Kerk, School, Vereeniging.
NED. HERV. KERK.
Beroepen te Hierden J J van Ingen te Harderwijk; te Wormer P van de Wal te Jel-' sum; te Maurik L M Foeken hulppr te Haarlem ; te Driesum D van Lutterveld te Wierden.
Aangenomen naar Arnhem E J M van Leeuwen te Woudsend; naar Elden J P de Klerk te Zuilen.
Bedankt voor Kesteren F F J v d Plassche te den Ham; voor St Kruis A Priester te Heenvliet.
GEREF. KERKEN.
Beroepen te Duurswoude S Verlare te Kommerzijl; te Twijzel K Winkelman te Loenen a d Vecht.
Bedankt voor Strijen D Steenhuis te IJselmonde; voor Arnhem J Schoonhoven te Delfshaven; voor Schoonoord B J van der Meulen te Sellingen; voor Schetters S Bosma te Buitenpost.
CHR. GEREF. KERK.
Beroepen te Dordrecht J Jongeleen te Noordeloos; te Steenwijk en te Vlissingen H Velema cand te Emmer-Compascuum ; te Urk K Groen cand te Enschedé.
— Verleden week Zondagmiddag nam de naar Feijenoord vertrekkende leeraar Ds. F. G. Hospers afscheid!' van de Herv. Gem. te Hillegom met een rede naar aanleiding van Hand. 20 : 27: Want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den RaadGodsc. Diep bewogen werd door de talrijke schare deze aangrijpende prediking aangehoord en aan het einde, namens kerkeraad en Gemeente, den beminden leeraar door den he'er Baas dank geztgd voor al de trouw en liefde door hem gedurende de 31/3 jaar van zijn verblijf te Hillegom betoond. Ook werd Z.Eerw. namens verschillende corporaties hartelijk toegesproken door den consulent Ds. J. v. Leeuwen, te Lisse, die daarna de Gemeente verzocht den scheidenden leeraar toe te zingen Ps. 121:4.
(Ned.)
— Ds. F. G. Hospers, overgekomen uit Hillegom, werd Zondagmorgen in de Wilhelminakerk te Feijenoord bevestigd door zijn zwager Ds. A. G. Oosterhuis, Herv. pred. te Ternaard, welke tot tekst gekozen had 2 Timotheus 4 : 6.
Na het uitspreken van het sja ik van ganscher harten werd op verzoek van den bevestiger den nieuwen leeraar toegezongen Psalm 132 : 6.
Des avonds hield Ds. F. G. Hospers in hetzelfde kerkgebouw zijn intreerede. Onder het zingen van Ps. 27:3 werd Z.Eerw. ter kansel geleid door de Predikanten, - Kerkeraad en Kerkvoogden der Gemeente, benevens enkele Ringpredikanten. Nadat Z.Eerw. in zijn voorrede had gezegd dat het de vierde maal was dat het sJa ik van ganscher harte* door hem was uitgesproken en dat het hem telkens zwaarder viel, vooral nu in een Gemeente als Feijenoord, werd door Z.Eerw. als tekst genoemd Ps. 71:16, welke door Z.Eerw. werd behandeld in de volgende drie punten: esluit, Sterkte, en Boodschap van den Prediker.
Na het zingen van Ps. 27:7 volgden de gewone toespraken, waarna Z.Eerw. eindigde met dankzegging en het doen zingen van Gezang 104:3, waarna Z.Eerw. hartelijk werd toegesproken door Dr. De Lind van Wijngaarden, op wiens verzoek den nieuwen leeraar door de Gemeente werd toegezongen Psalm 134:4. ^
Gezien de grootte der Gemeente was beide keeren de opkomst niet buitengewoon groot.
— Ds. Boonstra te Schoonhoven hoopt op Zondag, den 3en Sept. a.s., voorm. 91/2 uur, afscheid te nemen van zijne gemeente aldaar en Zondag den loen Sept. rgi6 zijn intrede te doen bij de Hervormde gemeente te Wezep, na bevestigd te zijn door Ds. De Geus van Veenendaal, vroeger predikant te Wezep.
