De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze 9de Zendingdag.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze 9de Zendingdag.

13 minuten leestijd

Men schrijft ons uit Zeist: Reeds vroeg in den morgen van den schoonen 3den Augustus dezes jaars kon men het merken, dat er in de nabijheid van het station Driebergen iets bizonders, iets héél bizonders te doen was. Per fiets stroomden de menschen toe. En als spoor of trein stilhield zag het zwart van menschen. Alles ging één kant uit. Saam koos men de richting van het Rijsenburgsche bosch, waar de 9de Zendingsdag van den Geref. Bond zou gehouden worden.

Om 10.30 uur bevond zich dan ook een groote schare op het terrein, welwillend voor deze gelegenheid door den Gemeenteraad beschikbaar gesteld. Op spreekplaats No. I had de opening plaats. Ds. Klomp van Rijssen begint met een woord van blijde dankbaarheid, waar de Heere ons het groote voorrecht schenkt met zulk mooi weer hier in dit schoone bosch te mogen saamkomen, om samen te spreken over en te hooren van den zendingsarbeid. Ons past, zoo vervolgde spreker, het loflied van Ps. 103 op de lippen te nemen : „Looft den Heere mgne ziel en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam."

Hierna werd gelezen Jes. 55 en gezongen Ps. 98:1 waarna Ds. Klomp bij afwezigheid van den Voorzitter Dr. de Lind van Wijngaarden, voorging in het gebed.

Nu kwam Ds. J. de Bruin van Zeist aan het woord tot het houden van zijn openingsrede.

Spreker wijst er op, dat de toestand onzer dagen geheel anders is dan vroeger. Toen was er een buigen voor God, ook door de Overheid; denkt aan de bededagen die toen gehouden werden. Wel zijn er nog sporen van overgebleven, dat men voelt met God van doen te hebben ; bewgs daarvan is het randschrift aan onze munten: „God zij met ons, " dat in Frankrijk is uitgewischt maar dat hier nog gebleven is. We hebben God noodig in alles; we zijn zelf zoo zwak en een iegelijk die bidt belijdt dan ook eigen zwakheid en roept God aan in Zijn grootheid en majesteit. Als we nu zijn saamgekomen op dezen Zendingsdag, om te spreken over de zending, dan willen we ook belijden, dat we zoo noodig hebben dat God met ons zij. Zonder Hem kunnen we niets doen; vandaag niet en in al onzen zendingsarbeid niet. Zoo de Heere het huis niet bouwt tevergeefs arbeiden de bouwlieden daaraan. Dat de Heere zij met de sprekers en dat Hij het gesprokene woord zegene. De Heere heeft ons grootelijks gezegend tot op dezen stond. Hij was met ons. Op den Isten Zendingsdag waren een 600-tal bezoekers ; vandaag verwachten we er minstens 6000 I Voor 3 jaar werd br. van de Loosdfecht afgevaardigd. Nu heeft hij reeds een mededienstknecht bij de prediking ; ook is er reeds een onderwijzer op ons Zendingsveld, onder de Toradja's; en ook hebben we nu een taalgeleerde die zich beschikbaar gesteld heeft voor onzen arbeid op Celebes. Deze weldaden zijn des Heeren. De Heere was met ons. De Heere zij verder met ons, nu en voortaan!

Hierna werd gezongen Ps. 72 : 6 en 10. Nu verspreidde zich de schare, die steeds aangroeide, over de twee spreekplaatsen. De een had een voorkeur voor dezen spreker en de ander verkoos weer liever een ander te hooren ; hoewel over 't algemeen op spreekplaats No. I meer menschen waren dan bij No. II.

Uw verslaggever heeft. maar één lichaam Overal tegelijk zijnkon hij niet. Zijn verslag kan dan ook verder niet anders dan zéér onvolledig zijn. Maar spoedig kunnen we in„Alleden Volcke" van iederen spreker lezen wat zij gezegd hebben.

