Van de kennisse Gods.
Rom. I : 23. En hebben de heerlijkheid des onverderfiijken Gods veranderd in de gelijkenis eensbeelds van een verderflijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende dieren.
Eerste serie.
VIII.
TASTEND IN DUISTERNIS.
Onze dagen vooral prediken ons de ontzettende werkelijkheid der zonde; nu de wereldkrijg woedt en de geest, die de natiën bezielt, zich op de vreeselijkste wijze openbaart in al zijn gruwelijkheid. Hetgeen leefde in de enkelingen en de massa als een stille kracht bewoog, is nu in de worsteling der volken in zijne rijpheid aan den dag getreden. Wij wisten allen, dat er door de menschheidde geweldige drang van een ongetemperd egoïsme ging. En wij weten dat de uitslaande vlam van den wereldkrijg nu de aandacht op bijzondere wijze treft, omdat zij uitslaat, maar het vuur gloeide immer in de diepte der menschheidsziel.
Het licht der Godskennis ging onder en der menschheid bleef in den nacht harer donkerheid niet anders dan de worsteling met zichzelve, dan de ontbinding des doods, die niet eindigt voordat de algeheele vernietiging is ingetreden. En toch bleef dien mensch de naam van mensch terecht toegekend. Nog beschikt hij, ondanks zijn val, over de krachten' zijner rede, maar zij worden nu gesteld in' dienst van de zonde en satan, in wiens tempel hij een priester is geworden en op welks altaren hij gaarne zijne levensgaven offert De duisternis, die over den mensch gedaald is, beteekent dus niet, dat het licht zijner rede gebluscht is, want ook de mensch der zonde draagt haar nog en vertoont in zijn dood nog de trekken, die herinneren aan hetgeen hij oorspronkelijk was. Ongetwijfeld, zijne rede heeft ook geleden onder den val, zoodat zij in meer dan een opzicht haar scherpte niet alleen, maar ook haar profetisch vermogen ingeboet heeft. Zij vertoont nog wel de sporen van hare vroegere grootheid en kracht, maar derft toch dat onmiddellijk doorzien van oorzaak en verband, van wezen en verschijningsvormen, dat haar eigen was, toen de mensch in rechtheid de dieren noemde met een naam, die hun wezen dekte. Er is nog wel iets over in den mensch, dat daaraan herinnert, maar zijne rede vermag toch niet meer hetgeen zij destijds grijpen kon als met eén oogopslag. Doch de rede zelve is daarom niet geweken. Zij onderscheidt nog den mensch en stelt hem eenerzijds verre boven het dier, hoewel anderzijds, in het licht zijner zonde gezien, de mensch juist daarom schuldig wordt gehouden niet alleen, maar ook dikwijls daalt be neden het peil van de lagere schepping. Wie den poel der ellende aanschouwt, waarin de menschheid gezonken is, die kan maar al te vaak niet aan den indruk ontkomen, dat de gruwel der ongerechtigheid zoo groot is, dat de dieren des velds de menschen nog overtreffen. Trouwens de aan zichzelven ontdekte zondaar, die in het licht van Gods Geest gesteld, zijne zonde aanschouwen moet, weet zich maar al te vaak juist van wege zijne zonde in een toestand van val, waardoor hij zich naast de lagere schepping stelt. Heeft niet de psalmist geklaagd: „Heere, ik ben een groot beest bij U ? " En is het niet bekend van Bunyan, dat hij in zijn strijd om tot licht en leven te komen nederzat op een bank in de straat, moe geworsteld en moe gestreden, en dat het hem toescheen alsof de zon aan den hemel ontevreden was, dat zij hem haar licht moest geven, alsof zelfs de steenen op de straat en de pannen op de daken zich tegen hem stelden. En hij klaagde, dat hij elk schepsel gelukkig zag, terwijl hij zichzelven verloren kende. Zoo kan het nog Gods kinderen overkomen. Maar, daarom is toch de mensch een mensch en laat de Heere zijne wondere liefde daarin uitstralen, dat Hg naar zulken omzag door zelfs zij nen Eengeborenen irai^iifr'sparen, ? jen voor zondaren over te geven. Maar dat de mensch die wondere liefde Gods ervaren en smaken mag, dat dankt hij daaraan, dat hij als mensch drager eener rede is, die hem geheel van het dier onderscheidt. Daardoor is hij een wezen van geheel eigen karakter, een gansch eenig schepsel. En dat is hij nog, ondanks zijne zonde en zijne duisternis.