— Ds. P. Kruyt te Gouderak hoopt Zondag, den 8en October igi6, afscheid te nemen van dè Ned. Hervormde gemeente te Gouderak en Zondag den i5en October igi6 zijn intrede te doen bij de Ned. Herv. gemeente te Nieuwe Tonge, na bevestigd te zijn door den consulent Ds. Veirkerk van Oude Tonge.
— Zondag j.l. nam Ds. IJ. Doorn veld Hzn., predikant bij de Ned. Herv. Kerk te Vuursche, afscheid van zijn gemeente met een predikatie over I Corinthe 13 : 8a. Den naar Oene (bij Epe) vertrekkenden leeraar werd toegezongen Psalm 121 : 4, nadat hij was toegesproken door Ds. H. Meulenbelt te Baam, consulent der gemeente Vuursche.
— Zondag j.l. werd de heer D. J. van de Graal, cand. tot den H. Dienst, overgekomen van Papendrecht, tot zijn dienstwerk bij de Ned. Herv. Gemeente te Nieuwpoort ingeleid door Ds. S. Kievit, van Garderen, die sprak over i Cor. 3 VS. lob en 11.
Aan de handoplegging werd mee deelgenomen door Ds. W. Zijlstra, van Groot-Ammers, en Ds. D. M. Boonstra, van Schoonhoven.
Des middags verbond de nieuwe leeraar zich aan zijn gemeente, sprekende naar aanleiding van Ezechiël 36 vs. 22a. Hij werd toegesproken door den consulent. Ds. Zijlstra. De gemeente zong hem toe Psalm 20 vs. I.
— In de Ned. Herv. Kerk te Krimpen a. d. Lek had Zondagmorgen de bevestiging plaats van Ds. J. Dijkshoorn, overgekomen van Ter Aa, door Ds. A V d Kooij, van Ouddorp, die tot tekst had Micha 7 vs. 9. Des namiddags deed Ds. Dijkshoorn zijn intrede en sprak naar aanleiding van Rom. 10 vs. Sb en 9 een woord van belijdenis, des geloofs en der zaligheid. Na de gebruikelijke toespraken tot bijzondere personen werd Z.Eerw. hartelijk toegesproken door den consulent. Ds. G van Montfrans, van Ouderkerk a. d. IJsel, die de gemeente verzocht den nieuwen leeraar toe te zingen Psalm 20 vs. I.
Ook Burgemeester A L van Haaften woonde de intree-plechtigheid bij.
— Het provinciaal kerkbestuur van Zuid-Holland heeft de leden van den kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Bergambacht en den predikant dier gemeente, ds. D. Th. Keek, uit hun bediening ontzet, met uitzondering van een diaken, wiens provisioneele schorsing is opgeheven.
— Te Arnhem is op 80-jarigen leeftijd overleden Ds. J. H. L. Roozemeijer, sedert 1909 emeritus-predikant bij de Ned. Herv. Kerk aldaar. Na in Vleuten, Loosdrecht en Middelburg te' hebben gestaan, kwam Ds. Roozemeijer in 1880 naar Arnhem, waar hij 29 jaar onafgebroken arbeidde.
Hij was eerelid van het Ned, Herv. Diaconessenhuis, waarvan hij jarenlang secretaris was. Voorts was hij ridder in de orde van Oranje-Nassau.
— Onder zeer vele blijken van belangstelling, herdacht Ds. J. Eringa te Woerden zijn 25jarige ambtsbediening bij de Ned. Herv. Gem. Vele geschenken van gemeenteleden, het hoofdbestuur der Confession eele Vereeniging en het classicaal bestuur van Leiden, benevens van den ring Woerden vielen den jubilaris ten deel. Zijn ambtsbroeder, Ds. W. de Lange van Woerden sprak namens de gemeente. Dr. P. J. Kromsigt van Amsterdam en Mr. J. Brunt, penningm., namens het hoofdbestuur der Confessioneele Vereeniging en namens het classicaal bestuur van Leiden Ds, B. Bollee van Katwijk a/d. Rijn.
Modus-vivtndi-st/mmen. In de Kerkelijke Courant schrijft de ïEvangelische» Ds. M. Beversluis het volgende stukje.
