De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Billijk ontstoken?

Ds. Brummelkamp, lid der lie Kamer, te 's Gravenhage, wijdt in de Nieuwe Haagsche Courant van 9 Aug. 1.1. een hoofdartikel aan hetgeen hij het verwijt van Prof. Visscher noemt. Gaarne dienen wij onzen geachten recensent van een kort antwoord.

Ie. Ds. Brummelkamp meent, dat ik eene onbillij kheid beging door de Hegelschc wijsbegeerte met de Vrije Universiteit te - vergelijken. Het doet mij inderdaad leed, maar ik kan alsnog de onbillij k-heid dier vergelijking niet inzien.

Hegel had een geheel eigen wetenschapsbegrip, dat in hooge mate bevruchtend gewerkt heeft op de ontwikkeling der moderne wetenschap.

Het neo-Calvinisme heeft wel eene Vrije Universiteit opgericht, maar mist tot nu toe een eigen wetenschap en was dus met onvruchtbaarheid geslagen, ondanks die Universiteit. Voor wie eenigszins met het wetenschappelijk leven op de hoogte is, zijn deze dingen klaar als de dag. Wat onbillij ks kan er dan zijn in het constateeren van dit nuchtere feit?

2. Ds. Brummelkamp meent nu wel te moeten opmerken, dat het doel der V. U. niet geweest is omzetting der wetenschap in haren geest, maar het doet mij voor hem leed, dat hij door deze bewering met zichzelven in tegenspraak komt.

Aan het slot van zijn artikel luidt het aldus: „Vraagt men ons of de Vrije Universiteit dan geen ideaal heeft, geene ambitie van de hoogere soort ? Dan antwoorden we: voorzeker de ambitie van den zuurdeesem. Zij wenscht haar beginsel te propageeren." Welnu, wat is dat anders dan de begeerte naar omzetting van het wetenschappelijk bewustzijn? Trouwens als het alleen maar de. bedoeling geweest was eene antithetische positie in te nemen, dan zou het do moeite niet loonen voor zulk een betrekkelijk onschuldig doel eene zooveel omvattende inrichting als eene Universiteit, op te richten. Eene gereformeerde Vrije Universiteit, die niet doelt op omzetting der wetenschap, is geheel doelloos en mist in nog veel strikter zin bestaansrecht dan schrijver dezes ooit beweerde van deze V. U.

3e. Ds. Brummelkamp beweert, dat de V. U. is uitgegaan van het feit, dat er tweeërlei wetenschap is: „ééne die uitgaat van het geloof aan de H. S. en ééne die dat verwerpt" Nu beken ik gaarne met hem te gelooven, dat er tweeërlei menschen zijn, menschen, die uit God leven en menschen, die uit Hem niet leven, herborenen en onherborenen. Maar ik zie met den besten wil niet in, dat daaruit moet volgen dat er een Vrije Universiteit »p geref. grondslag moet wezen.

Aan een paar godsdienstige woorden over geloof of ongeloof heeft men niet, als het er opaankomtduidelijk te maken waarin de bijzondere wetenschap bestaat, waarvoor een V. U. wordt noodig geacht. Immers dat bijzondere kan niet liggen in een godsdienstige belijdenis, maar moet gegeven zijn in de daaruit afgeleide wetenschap. Eene kerk kent men aan hare belijdenis, eene bijzondere Universiteit aan haar bijzondere wetenschap. En deze laatste ontbreekt hier geheel.

4e. Hoe men zich met zijn beroep op „depahngenesie", op de wedergeboorte in deze zaak vast werkt, kan ook Ds. Brummelkamp niet verborgen blijven. In waardeering van de beteekenis der wedergeboorte voor het gansche geestesleven verschil ik met Ds. Brummelkamp niet. Maar het gaat niet aan daaruit nu zoo maar het bestaansrecht eener V. U. te distilleeren. Uit het feit der wedergeboorte volgt immers nog volstrekt niet, dat iemand Calvinist is, evenmin als uit het feit, dat iemand Calvinist zich noemt, volgt dat hij wedergeboren is. Dat zal Ds. Brummelkamp zeker wel met mij erkennen. Maar als nu aan eene V. U. uit grond der wedergeboorte de wetenschap beoefend zal worden, dan moet toch zeker voor alles vast staan, dat wie daar als Hoogleeraar zal optreden Ie herboren moet zijn, 2e dat speciaal Gereformeerde karakter moet bezitten, dat het Calvinisme kenmerkt. Waar is nu de maatstaf om uit te maken dat deze twee voorwaarden vervuld zijn? Juist omdat de vraag naar de wedergeboorte niet vatbaar is voor objectieve beslissing, als het geldt het doen van benoemingen, en er toch voor de beoefening der wetenschap alles van afhangt, is het gevaar voor pseudo-gereformeerdheid zoo groot. En het komt mij voor, dat van eene V. U. die publiek met de pretentie optreedt, dat zij uit het beginsel der wedergeboorte de wetenscliap beoefent (afgezien dan nog van de vraag, waarin zulk eene wetenschap bestaat), hoewel over de wedergeboorte der personen geene absolute zekerheid te krijgen is, voor het gereformeerde leven veel grooter gevaar dreigt dan van eene openbare Universiteit.

