De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Synode.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Synode.

8 minuten leestijd

Protest Ds. Lütge c.s.

Daar we de zaak niet zonder beteekenis viaden n.l. hoe de Synode zich gesteld heeft tegenover het protest Lütge, Oorthuys en anderen, willen we hieronder overnemen wat Ds. Bloem, lid van de Synode, daarover schrijft in „De Geref. Kerk".

Hierna kwam aan de orde het rapport over 't boven reeds genoemde protest van Ds. Lütge c s. Rapporteur was de heer Timmers. De rapporteerende Commissie in haar geheel bestond uit de heeren Timmers, Zoete, Dr. Daubanton, Zijp, Bolt, Weyland en Schrieke. Het rapport bevatte drie conclusies. De eerste, van de Commissie in haar geheel, waarmede zich ook de Synode in haar geheel vereenigde, was, dat adressanten te ver gaan wanneer zij zeggen dat de Synode ten vorigen jare op het voorstel Lütge CS. geen ander antwoord heeft gegeven dan een kortweg „wij doen het niet." In de Synode van 1914 was dezelfde zaak breedvoerig besproken en men mag van de Synode niet eischen dat zij dan dadelijk het volgend jaar over dezelfde zaak weer even breedvoerig discussieert.

De hier verkregen overeenstemming bleek intusschen ook reeds van niet meer dan formeelen aard te zijn. Een minderheid in de Synode gaf wel dit bezwaar tegen het protest toe, maar achtte het van weinig beteekenis en de hoofdzaak niet rakende — andere leden wenschten er sterk den nadruk op te leggen en er gevolgtrekkingen uit af te leiden die weinig vriendelijk waren voor Ds. Lütge c.s.

Blijkbaar had de meerderheid der Commissie gewenscht dat hiermede de zaak afgedaan en 't protest verder ter zijde gelegd zou zijn. Dit werd verhinderd door een tweede en derde conclusie. De tweede conclusie was die van een minderheid in de Commissie (de heeren Timmers en Zoete) en hield in: dat het hoofdbezwaar van Ds. Lütge c.s. hierin bestaat dat, waar zij zich beroepen hebben op de H. Schrift, de Synode hen niet uit de H. Schrift heeft weerlegd, of ook zelfs maar getracht te weerleggen. Zij meenen, dat het protest dan ook hoofdzakelijk bedoeld is tegen de weigering van de Synode van 1915 om duidelijk uit te spreken wat in de proponentsformule bedoeld is met de woorden „de beginselen en het karakter, van de Ned. Hervormde Kerk" en , het Evangelie van Jezus Christus" en dat Ds. Lütge c s. met hun protest daartegen volkomen gelijk hebben. De Synode had aan hun verzoek behooren te voldoen.

Deze conclusie gaf aanleiding tot een uitvoerige discussie, waarin vanzelf ook betrokken werd de door Prof. Daubanton gestelde derde conclusie: „dat de Synode krachtens hare samenstelling, welke weder gevolg is van den toestand onzer geheele vaderlandsche kerk, niet in staat is een eensluidend antwoord op de gestelde vragen te geven."

In de discussie drong Prof. Daubanton er op aan, nu eens lüet aan politiek te doen en geen verstoppertje te spelen, maar ronduit te antwoorden dat de Synode onmachtig is om aan 't verzoek van Ds. Lütge c.s. te voldoen, omdat de modernen onder „het evangelie" heel iets anders verstaan dan de orthodoxen.

Prof. Aalders voerde daartegen aan dat de Synode niet mag zeggen: sommigen denken zoo, anderen zoo, daarom onthouden wij ons van een uitspraak. Daarmee zou men den bestaanden toestand als normaal erkennen, terwijl die juist abnormaal is. Op de vraag van Prof. Daubanton, hoe dan het antwoord aan Ds. Lütge zou moeten luiden, antwoordde hij met een verwijzing naar de H. Schrift en naar de belijdenis onzer kerk.

De secretaris zou willen dat dergelgke adressen en protesten, waarin men voortdurend met dezelfde dingen bij de Synode terug komt ter zijde gelegd en niet besproken werden. Overigens zegt hij zal de Synode geen antwoord geven en kan zij dat niet doen. Zij kon niet zeggen zóó is het. Hij meent dat Lütge c.s. dat ook zeer goed weten en niet komen om een antwoord te krijgen maar om de Synode verdacht te kunnen maken.

Dr. Weylandt zegt dat antwoord geven op de gestelde vragen onprotestantsch zou zijn. Formuleering te eischen van geloofswaarheden acht hij Roomsch. Wie een belijdenis als wet wil opleggen hoort in de Roomsche kerk thuis. De zegen van het Protestantisme bestaat juist daarin dat ieder zijn geloofsovertuiging naar eigen inzicht mag formuleeren.

Ds. Prins zegt dat hij in dat drijven van den laatsten tijd veel oneerlijks vindt. Zij die het doen zijn tot de kerk toegetreden en hebben hun bediening in de kerk aanvaard, toen zij wisten hoe het met de kerk gesteld was. Maar dan is 't oneerlijk tegen dien toestand in verzet te komen.