Modus occidendi). In ons stukje over het modus vivendi-voorstel maakten we de opmerking, dat het ons toeschijnt alsof deze modus vivendi feitelijk zou neerkomen op een »modus occidendi» der kerk. Het Weekbl. v. Vrijz. Herv. noemt dit »een hard oordeel", gevormd «niet als slotsom van een nauwkeurig wikken en wegen, maar als vuurpijl na een paar vluchtige opmerkingen", en vindt dat het «getuigt van een bijzonder onvriendelijke gezindheid". Het blad brengt deze bij ons veronderstelde, on vriendelijke gezindheid verder in verband met de richting, waartoe de waarnemende redacteur behoort, en de bij hem, gelijk bij den redacteur van het Evangel. Zondagsblad misschien opgekomen vrees, dat bij de aanneming van het modus-vivendi-voorstel de Evangelischen er over 't geheel schraal zouden afkomen.
Wij willen in antwoord op deze wo'brden de opmerking een weinig nader trachten toe te lichten. Het komt ons voor, dat door een wettig regelen, consolideeren, vastleggen van de partijen, zóó zeer zelfs, dat in ééne gemeente verschillende »kerken« — gemeente-kerken genoemd, — gesticht worden, van elkaar in richting onderscheiden, die partijschap voor goed bestendigd wordt, en het begrip der ééne kerk feitelijk opgeheven. Zoodra die sgemeente-kerkemt gevormd zijn, elk met een eigen predikant (of predikanten), met I eigen kerkeraad, zelfstandige doops-en avondmaalbediening, zelfstandige lidmaattoetreding met eigen van elkaar afwijkende bevestigingsvragen, is de in naam dan nog bestaande gemeente, die allen omvat, en deel geacht wordt van de algemeene kerk, feitelijk tot een hollen vorm geworden. De kerk heeft zich zelf inwendig gesplitst, al blijft voorloopig de uiterlijke band nog bestaan. Zooals' de ééne bloembol tot twee wordt, die van elkaar vallen zoodra het uiterste dek, dat hen omsloot, wegvalt, zoo is dan de ééne kerkf geworden tot vele »gemeente-kerken«, die los van elkaar voortleven, elkaar niet noodig hebben, en alleen finantieel en administratief verbonden zijn. Het proces van decentralisatie, van ontbinding in verschillende groepen, wordt dus, naar het ons toeschijnt, door de stichting dezer „gemeente-kerken" niet^i? j/«^«V, nog minder overwonnen, maar bevorderd en versneld. En dat dit ontbindingsproces vroeg of laat op den dood der kerk moet uitloopen schijnt ons ontwijfelbaar. Een „modus vivendi" der kerk bedoelt toch: eene wijze van leven en levend blijven der kerk; maar het voorstel schijnt meer het oog gericht te hebben op den „modus vivendi" der richtingen en groepen. Dat deze er in hun leven door zullen bevorderd worden, is wel te verwachten; maar dit sterker worden van de afzonderlijke, elkander veroordeelende deelen kan; o.i. niet anders dan nadeelig zijn voor het leven van het geheel; zoodat het dan een „modus occidendi" der kerk wordt, een middel om den ondergang der kerk als geheel te bevorderen en te verhaasten.