5e. Blijkt hieruit, dat het vraagstuk met een beroep op tweeërlei menschen of op eene religieuse belijdenis, nog niet is opgelost, dan veroorloof ik mij de vraag, met welk recht men zulke groote woorden en harde verwijten richt aan mijn adres ? Zeker, Prof. Visscher heeft de vraag aan de orde gesteld. Natuurlijk niet voor zijn eigen genoegen. Maar als men door politieke actie zich groote staatssubsidies wil verschaffen, dan is voor alles noodig, dat licht opga over de grondvragen.

Het is de plicht van de voorstanders der V. U. dat licht te doen opgaan. Met een belijdenis der kerk of een beroep op de wedergeboorte is-men daarbij niet klaar, want eene Universiteit is geen kerk, ook geen lagere en ook geen middelbare school. Wie zulk eene bijzondere Universiteit voor zich opeischt en daarvoor een publieke positie en steun van den staat begeert en daartoe eene politieke actie wil aanleggen, die zal moeten duidelijk maken, waarin haar bestaansrecht ligt en welke waarborgen zij heeft om het bijzonder karakter ook ongerept te handhaven.

Men kan toch geen vrede hebben met een Universiteit, die in naam alleen gereformeerd is en wier eenige eigenaardigheid daarin bestaat, dat hare besturen en wetenschappelijke krachten nomiaal behooren tot een bepaalde kerk of zich zelven indeden bij een bepaalde godsdienstige richting. Zulk een eenziijdige, bekrompen, impotente inrichting zou den naam van Universiteit niet waard zijn. Bovendien zoo iets is een schade voor Gods Koninkrijk en een schade voor de wetenschap tevens.

Is dan de toorn billijk ontstoken ?

De Modus-vivendi.

II

Onze tegenwoordige kerkelijke organisatie heeft 't nu honderd jaar verdorven op 't terrein van onze Herv. (Geref.) Kerk.

De gereformeerde is niet vrij om kerkelijk te leven naar de beginselen der belijdenis, die naar Gods Woord zijn. Maar de moderne is ook niet vrij om in alles zich als moderne uit te leven.

De gereformeerde stoot telkens tegen allerlei reglements-bepalingen die niet naar 't Woord zijn.

Doch de moderne ervaart ook telkens dat de Herv. Kerk niet ingericht is op de vrije toepassing van de moderne beginselen.

't Eerste smart ons diep. 't Smart ons, omdat de gereformeerde beginselen ons lief zijn. Omdat de eere aan het Woord ontroofd wordt. Omdat den Christus Gods smaadheid wordt aangedaan.

't Tweede verheugt ons. 't Verheugt ons, omdat het een bewijs is, dat onze Herv. Kerk geen plaats gunt aan de modernen. Omdat in beginsel onze Herv. Kerk een belijdende Kerk is. Omdat de belijdenis der Herv. Kerk anti-modern is. En omdat er nu telkens weer gevoeld kan worden, dat men door een honderdjarige knabbel-politiek wel een plaatsje heeft veroverd, maar op grond waar men niet thuis hoort.

De gereformeerden hebben historische rechten en bevinden zich op eigen terrein in de Ned. Herv. Kerk.

De modernen hebben gebruik gemaakt van de treurige omstandigheden op onze Vaderlijke erve en hebben zich weten te nestelen op een plaats, waar ze niet hooren; waar ze in 1618 niet hoorden en waar ze in 1816 niet hoorden en waar ze in 1916 niet hooren.

Prof. Scholten zegt daarvan o.a.: „Het gevoelen van Arminius.... was strijdig met het beginsel van Gods souvèreiniteit en 's menschen volstrekte afhankelijkheid van God, zooals dat in alle symbolen der Kerk en bepaaldelijk in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en in den Heidelbergschen Catechismus te lezen stond."