Op spreekplaats No. I sprak na de openingsrede Ds. S. van Dorp van Bodegraven over 't onderwerp: „Uitgebreide ! handen". Spreker wees er eerst op, hoe 'op natuurlijk gebied uitgebreide handen , iets heerlijks inhouden. Als daar een moeder is, die hare handen naar het kind Iuitbreidt dan is 'torn dat kind op te I vangen, te omarmen, te bewaren, te vertroetelen. En gelijk nu eene moeder hare handen liefdevol uitstrekt naar haar kind, alzóo breidt God de Heere Zijn handen uit naar arme, verlorene zondaren, ook naar dezulken, die wonen aan de uiterste ­einden der aarde, 't zij ze in Groenland wonen of op Celebes, 't zij ze heidenen heeten of Mohammedanen. Want het is den Heere niet genoeg geweest om alleen uit Israël zalig te maken. Den geheelen dag breidt de Heere nu Zijn handen uit.' En meer dan een moeder troost wil Hij troosten. Naar een wederstrevig a volk strekt Hij Zijn handen uit. Zegt ons dat niet de gelijkenis vanden verloren zoon?

Dat doet de Heere door velerlei middelen; bizonder door de prediking van het Evangelie. Hij doet het op dezen Zendingsdag naar ons. Hij doet het ook in en door dezen Zendingsdag naar de heidenen; bizonder naar~ de Toradja's van Midden-Celebes. 't Is om den zendingsarbeid te doen voortgaan met kracht. De vrucht van den zendingsarbeid zal niet ontbreken. De God, die staat met uitgebreide armen zal er voor zorgen, dat dit werk niet ydel is en dat Zijn Woord niet ledig wederkeert. Hierna werd gezongen Ps. 22 : 14.

Op spreeekplaats No. II was intusschen opgetreden Ds. A. Luteijn van IJsselmonde met het onderwerp „de fontein voor het dal van Sittim", sprekende over het water des levens, dat tot genezing is van dood-kranken, waarvan de Heere ook wil dat het zal worden uitgedragen onder de heidenen, om daar verkocht te worden om niet. De Heere Jezus Zelf is het water des levens en die van dat water drinkt zal in der eeuwigheid niet meer dorsten, en ook de heidenen, die nu nog neerzitten bij stomme afgoden, moeten hooren van deze blijde boodschap, waar de Heere ook voor hen heeft gezegd: „O alle gij dprstigen, komt tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk".

Na Ds. Luteijn sprak Ds. Hupkesvan Wanswerd, over „de zaligheid is in geenen anderen." Het karakter van het heidendom is dat zij de waarheid Gods hebben veranderd in den leugen en dat zij het schepsel dienen boven den Schepper, In die wegen heeft de Heere hen gelaten terwijl Hij Zijn volk Israël de woorden des eeuwigen levens heeft bekend gemaakt. En de verbonds Jehova heeft zich daarna gewend tot de heidenen, toen de Joden den Christus Gods verworpen hadden, om nu in de tenten van Jafeth en aan de zonen van Cham den éénen naam die onder den hemel is gegeven tot zaligheid, bekend te maken. En omdat de zaligheid in geen ander is dan in Jezus Christus, moet de Gemeente van Christus dien Heiland en Zaligmaker onder de heidenen bekend maken en hun ziele zal zekerlijk geëischt worden van degenen, die Christus hebben leeren kennen en niet van Hem hebben getuigd tot in de verste heidenlanden, Filistijn, Tyriër en Moor, — ook de Toradja's wachten op het Woord dat óns is toevertrouwd.

Op spreekplaats I sprak om 12 uur Ds. D. Plantinga van Hoogeveen over „Onze roeping" waarbij hij wees op het woord van den Heiland: „Predikt het evangelie allen creaturen."

Toen was het Pauze. Algemeene beweging. Kris kras ging het door elkaar. Zoeken naar bekenden. Hartelijke begroetingen van degenen die wisten dat men er zijn zou, maar die elkander nog niet hadden gezien. Jong en oud genoot van de heerlijke natuur en waar de buitenlucht hongerig maakt zocht ieder wat te vinden tot stilling van den honger, met dat gevolg, dat 's middags in de Cantine alle eetwaar uitverkocht was.