En zoo zien wij dan ook, dat in dien zondaar met die rede, waarmede hij zich werpt op de wereld en die hij geheel in dienst stelt van zijn egoïstisch, eigenzuchtig en baatzuchtig hart, toch nog altijd de herinnering levendig blijft aan hetgeen hij was. In den natuurlijken mensch, ja in heel de menschheid blijft, dat. Zoo is het opmerkenswaardig, hoe ook de conscienties der natuurlijke menschen toch steeds der waarheid getuigenis geven. Hoewel Gods waarheid in deze wereld bijna nergens een plaats bereidt vindt voor het hol van haren voet en overal de grootste vijandschap heeft te verduren en steeds den grootsten tegenstand vindt, zoo is er toch in den natuurlijken mensch nog altijd iets, dat in hem getuigt en hem in het verborgen zijner ziel doet erkennen, dat des Heeren Woord waarachtig is. Dat blijkt vooral dan als de nood klimmen gaat en het gevaar gaat dreigen. Dan kan het geschieden, dat daarbinnen zich de stem des gewetens met macht doet hooren. Ja, dat verschijnsel kan zelfs de massa in hare breedte aangrijpen. In de geschiedenis onzer dagen zijn zelfs de tijden niet zeldzaam geweest, dat de groote menigte, die afgestorven scheen van alle hooger leven, toch door de nationale nooden zoo machtig werd aangegrepen, dat zij scheen zich tot God te willen bekeeren. De bedehuizen vulden zij en, verslapte die ijver zeer spoedig, het verschijnsel zelf wijst toch uit, dat de mensch in de menschheid niet is' gestorven en dat op den bodem der ziel nog gevoelens zich openbaren, die wel Sluimeren en glapen, maar toch ook kunnen ontwaken. Ongetwijfeld tot zaligheid is dat niet. En niemand leze daarin, dat de natuurlijke mensch een ingang heeft in Gods Koninkrijk, maar wel blijkt er uit, dat er ook in de natuurlijke conscientie een grond gegeven is, die alle verontschuldiging afsnijdt.
De mensch is schepsel ondanks zijn zondeval En dat feit nu blijft van overwegende beteekenis voor heel zijn bewustzijnsleven, zoodat zijne conscientie, hoe hij ook verduisterd zijn moge in het verstand, zich toch met betrekking tot de onzienlijke, eeuwige dingen Gods doet gelden. Daarop doet dan ook de apostel Paulus op den Areopagus te Athene een beroep door aan de wijsgeeren, die zich daar rondom hem • vergaderd hadden, voor te houden, dat God, die de wereld gemaakt heeft, niet woont in tempelen met handen gemaakt, dat Hij de Heere des hemels en der aarde is Hij geeft aan allen het leven, den adem en alle dingen en heeft ook Uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt om op den geheelen aardbodem te wonen. En dat hij daarbij het oog heeft ook op de gevallen menschheid, blijkt duidelijk daaruit, dat aan de Atheners wordt voorgehouden, hoe de gansche loop der geschiedenis, die de menschheid doormaakt, onder Gods leiding en bestel ligt en dat zich daarin nu openbaart, hoe de ziel des menschen is dorstende en smachtende naar Gods gemeenschap. Daarom zegt hij, dat dit alles zoo is, opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten. Door de menschheidsziel gaat de drang naar God ook terwijl zij nog in duisternis verkeert, Het zijn tijden der onwetendheid, tijden waarin de mensch worstelt en strijdt om Gods gemeenschap te mogen herwinnen, ook al kent hij den Heere zelven niet. De behoefte aan Hem blijft levendig op eene wijze, die duidelijk uitwijst, hoe juist de Heilige Schrift de volkeren der wereld kent en teekent in hunne duisternis. Want God heeft die wereld der heidenen niet losgelaten, niet overgelaten aan zichzelve. Ook der heidenen wegen heeft Hij geleid en ook in hen daor de gemeene werking van zijnen Geest die innerlijke zielsbehoeften zoo aangelegd, dat zij in hun zoeken en tasten zouden worden toebereid om Hem te ontvangen, die in de volheid des tijds een verbond des volks zou blijken, maar ook een licht der heidenen. Doch zij zelven hebben hebben zulks niet geweten. Zij hebben in de duisternis gewoeld en geworsteld om toch tot het licht te mogen komen, zij hebben getracht om zich uit den afgrond op te werken tot den bergtop des levens en zij zijn er niet in geslaagd. Zij hebben in die worsteling ongetwijfeld schoone en heerlijke dingen bereikt. De hoogte, waarop het wijsgeerig denken der volkeren