„Het is onze overtuiging, dat de Remonstrantsche belijdenis, in de Vijf artikelen vervat en te Dordrecht door de gedaagde Remonstranten verdedigd, in beginsel gekant was tegen de Gereformeerde Kerk."

„De Remonstrantie van 1610, in de Vijf bekende Artikelen vervat, is lijnrecht strijdig met het grondbeginsel der Zwingliaansche zoowel als der Calvinistische Reformatie, waarop de Gereformeerde Kerk gebouwd is."

„Het Arminianisme was op Gereformeerden bodem een vreemd element, dat door de vertegenwoordigers van alle Gereformeerde kerken in en buiten ons Vaderland als ongereformeerd verworpen werd." (Leer der Herv. Kerk, blz. 56 ek.)

En als de vrijzinnigen' dan bazelen, dat in 1816 alles principieel veranderd is en er nu leervrijheid is in de Herv. Kerk en ieder voor zich maar moet uitmaken wat geloofd en geleerd en beleden moet worden, dan antwoorden we: „ja, dat zoudt ge wel willen dat dèlt waar was 1 Maar dat heeft de Heere genadiglijk verhoed."

Wel is er veel, heel veel geknoeid, waar wij nu allen saam de ellendige gevolgen van ondervinden, maar als men z'n goocheltoeren verrichten gaat met de woorden „geest en hoofdzaak", dan willen we weer Prof Scholten als getuige oproepen en hij zegt:

„het is de bedoeling der Synode van 1841 niet geweest, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak, de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrij staan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen dér opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren behoort aangemerkt te worden" (Leer der Herv. Kerk blz. 39).

Wel heeft men — we denken aan het jaar 1874 — soms bijna de wissel geheel omgehaald om de historische, gereformeerde lijn te verlaten 'en over te gaan op het terrein van het algemeen Christendom, toen de Synode de woorden „handhaven der leer" uit art. XI Algem. Regl. wegnam en er voor in de plaats zette „handhaven der beginselen van het Protestantisme", maar men moest deze wijziging direct weer terugnemen en de aloude bekende woorden laten staan!

De redeneering van de Synode was toen: „dat de leer, in de Ned. Geloofsbelijdenis, den Heidelb. Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordt de historische grondslag der Herv. Kerk was (schrijf dit Synodale woord uit den jare 1874 aan den balk!) maar, dat die leer door de gemeente nu niet meer met genoegzame eenstemmigheid werd beleden en dat men daarom het oude maar moest laten voor 'tgeen het, , was en intusschen moest voortbouwen op „christelijken grondslag" en den „christelijken godsdienst" moest aankweeken enz. En er werd bij gevoegd, dat „niemand als lidmaat of leeraar geweerd zou kunnen worden, die, bij beantwoording aan de overige vereischten, verklaarde in zijn

geweten overtuigd te zijn, dat hij, overeenkomstig bovengenoemde Protestantsche beginselen tot de Ned. Herv. Kerk mag behooren."

Men voelt, toen ging het om een principieele verandering in zake de leer der Kerk en in zake de historie der Kerk. Men stond gereed om op een ander spoor over te gaan; de wissel was door Synodale handen reeds overgetrokken. Maar men moest oogenblikkelijk weer terug! De Kerk zelve heeft het verhinderd. De Heere is tusschenbeide gekomen. En de historische, gereformeerde, Schriftuurlijke weg is niet verlaten. Men moest z'n voeten van dat modern geplaveide pad van het , , algemeen Christendom" weer terugtrekken. Art. XI van onze kerkeüjke grondwet is niet veranderd. Toen niet en nóg niet!

En — uit het kwade komt nog wel eens iets goeds — bij die gelegenheid, dat de Synode „de leer der Herv. Kerk" wou gaan begraven (wat God verhoed beeft) nam Prof. Dr F. W. B. Bell 't woord en zei:

„dat met de woorden „leer der Herv. Kerk" niets anders kan bedoeld zijn, dan de "leer die begrepen is in de Ned erlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordrecht, dat is : de leer, welke in de aangenomen Formulieren van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen is."

