geldt onze steden. En het is zoó ellendig in onze Kerk, dat niemand vrij is, dat niemand naar eigen beginsel kan en mag leven, noch de orthodoxe, noch de moderne. Alles wordt lam geslagen door dat ongelukkig stel reglementen en door heel die laffe organisatie, welke er op gemaakt is om alles futloos te maken en de verschillende partijen bij elkaar te houden na deze beroofd te hebben van datgene wat juist eerlijk onwaarachtig het levensbeginsel is. De gereformeerde kan en mag niet als gereformeerde leven. De moderne niet als moderne. Niemand mag en kan leven naar eigen beginsel. Alles wordt geharnast door het stel reglementen, dat voor alle uitersten waakt en alleen maar kleurlooze middenstof duldt.
We willen dat bewijzen met een paar voorbeelden. Hoe is 't gegaan in de kwestie Ds. Paauwe? Ja —'t ging inderdaad bij Ds. Paauwe om een beginselzaak; om een belijdeniskwestie.
Maar dat is het niet geweest bij de Kerkelijke behandeling van deze zaak, van welke procedure toch het einde was, dat Ds. Paauwe werd geschortst en uit z'n ambt ontzet en nu als een gebrandmerkte rondloopt.
Er werd eenvoudig een reglementenkwestie van gemaakt, 't Werd eenvoudig de vraag: is er door Tiel voldaan aan die of die bepaling van het reglement? En toen er aan die voorschriften voldaan was moest Ds Paauwe ook aan zijn reglementaire verplichtingen voldoen of anders... er uit!
Zoo is geschied.
En de Kerkelijke Besturen hebben, toen het om die zaak ging, recht gedaan. Recht, naar uitwijzen van de Reglementen.
Maar daar ging het niet om. Noch de gereformeerde Ds. Paauwe, noch de moderne Tielsche Kerkeraad was het er om te doen om zich per sé tegen de Kerkelijke reglementen te verzetten.
Integendeel.
Maar hier ging het om een belijdeniskwestie; om een levenskwestie; om een kwestie die zoo echt thuis hoort op Kerkelijk erf; om een kwestie die voor ieder een ernstige, een eerlijke kwestie moet zijn.
Maar dat is er niet van gemaakt. Dat wil men er niet van maken. Dat kdn er niet van gemaakt worden onder de huidige omstandigheden.
En ziet, daarom is de toestand in onze Herv. Kerk zoo fataal, zoo goddeloos, zoo onhoudbaar.
Er wordt recht gedaan.
En tegelijk wordt het grootste onrecht gedaan. Omdat men de zaak waar 't om gaat niet de moeite waard acht om het Kerkelijk te behandelen, terwijl men 't dan maar gooit op de vraag: is voldaan aan die of die bepaling, ja of neen?
Dat bewijst hoe in-treurig het met onze Herv. Kerk gesteld is. Dat er niets Kerke)ijks meer over is in het Kerkelijk leven.
Dat men weigert om te spreken over het hart van heel het kerkelijk bestaan.
En met Ds. Keek van Bergambacht is het net precies zoo gegaan.
In den grond van de zaak ging het over de belijdenis van den gereformeerde en de belijdenis van den moderne; 't ging voor de Kerk van Bergambacht of de belijdenis der Herv. Kerk er is of niet
Maar de zaak is weer vertroebeld en weer doodgeloopen in een eenvoudige reglementenkwestie; waarbij het doodvonnis geteekend klaar ligt.
't Werd eenvoudig de vraag: wilt ge aan de Reglementen gehoorzaam zijn, ja of neen? Zoo neen, dan... er uit!
En dat zit nu niet in de gezindheid van de Bestuursleden. Dat zit niet hierin , dat de Bestuursleden zoo'n hekel hebben aan die Gereformeerden." Heelemaal niet! Dat zit eenvoudig in heel het samenstel van onze kerkelijke organfeatie, welke alleen rekent met artikelen van bepaalde reglementen en van de belijdenis der Kerk inderdaad voor de practijk van het leven niet weet.
Want — en dit is ons derde voorbeeld — als Ds. Post van Rijswijk (Z.-H.) geen eieren voor z'n geld gekozen had, had deze er óok met den tijd uit gegaan! Eenvoudig ook om oorzake van ongehoorzaamheid aan hetgeen hem opgedragen was door het Classicaal Bestuur in zake het stellen, van belijdenisyragen.
Ds. Post had deze zaak ook gaarne principieel zien uitgemaakt. Hij had de belijdeniskwestie ook als zoodanig willen behandeld zien. En hij, die vrijzinnig is in geloofsovertuiging, heeft er moeite genoeg voor gedaan. Maar telkens werd alles weer teruggeleid tot dien kouden, dooden eisch: gehoorzamen of anders... er uit I «
En Ds. Post bedankte er voor om slachtoffer te worden in zoo'n zaak en legde het hoofd in den schoot en beloofde voortaan de vragen van art. 39 Regl. godsd onderwijs te zullen stellen. Daarmee is de zaak uit. En — ieder voelt het — eigenlijk heelemaal toch niet aan de orde geweest. Wat op den duur onhoudbaar is omdat het zoo door en door oneerlijk en geesteloos is.
Want dat de Besturen de reglementen handhaven vinden we best. Dat moet. 't Zou een warwinkel van geweld worden als men de hand niet hield aan 't geen is voorgeschreven.
Maar dat men zoo het geestelijk element der dingen miskent en negeert bij alles, ïiet, dat is verschrikkelijk, geestdoodend, onhoudbaar. Waarbij dan ook 't gevaar telkens dreigt — en werkelijkheid wordt — dat nu eens deze en dan weer die uitvalt, 't zij hij vrijwillig heengaat of smadelijk uitgeworpen wordt. Uitgeworpen, omdat men er een beginsel op nahoudt, dat in direct verband ~ staat met de belijdenis der Kerk en wat ten nauwste verband houdt met een gezond en eerlijk kerkelijk leven!
Ziet, zulke dingen zijn smadelijk en schandelijk.
En als men dan in de Synode z'n nood klaagt en handelt over de leer der Kerk en over het Evangelie van Jezus Christus, dan krijgt men op commando van den orthodoxen secretaris een trap en in koor lacht men u uit, als men ziet dat er weer een de trap afgegooid | wordt, die het waagde om met znlke dingen bij de Synode der Ned. Herv. Kerk te komen.
{Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's