Dat bij het aanvaarden van dit modus-vivendivoorstel er de Evangelischen over het geheel niet erg best afkomen zullen is misschien waar. En in het algemeen zal het moeilijk zijn aan alle groepen en richtingen recht te laten wedervaren. Als er in de kerk slechts twee richtingen bestonden, zoodat er in de gemeenten ook slechts twee groepen bevredigd moesten worden, dan zou er misschien iets te zeggen zijn voor het idee van splitsing, in welken vorm dan ook. Maar, , , , er zijn minstens vijf richtingen: de gereformeerden, de confessioneelen, de ethischen, de evangelischen en de modernen, In sommige gemeenten staan de gereformeerden tegenover alle anderen; in andere valt de scheiding tusschen confessioneelen en ethischen; in weer anderen scharen de ethischen zich ook rechts. Hoe moet 't nu gaan met al deze groepen ? Moeten er even zoovele gemeentekerken« in elke gemeente komen als er richtingen voldoende vertegenwoordigd zijn ? Of moeten de groepen zich, nolens volens, in twee gedeelten splitsen? En waar ligt dan de scheidingslijn? Hoe zeer ook het verschil groot is tusschen de groepen, en er bij de uiterst rechtsche en uiterst linksche groepen van antithese zou kunnen gesproken worden, toch was het volkomen naar waarheid toen Bins indertijd, in de dagen der «eenheidsbeweging», sprak van «dooreengeloopen kleuren». En waar moet nu bij die dooreen vloeiing de principieele scheidingslijn getrokken worden ? Zullen niet jnist de middengroepen, ethischen en evangelischen, daarbij in het gedrang komen, - en tegen hun zin, 't zij bij de rechtsche, 't zij bij de inksche »gemeente-kerk« gedrongen worden ?
Het is door verschillende bladen uitgesproken, dat het te waardeeren is en weldadig aandoet, dat in de toelichting van bet voorstel uitgegaan wordt van het erkennen van de historisch geworden toestanden ; dat feitelijk het recht van bestaan der verschillende richtingen erkend wordt. En zeker, wij willen niet miskennen den bezadigden en waardeerenden toon en geest van het voorstel, dat zeker de voorstellers eert. Maar daaruit mag niet volgen, dat wij de oogen sluiten voor de bezwaren, waar het zulk een ingrijpend voorstel betreft, waarvan niemand de gevolgen kan berekenen. Zeker is het goed rekening te houden met & ^geworden toestanden ; maar moet niet evenzeer gerekend worden met de nvordtnde toestanden ? Zooals het ééne kerkverband belemmerend is voor & & geworden partijverdeeling, zoo kon de splitsing in »gemeente-kerken« wel eens eene belemmering worden voor de wordende partij wijzigingen en verzoeningen. Juist het tijdelijk verschijnsel van elkaar fel bestrijdende partijen te maken tot een blijvende splitsing, reglementair vastgelegd, schijnt ons het bedenkelijke van dit voorstel. »Evangelisatiën«, »Vereenigingen van Vrijzinnige Hervormden», en welke groepen verder eigen godsdienstoefeningen organiseeren, hebben nu slechts een tijdelijk karakter; bij de invoering der »gemeentekerken« worden zij bestendigd, en het partijwezen in onze kerk officieel aanvaard en vastgelegd.
In de (Ethische) Nieuwe Nederl. Kerkbode schrijft Dr. P. Blauw van Haarlem het volgende :
De kerk en de modus vivendi.
Ik stel voorop, dat ik niet behoor tot hen, die van te voren reeds klaar zijn, om den modus vivendi te verwerpen, en evenmin tot hen, die den weg, welken wij te gaan hebben, in alles duidelijk vóór zich zien. Maar ik stel twee vragen : gaan wij niet de kerk als kerk begraven, zoodra de modus vivendi wordt aangenomen — en, als dat zoo is, mag dat ? In alle verzet tegen het herstel eener belijdende kerk heeft mij één ding altijd sterk gehinderd. Men heeft zijn tegenstanders beschuldigd van ^bekrompenheid», «drijverij», «partijbelang» enz. Ik weet, dat, zij er zijn aan alle zijden — en ik vrees ze. Maar kan men niet gevoelen, dat het — om nu maar één te noemen — Prof. Gunning te doen was om de kerk »als kerk» te behouden — en dat de kerk »als kerk» enkel bestaat, wanneer zij het Hootd der kerk, Christus, belijdt 1 Men heeft zijn tegenstander dan eerst overwonnen, niet wanneer men bijkomstige vermeende of werkelijke fouten heeft aangetoond, maar wanneer men zijn beginsel in den zuiversten vorm genomen heeft overwonnen — en hééft men dat werkelijk ? Laat men niet vergeten : er ligt hier voor velen een gewetenszaak, des te smartelijker gevoeld, als zij dit is bij menschen, die ruim zouden willen'zijn, voor wie uitsluiten het tegendeel van hun begeeren is.