De heeren Cremer, Schrieke en Tommens spraken in denzelfden geest als de secretaris, Dr. Weylandt en Ds. Prins en spreken daarbij ook hun twijfel aan de oprechtheid van de heeren Lütge c.s. uit.

Daartegenover protesteerde de heer Timmers tegen de manier waarop door sommige sprekers over adressanten gesproken was, en welke hem zeer onaangenaam had aangedaan. Overigens meent hij dat als de Synode dan op deze vragen niet antwoorden kan, dit wel een bewijs is dat het met onze kerkelijke organisatie niet in orde en reorganisatie noodig is. Dan wil hij er ook op wijzen dat het onjuist is dit protest voor te stellen als een oppositie van de Confessioneelen alleen. De adhaesiebetuigingen aan soortgelijke adressen in 1914 en 1915 bevatten naast de namen van Confessioneelen ook die van Ethischen en van mannen van den Geref. Bond.

Ds. Steenbeek zegt dat men het oordeel over de bedoelingen behoort over te laten aan den kenner der harten. Verder wijst hij er op dat aUes wat een inhoud heeft, ook een vorm heeft. Men moet zijn geloof toch uitspreken, ook de kerk moet dat doen en daarvoor een vorm kiezen. Hij betreurt dat de Synode altijd moet verklaren op de groote vragen 'geen antwoord te kunnen geven.

Ds. de Groot protesteerde tegen de verdachtmaking van de adressanten. Waarom mogen zij niet eerlijk zijn en spreken uit den drang des harten ? Hij gaat niet mee met Dr. Weylandt die het individuahsme huldigt. Hg hoorde spreken van het genot van de sympathie van gelijkgezinden. Hij wü verder gaan en acht het een eisch der kerk zich uit te spreken in haar belijdenis. Een kerk zonder belijdenis is een kerk, die te gronde gaat.

Ds. Zoete protesteert tegen de duidelijke onwelwillendheid waarmede de Synode alles wat van Confessioneele zijde komt ontvangt en tegen de bewering dat deze vragen gedaan zouden zijn om de Synode in een hoek te duwen. De Synode heeft geweigerd de voorgestelde verduidelijking der proponentsformule vast te stellen. Nu is de vraag: zeg dan zelf wat met die verschillend opgevatte woorden bedoeld wordt, geheel redelijk. Het is toch droevig dat een proponent aan het Prov. kerkbestuur kan vragen: wat beteekenen die woorden, die gij mij laat onderteekenen en het Prov. kerkbestuur dan zou moeten antwoorden: Naar de uitspraak der Synode is dat niet uit te maken en kunt gij er de beteekenis aan geven die gij verkiest. Tegen ! Ds. Prins merkt hij nog op dat deze I toch ook zijn gemeente aanvaard heeft . met al haar zonden en gebreken en zich ; zelf toch niet voor oneerlijk houdt als hij tegen deze strijdt en protesteert. I Waarom acht hij dan anderen oneerlijk die protesteeren tegen de gebreken der kerk.

Ds. Bloem komt er tegen op dat door sommige leden personen en beginselen niet uit elkander worden gehouden, — dat waar men alleen de beginselen behoorde te toetsen, men in plaats daarvan personen gaat beoordeelen en veroordeelen. In het bijzonder wraakt hij dat gezegd is dat adressanten gedreven worden door haat tegen onze kerkelijke organisatie. In de zinsnede uit het honderdjarig protest die als bewijs hiervoor is bijgebracht leest hij heel iets anders. Hij leest daaruit inzicht in het feit en droefheid over het feit, dat toch ook onweersprekelijk is, dat onze organisatie zoo onnoemelijk veel schade heeft gedaan aan de innerlijke kracht en ook aan den uitwendigen bloei van onze kerk. Dat in te zien brengt den plicht mee om het ook uit te spreken, maar is allerminst bewijs van zondigen ' haat. Men heeft ook gezegd: het is te ; doen om straks de Synode te kunnen smaden. Neen! Als de Synode nu weer uitspreekt: wij kunnen niet zeggen wat de beginselen en het karakter onzer kerk zijn, dan betuigt zij daarmee dat onze kerk geen beginselen en geen karakter • meer heeft en dat ook zij zelf als ver-1 tegenwoordigster van die kerk geen be-; ginselen en geen karakter meer heeft. j Dan zijn het niet Ds. Lütge c.s. die haar smaden, maar dan smaadt zij zichzelf.

De conclusie van de heeren Timmers ! en Zoete bovenvermeld, werd tenslotte I verworpen met 13 tegen 6 stemmen.Voor stemden de heeren Steenbeek, de , Groot, Zoete, Bloem, Timmers en Leen-[ mans.

Men zou verwachten dat dezelfde meerderheid nu dan ook de derde conclusie I (die van Prof. Daubanton) zou hebben aangenomen. Dat gebeurde echter niet.

Ook die conclusie werd verworpen. Wel scheelde het maar één stem. De verhouding was 10 tegen, 9 voor.

's-Gravenhage, 5 Aug. '16.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Synode.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's