stond, dwingt nog heden ten dage bewondering en eerbied af, maar wat zij niet konden en in al hun tasten en zoeken niet vermochten te bereiken, dat was die Godskennis te verkrijgen, waarin het leven en de zaligheid is. Zij hadden een godsdienstig leven, maar zulk een, dat de apostel teekent als een te onder houden der waarheid in ongerechtigheid. Hetgeen van God kennelijk is, zegt hij in Rom. 1:19—22, is in hen openbaar; want God heeft het hun geopenbaard, want zijne onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Het Woord des Heeren is dus nog wel in de schepselen te zien, het ligt er in uitgedrukt. Nog geldt het van de schepping, dat zij is door het Woord en door het Woord wordt gedragen, nog staat het in elk schepsel geschreven en glinstert daarin zijne Goddelijkheid, nog wordt er zijne eeuwige kracht in openbaar, maar de mensch verkeert nu in zulk een toestand, dat hij het niet meer kan lezen. Hij is verduisterd in het verstand en kan het niet zien, noch verstaan. De hemelen in hunne majesteit mogen schoon zijn en het schoonheidsgevoel streelen, maar de mensch kan er de sprake Gods niet in beluisteren, als niet eerst, evenals bij den dichter in Psalm 19, aan hem is vervuld geworden de kracht van Gods wet, die de ziel bekeert. Als de Geest des Heeren wederbarend en verlichtend werkzaam is geweest in de zondaarsziel en daardoor het licht der Godskennis op nieuw is ontstoken, dan, maar dan ook alleen, kan de mensch in den hemel boven hem den Naam zijns Gods weder lezen. Maar als die wederbarende daden Gods ontbreken, dan mag hij, evenals de bekende sterrekundige, met zijn kijker zelfs den hemel doorvorschen, maar hij zal eindigen met te zeggen, dat hij God niet heeft gevonden. En zoo ook, hij mag op de aarde de schoonheid der schepping Gods aanschouwen, zelfs gewapend met den mikroskoop doordringen in dewonderschoone wereld van het oneindig kleine, doch indien hij eigen zonde niet leerde zien in het licht van Gods Geest en door den Zoon kwam tot den Vader, zal hij ook in die wereld van het oneindig kleine Gods Naam niet lezen, des Heeren hand niet speuren. Hij zal er voor sté, an en misschien wel de heerlijkheid daarvan prijzen, maar den Schepper zelven er niet in opmerken. Maar het kind des Heeren, welks oog verlicht is, welks nevelen opklaarden voor de zonne van Gods Geest, zal den Heere prijzen in elke bete broods, in eiken dronk waters.
De natuurlijke mensch verstaat dus niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Hij kan ze niet verstaan, dewijl zij geestelijk onderscheiden worden. Hij is verduisterd in zijn verstand, zoodat hij God niet kent ondanks alle zielsbehoeften, die zich bij hem openbaren. Maar wel wordt hij gedrongen bevrediging te zoeken voor dien dorst der ziel. En omdat de Heere zijn aangezicht verborgen houdt achter de nevelen en wolken, die opstijgen uit de moerassen onzer zonde en de zondaar slechts oog heeft voor deze wereld met hare schatten en gaven, die de eigenzucht streelen, streeft hij er nu ook naar om door en in die wereld te vinden hetgeen zijn geestelijken honger stillen kan. Dat leert nu de apostel door er op te wijzen, hoe de mensch der zonde, God kennende Hem als God niet heeft verheerlijkt, noch gedankt, maar is verijdeld geworden in ziine overleggingen en zijn onverstandig hart is verduisterd geworden, zich uitgevende voor wijzen is hij dwaas geworden. En die dwaasheid komt nu vooral daarin tot openbaring, dat zij de heerlijkheid des onverderflijken Gods hebben veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfiijk mensch, en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten. Zoo werd dus in de donkerheid van onzen zondenacht uit de diepste levensgevoelens van behoefte aan God dat heidendom geboren met al zijne goden en godinnen, met al zijn offeranden en gaven, met al zijn lijden en strijden om de geestelijke machten, die zij zichzelven hadden uitgedacht te bevredigen, te verzoenen en gunstig te stemmen. Zooals de mensch, wiens verstand verduisterd is, toch nog redelijke gaven en krachten bezit, zoo is ook de natuurlijke mensch niet zonder godsdienstig leven. Integendeel, de wereld der heidenen vloeit over van godsdien