Waarbij Z. H. Gel. herinnerde aan een Synodaal woord uit het jaar 1861, vervat in eene „Inlichting omtrent de beteekenis der vraag naar onberispelijkheid in de belijdenis" 't welk aldus luidt: „de leer der Herv. Kerk is de leer welke begrepen is in de belijdenisschriften onzer Nederl. Hervormde Kerk, die ; rechtens nooit zijn afgeschaft". „Kan en I mag ^an die woorden de leer d& r Herv ; Kerk in art. XI geen andere zin dan ' de genoemde gehecht worden, aan het \ woord „handhaving" van die leer kan I en mag geene andere beteekenis worden gegeven dan deze, dat allen die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk Bestuur belast zijn, die leer der Herv. Kerk — en dat wel zooals zij luidt in haar geheel — moeten handhaven, zoowel door zelv& n die leer van harte te belijden en aan te bevelen, als door te waken, dat die leer geleend en beleden luorde door allen, die aan hun bestuur onderworpen zijn "

Deze dingen spreken voor zich zelf.

En het heeft ons meer dan eens onaangenaam aangedaan, dat b. v. in de uitgave van onze kerkelijke Eeglementen, bezorgd door den heer Knottenbelt, oudsecretaris van de Synode, telkens zoo weinig van deze dingen in de aanteekeningen wordt opgenomen en we kwamen er toe deze dingen juist hier in dit verband, nu we handelen over den Modusvivendi, nog weer eens breed voorop te stellen, omdat we een boekje van Ds. Horreüs de Haas onder de oogen kregen D.l. „de belijdenis-quaestie in de Ned. Nerv. Kerk", in welk geschrift (Uitgave HoUandia-Drukkerij) zeldzaam gemakkelijk over deze dingen wordt heengesprongen. Met de bedoeling natuurlijk, om het als een heel gewone zaak voor te stellen, dat de Herv. Kerk eigenlijke en eonfessieloozeKerkelijke gemeenschap iswaar ieder zich kan bewegen zooals hij wil. En die dat niet goed kan vinden, die stappe er uit — de gereformeerde b.v. ! — en die ga naar de bestaande geref. kerken of die make zelf een kerk met een belijdenis.

Maar voor zulk lichtvaardig gedoe, waarbij alle historie eenvoudig om hals gebracht wordt, gaan we vooreerst nog niet op zij.

En we willen wel praten met elkaar. Maar dan moet men goed weten waar 't op staat in onze Herv. Kerk:

Onze Herv. Kerk is de aloude Geref. Kerk met de aloude geref. belijdenis; waar degenen die eerlijk en hartelijk instemmen met de belijdenis rechten kunnen en mogen doen gelden — maar waar allen, die in geest en hoofdzaak met die belijdenis verschillen, niets in te brengen hebben!

Naar Goddelijk recht niet.

En naar menschelijk recht niet.

Als dat vaststaat, dan willen we praten. Onze Herv. Kerk heeft niet zooals b.v. de Evangelisch-Luthersche Kerk sinds 1913 een bepaling in de Eegl als deze: ; , geen reglement, verordening of besluit mag iets bevatten, dat de geloofsvrijheid van gemeenten of bijzondere personen aantast."

Dat is modern.

Vroeger was er een Ev. Luthersche „leer"; toen was er ook leertucht. Maar tegenwoordig mag ieder denken en leven zooals hij wil en geen Synode of kerkelijke vergadering heeft het recht hem daarover lastig te vallen. Er zijn geen afwijkende gevoelens, want er is geen erkende maatstaf, geen omschreven beginsel, geen vastgestelde Igu. Er is volkomen vrijheid in gelooven en leeren en spreken en handelen. Zelfs de doop is feitelijk afgeschaft.

Dat is echt modern.

Maar zoo is het in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk niet.

Daar is de leer der Herv. Kerk. Hoezeer er ook mee geknoeid wordt. Maar dan wederrechtelijk. En dan altijd zoo, dat men nooit echt als moderne kan uitkomen. Want dan botst men tegen het leerstellig samenstel dat nog altijd in 't midden van de Herv. Kerk staat, den moderne als een steen des aanstoots en een rots der ergernis.

De historie moet spreken. En de positie ! der verschillende richtingen in de Herv. Kerk — bizonderlijk van de modernen — moet goed onderscheiden worden.

Anders komen we in 't moeras. En dat moet niet.

Wij voor ons gunnen den modernen geen plaats in het midden van de Ned. Herv. Kerk.

Nu niet en nooit! Niet, dat we de modernen als menschen niet in alles ter wille zouden willen zijn.

O, zeker! Wanneer we iemand, die modern is, kunnen helpen of ter wiUe zijn, dan kan men altijd op ons rekenen!

Maar wanneer de modernen met hun moderne beginselen tot ons komen — al was 't met duizend gulden in de hand — en ons vrijheid vragen om den kansel te mogen gebruiken ter verkondiging van hun evangelie, dan nooit! Omdat hun evangelie tot smaad van Christus en tot verderf der ziel is.