De modus vivendi geeft de kerk prijs aan de richtingen. Hij wil enkel een «administratieve eenheid der kerk» bewaren. Daar is dus geen band van belijdenis. Toch: het schijnt soms wel. In Art. .12 worden de art. 38 en 39 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs gehandhaafd. Zoo wordt dus van ieder lidmaat, ook der afzonderlijke gemeente-kerken, deze belijdenis gevraagd. Art. 5 zegt bovendien, dat een gemeentekerk niet kan erkend worden door het Class. Bestuur, wanneer haar statuut, dat ook haar geloofsgrondslag bevat, in strijd is met »de algemeen verbindende reglementen der kerk.« Dat is eigenaardig: nu stelt dus deze modus vivendi, die aan alle richtingen plaats wil geven, het Class. Bestuur voor de éaak, dat het geloofsgrondslagen gaat onderzoeken en toetsen aan de «algemeen verbindende reglementen der kerk.«
Men zou zeggen: er is dus toch iets van een gemeenschappelijke belijdenis, die ook gehandhaafd zal worden.
Maar: de kerk zal enkel een administratieve eenheid vormen. Bovendien wordt bepaald, dat de kerkeraad, die dan in één gemeente de administratieve band der afzonderlijke gemeentekerken vormt, de lidmaten in die gemeentekerken aangenomen moet erkennen.
Omgekeerd heeft de gemeente-kerk het recht een lidmaat van elders tot haar komend, als zij wil, af te wijzen.' De gemeente-kerk mag dus naar haar eigen geloofsnormen oordeelen — en mag afwijzen ook hen, die op de belijdenis van Art. 38 en 39 der kerk zijn aangenomen.
Zoo is het niet anders te denken, dan dat men er op neer zal komen in volle consequentie te aanvaarden, dat de kerk enkel en alleen een administratieve eenheid zal zijn en dat geen norm van Christelijke belijdenis in haar werkelijke kracht zal hebben. Elke gemeente-kerk zal bijkans volle vrijheid bezitten.
Ik maak van deze conclusie gaarne een vraag: is dat zoo, en is het ook zoo bedoeld?
En Jlls dat dan werkelijk zoo is, dan komt de vraag: is dit geoorloofd ? Ik kan mij begrijpen, dat velen zeggen: gij moet die gedachte prijsgeven, dat onze kerk een kerk kan zijn, die Christus belijdt als Heer en Heiland. Gij moet u gewonnen geven, en dit loslaten, al ligt er voor u en velen een ideaal in. Gij behoeft persoonlijk niet uw belijdenis van Christus te herzien, maar gij moet uw gedachte over de kerj[ veranderen. En ik gevoel ook, dat deze woorden zéér gesteund worden door de kerkelijke practijken.
En toch — ik ben niet overtuigd, dat het ons geoorloofd is de kerk als kerk op te lossen en te maken tot een administratieve eenheid. Ik durf niet formeel en reglementair de rechten gaan verkorten van Hem, Die de eerste rechten heeft, en de Kerk, die Hem toekomt, prijs te geven aan de richtingen.
Ik zie de richtingen, ik geloof aan ernstig willende menschen aan alle zijden, ik zou onze kerk bijeen willen houden, ik zou vrede willen met allen — maar is het geoorloofd tegenover Hem, dat wij de kerk als kerk prijs geven en er van maken een administratief genootschap.''
Het is een vraag — waarop ik nu nog „neen" zeg; maar ik ben bereid overtuigd te worden.
Anderen spreken ook in dit blad over practische bezwaren, die ik laat rusten. Al deze vragen, waarachter zoo veel droevigs ligt, wil ik doen uitloopen voor mijzelf — en velen zullen dit zeker met mij gevoelen — in deze heerlijke geloofszekerheid, dat ook wanneer de kerk als I kerk werd prijsgegeven, de gemeente van Christus ongeschokt staat. Hem is de lof in de gemeente. Er is geen kerk, die „de eerste en de laatste" is. Maar Hij wel kan tot ons zeggen: „ Vrees niet; Ik ben de eerste en de laatste, en Die leef en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen".
H.
P. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's