Na de Pauze, om 2 uur, trad op spreekplaats No. I Ds. A J. W. van Ingen van Gameren op met het onderwerp: „Zendingswerk in den tijd deroordeelen Gods." Spreker wees op het verstorende van de zonde en op het moeilijke van den zendingsarbeid in deze diep bewogen dagen. Waar de Heere zoekt het verlorene en zoekt te vereenigen rondom de banier des kruises, daar is de mensch nu bezig om alles te vertrappen en te vertreden, te vermoorden en te verbranden, waarbij de volkeren tegen elkander worden opgezet en vervuld met nijd, afgunst, haat. Zullen we dan vertragen in dèn zendingsarbeid? Geenszins, Ook in deze tijden der oordeelen luidt het bevel Gods: „gaat heen in de geheele wereld, predikende het evangelie des kruises", waarbij de belofte geldt: „Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld" alsook: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde." De Gemeente bidde dan: „Uw koninkrijk kome" en neme het gebod des Heeren ter harte: predikt het evangelie allen creaturen.

Op spreekplaats No. II sprak intusschen Ds. H. van Eist van Genemuiden over „Ons vermeldenswaardige." Is Gods volk een zwak, klein, arm volk te noemen, waarbij Gods volk nooit op de vingers kan optellen wat het al zoo bezit en wat het wel vermag te doen — nochtans heeft de Gemeente van Christus ook vermeldenswaardige dingen. Niet bestaande in wagenen en paarden, in zwaarden en dolken — maar dit is het vermeldenswaardige dat zij m Christus alles heeft, dat de Heere haar God is; dat Hij met haar is. En de Heere heeft maar t^ spreken en het is er, te gebieden en het staat er. Dat troost en sterkt ook bij den zendingsarbeid. Hij zorgt voor het Zijne. De bekeering is des Heeren. Gods werk zal voortgaan en blijven tot in eeuwigheid. Daarom laat ons niet vertragen. En het einde van alles zal voor Gods volk wezen, om voor den Heere te verschijnen. Hem alle eer te geven en de tronen der overwinning neer te leggen voor het Lam Gods, dat op den troon zit. Voor het Lam Gods, staande als geslacht in den hemel, voor het aangezicht des Vaders!

Op spreekplaats No. I sprak om 3 uur Ds. A. H. J. G. van Voorthuijzen van Zegveld. Zijn onderwerp was: De Boom des Levens". Nadat gezongen was Ps. 1:1 en 2 zeide spreker: anneer gij zoudt zoeken naar den Boom des Levens zoudt gij hem in 't paradijs zoeken. Maar door de zonde en den val des, menschen is daar de Boom des Levens niet meer te vinden. De mensch is verloren en er is geen leven meer. Maar nu heeft de Heere Jezus Christus geopenbaard als den Boom des Levens. Het Kruis van Golgotha is de levensboom. En onder de schaduw van dien boom moet jood en heiden en mohammedaan vergaderd worden; ddar is genezing. En nu komt niet alleen 't gebod in deze tot de Gemeente van Christus op aarde, maar het gebod komt met de belofte; en de belofte komt met de vervulling,

In den hemel zullen van alle geslachten en natiën vergaderd worden, dat heeft de Heere toegezegd.

Terwijl Ds. van Voorthuyzen op spreekplaats No. I sprak, voerde Ds. C. J, Leenmans van Utrecht het woord op spreekplaats No. II over: „Zaaien en oogsten". Zaaien aan alle wateren. Het zaad is het Woord. Predikt het Evangelie allen creaturen. En de vrucht zal niet uitblijven. In de dalen en op de bergen zal geoogst worden en een hand vol koren zal ruischen als de cederen op den Libanon!

Nadat hiervan gezongen was spoedden allen zich naar spreekplaats No, I waar Ds. M. van Grieken van Delft de slotrede zou houden. Ds. Klomp gaf op te zingen de verzen 1, 5 en 6 van Ps. 21 en daarna ' sprak Ds. van Grieken ongeveer als volgt: !