En omdat de modernen geen recht hebben in de Ned. Herv. Kerk als modernen op te treden.

Zij hebben het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen — en te beluissteren — zooals onze belijdenisschriften ons dat Evangelie nader uiteenzetten.

Wü men modern zijn en begeert men als moderne te spreken en te luisteren, dan moet men naar de Remonstrantsche Kerk gaan, of naar de Vrije Gemeente ; van Hugenholz. Daar hoort men thuis. I Daar ergert men niemand en daar wordt ; men niet geërgerd. Maar in de Herv. ' Kerk hoort men niet thuis,

\ Dat is ons standpunt geweest zoolang I we bewust meeleven met 't geen rondom ons gebeurt op ons kerkelijk erf. Dat was ook het standpunt van onzen vader en grootvader. En op dat standpunt hopen we te blijven staan zoolang we leven en als wij er niet meer zijn, hopen we dat onze kinderen in deze 't zelfde standpunt zullen innemen.

Recht is recht en eerlijk is eerlijk!

Daarom is 't ook voor ons een eerlijke strijd geweest, werkelijk om de eere van onze belijdenis en daarin om de eere van een Drieëenig God en het heil van onze '. Herv. Kerk, toen we hebben beproefd ! om wijziging te krijgen in de proponentsformule en toen we hebben getracht om de toomelooze willekeur bij het stellen ! van behjdenis-vragen eenigermate in te perken.

Dat was om, zoo mogelijk, de vage en bijna uitgewischte lijnen in zake de rechte belijdenis weer eenigszins duidelijker te doen uitkomen.

Zachtjes aan. Voorzichtig. Niet met groote krachtproeven. Maar zóo dat geleidelijk de lijnen der historie weer boven kwamen en de ruwste misbruiken werden afgesneden.

Dat is geen „opblazen" geweest.

Dat is geweest een oprecht beproeven om het goede te zoeken voor onze Herv. Kerk, waarbij we ons hartelijk zouden hebben verheugd als de Synode den geloofsmoed had gehad, om de belijdenis onzer Kerk, om de bijbelsche, goddelijke waarheid weer een weinig naar voren te gaan brengen.

Wie er dan uitgegaan was, die was van ons uitgegaan omdat hij niet van ons is.

Nu staan we volstrekt niet op deze zaak, in betrekking tot proponentsformule en belijdenisvragen, als op iets, dat het eenig ware en het alleen goede is.

Heelemaal niet. Dat hebben we nooit beweerd en dat willen we nu ook nog wel weer eens verklaren.

We willen elke eerlijke poging die gedaan wordt tot genezing van onze kranke Kerk gaarne met sympathie en waardeering ontvangen en indien het ook maar eenigszins mogelgk is willen we elke eerlijke poging tot Kerkherstel steunen.

Want we leven onder zoo droeve omstandigheden. Het gaat zoo ellendig toe. En willen het wel weten: we hebben er moeite mee, nu wéér afbrokkeling van onze aloude Geref. Kerk plaats heeft Nu weer mannen en vrouwen heengaan, na de kwestie Ds. Keek. Zeker! ze zien de dingen verkeerd. Ze doen de dingen verkeerd. Er is gedoopt in den naam des Vaders en des Zoons en des Heüigen Geestes en wat bezwaar is er dan om de kinderen in te schrijven in het Doopboek ? Onze Vaderen — gelijk wij — erkenden den doop van de Roomsche Kerk wel. En daarom Ds. Keek en de zijnen onderscheiden de dingen niet recht. Ze zien de dingen niet goed. Wat samenhangt met zooveel, waarin ze, naar wij meenen, niet spreken en handelen zooals dat naar den eisch van het Woord en naar uitwgzen van onze geref. belijdenis is. Maar dat alles neemt niet weg, dat ook deze geschiedenis weer bewijst hoe treurig het kan toegaan in onze Herv. Kerk.

En daarom, elke eerlijke poging om te komen tot kerkherstel is ons welkom en we willen daarin waardeeren en steunen wat maar eenigszins mogelijk is.

Maar — en dat moet nu eens niemand ons kwalijk nemen — men moet in de gereformeerde lijn blijven, het moet in aansluiting zijn met de historie van onze Kerk en het moet gaan om de Kerk als Kerk te redden.

We willen nu het voorstel en de Toe-Hchting van de Utrechtsche hoogleeraren nader bezien, om te zeggen wat ons aan trekt en wat ons tegenstaat.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's