stigheid, ziSoals ook de apostel Paulus tot de mannen van A-thene kon zeggen, nadat hij hunne stad gezien had en de schitterende heiligdommen had bewonderd: ik bemerk, dat gij alleszins gelijk als godsdienstig zijt. Uit het oogpunt van godsdienstigheid maken de heidenen de Christenen verre beschaamd. En als de zending niet anders te brengen had dan de natuurlijke, eigengerechtige waarheid, die het onbekeerde en van God vervreemde zondaarshart kennen kan, dan was het niet noodig tot de heidenen te gaan. Immers, zij zijn, uit elk oogpunt beschouwd, veel vromer dan menig zoogenaamd Christen. Met het oog op de vroomheid der heidenen zegt de profeet Micha tot het volk van Israel: „zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen ? aan tienduizenden van oüebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding? De vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? " Dat alles zagen zij de heidenen offeren aan hunne goden. Het dierbaarste hadden zij veil om zich de gunst der goden te verwerven. Ja, zelfs voor den dagelijkschen arbeid toonde de heiden een diepe behoefte aan Gods zegen. Ook uit dat oogpunt gezien kunnen zij de Christenen beschaamd maken, daar er onder ons maar al te velen zijn, die weinig blijk geven van den zegen Gods op prijs te stellen. De heiden, zegt Habakuk, offert aan zijn garen en rookt aan zijn net. Maar onder ons zijn er, die geene de minste teekenen toonen, dat zij gebedsbehoeften kennen of drang tot dankzegging na grooten weldaden.
Bij de heidenen dus ook in dat opzicht een diepe behoefte aan God, een tasten, of zij Hem vinden mogen, een zoeken om Hem te ontvangen. En toch, zij verkeeren in duisternis en zitten neder in schaduwen des doods. Zij kennen Hem niet, maar hunne noodgevoelens dreven hen uit om de schepselen zich als goden te denken, die als groote menschen waren met al de hebzucht, vijandschap en haat en nijd en afgunst, die ook den mensch der zonde kenmerkten, maar die bq deze goden zooveel gevaarlijker waren, omdat zij de menschen in kracht zooverre te boven gingen. En daarom staan zy dan ook tegenover die wereld der geesten en goden en goddelijke machten met de bangste vreeze en de benauwdste angsten en is hun leven een voortdurende strijd om toch vooral die bovenzinnelijke machten zich gunstig te stemmen. Hun godsdienstig leven wordt alzoo gelijk een nachtmerrie, die loodzwaar drukt op hunne zielen en hun leven maar al te dikwijls doet voorbijgaan als een benauwende droom.
Zoo bestaat dus die menschheid in haar zondenacht met diepe en onvervulde behoeften der ziel, te midden van eene wereld vol goden en geesten, met een leven, dat het karakter vertoont van een voortdurenden strijd, van bange worsteling om toch die goden te behagen, terwijl zij toch inderdaad God niet kennen en vervreemd zijn van zijn leven. Ja, zelfs in zijn schoonste vormen heeft het heidendom het schepsel niet te boven kunnen komen. De behoeften aan den eenigen waren God deden zich ongetwijfeld steeds meer gevoelen, de vlucht van hun genie ontplooide zich steeds breeder, maar tot God kwamen zij niet en konden zij niet komen. Tot Hem komt nooit een zondaar, kon nooit een zondaar komen, wil nooit een zondaar komen, dewijl het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen tijde alleenlijk boos is. Maar in dien nacht van zonde en ellende gaat de twisting van Gods Geest met den mensch uit. Ook in den afgrond zijns doods treedt de Heere nog leidend op, opdat de wereld der volkeren zal worden voorbereid om straks Hem te ontmoeten, die het licht der wereld is. Niemand heeft ooit God gezien; de eenig geboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. Hij alleen was machtig om de nooddruft der volkeren te vervullen tot heerlijkheid. Hij alleen was het licht, dat ook den duisteren nacht der heidenen opklaart. In Hem komt niet de mensch tot God, maar daalt de Heere af tot den mensch om zich neder te buigen over de ellendigen, die neerliggen in het graf van hunnen zondedood. Het is de ontferming Gods, die naar zijnen Naam noemt, die naar zijnen Naam niet genoemd zijn, die Hem tot Lo-Ammi doet zeggen: Gij zijt mijn volk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's