Door 's Heeren goedheid hebben we ondanks het oorlogsrumoer nabij onze ' grenzen onzen 9den Zendingsdag mogen [ houden. We spreken liever van Zendingsdag dan van Zendingsfeest, omdat we liever niet willen dat deze onze Zendings-^ samenkomsten opgaan in een „feest". Ook hierin dreigt gevaar in onze kringen! We hebben mogen spreken over en mogen hooren van de Zending, Aan dat woord Zending zit het woord verwijdering vast. Dan zenden we een boodschap als iemand van ons verwijderd is. Nu ' is de Zending: dat de Heere een boodschap zendt naar een vèr, vèr van Hem ! verwijderd menschengeslacht.

De zending is : alzoo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eeniggeboren j Zoon gezonden heeft opdat een iegelijk . die in Hem gelooft niet verderve maar , het eeuwige leven hebbe God wil dat de verwijdering tusschen Hem en arme, in zich zelf verlorene zondaren zal ophouden. Hij wil zich een volk verkiezen I en vergaderen dat met Hem in een verzoenden staat zal verkeeren en zal leven in een nieuwe betrekking tot Hem. Ook I naar de wildste volkeren ziet Hij om en I Hij wil dat de volkeren Hem zullen I loven. Bedient de oorlog zich van groote en vreeselijke dingen - wij hebben te gelooven, dat de zending uit God is. En God is grooter dan het groote van den mensch. Omdat de zending uit God is, is de zending een Goddelijke zaak en zal zij altijd blijven. De Heere roept Zijn Gemeente om tot Zijn werk in te gaan. En dat moet naar uitwijzen van Zijn Woord. Daarbij ervaren we dat de wereldpolitiek en de cultuur ten slotte Christus niet brengt aan de heidenen. Dat moet dè zending doen; de zending die uit God is en die op eigen kracht aangelegd mpet zijn. !

Vertrouwt niet op prinsen. Nu worden i de heidenen door de christenen geroepen' om mee te helpen christenen te dooden en christenen worden in het heidenland verjaagd, waar ze Christus niet mogen verkondigen. Wat zullen we hopen ? De De zending is uit God.

Daarom moet de Gemeente van Christus niet wanhopen en] ook het beste leeren geven en offeren aan en voor het werk der Zending,

Engeland geeft 75 millioen gulden per dag voor den oorlog van de geallieerden. Duitschland kost het 31 millioen per dag. Wat geeft de Gemeente van Christus voor de uitbreiding en de bevestiging van Christus' Kpninkrijk?

De Heere vraagt om ons gebed, om onze beste krachten, om ons koper, zilver en goud; om ónze zonen en dochteren. We moeten bedienaren-des Woords, onderwijzers, artsen, taalgeleerden hebben Voor het werk der Zending. Wat geven wij ? Ook in oorlogstijd is er nog hope pp Gods hulp en bijstand. In 1797 toen het oorlogsrumoer over Europa ging, riep de Heere Dr, van der Kemp om het Nederl, Zendings-Genootschap op te richten en zich het lot van de door de O. I. Compagnie opgerichte Christen-gemeenten in Indië aan te trekken. De Heere is niet veranderd. Laat ons voortvaren. Maar een krachtige Zendingsactie kan er alleen zijn als het hier in onze Vaderlandsche gemeenten wel gesteld is. We hebben ons weg te schamen; om allerlei oorzaak. Dat we leeren mogen in rechte paden te wandelen. En de Heere stelle ons in het geloof. Wat zal de wereld overwinnen ? Immers het geloof alleen. De Heere zegene dan ^ onzen Zendingsbond, het Bestuur, de Zendelingen, den Onderwijzer en allen die in den arbeid zijn of gaan zullen. En de Heere geve eere aan Zijn heiligen en heerlijken Naam ook op het Zendingsveld in Midden-Celebes onder de Toradja's, die met ons gemeen hebben, dat ze om der zonde wil voor God verdoemelijk zijn en in Christus Jezus nog mogen hooren van Gods eeuwige en gadelooze Hefde, tot zahgheid van arme zondaren.

Hierna werd gezongen Ps, 89 : 7 en 8, waarna Ds. van Grieken in dankgebed voorging.

Naar onze schatting zijn ongeveer 6000 menschen op den Zendingsdag geweest.

Matth. 13:1—23.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze 9de Zendingdag.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's