De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van de kennisse Gods.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de kennisse Gods.

14 minuten leestijd

Eerste serie,

X.

NIET LOSGELATEN.

Psalm 67 : 5b en de natiën op de aarde, die zult Gij leiden.

Zoo ligt dus de menschheid in den nacht van haar zonde en dood. Gebannen uit het paradijs, begeerig daarheen weder te keeren, vrede en zaligheid zoekend en gedoemd die nimmermeer te vinden, dolend en zwervend over den aardbodem, rusteloos voortgedreven door den geesel der onvervulde begeerte. Kampend tegen God, tegen den naaste, tegen zichzelven, verkeert de mensch in voortdurende worstelingen met de machten des doods. Hoe ontzettend zou het lot der menschheid zijn, indien er te midden dier ellende geene uitkomst, geene redding was geboden, indien zij in den afgrond was verzonken, zonder dat er ooit aan dien nachtelijken hemel een ster der hope lichten kon, indien zij gedoemd was tot een eeuwig geklonken zijn aan de rotsen van haar lijden en hare klachten moesten wegsterven langs de boorden van haar strafplaats, zonder dat ooit een oor zich naar haar leende. Indien in de donkerheid van haar zondegraf nimmer de fakkel des levens meer lichtte, dan zou deze aarde door den val reeds onmiddellijk verkeerd zijn in een hel, waarover nooit verlossing dagen zou.

Doch dat is juist ; , , het mysterie van Gods liefde, de onbegrepen macht zijner ontferming. Als er in het schepsel slechts is wat het veroordeelt en afsnijdt, dan doet de Heere eene afgesneden zaak. De mensch blies het licht zijner Godskennis uit en stond sinds in het nachtelijk duister met alle verschrikking 'zijner zonde. Het was hem onmogelijk om ooit weder op te komen tot het licht des levens, om zijn vloek weder om te zetten in een psalm des lofs. Maar wat hem onmogelijk was, en is en blijft, dat is mogelijk bij God. In zijn Vaderhart gloeit het vuur eener liefde, die niet gebluscht wordt door den onreinen adem onzer zonde. Wie zal Gods ontfermende liefde meten, wie doorgronden de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog? Het is onbegrijpelijk, ongelooflijk, en toch rijke, heerlijke werkelijkheid, dat over den nacht des doods in misdaad en zonde het bazuingeschal van den hemel weerklinkt, dat God Uefde is. De ontdekte zondaar kan het niet gelooven. Het is hem te wonderlijk, te groot, dat over zijn zondedood de Hefde Gods het levenshcht uitstralen zou. En zoo ook is het te won-; derlijk, dat de Heere het licht des levens [ zou laten opgaan in dien] nacht van dood, ' die de menschheid geklemd houdt in zijne boeien. En daarom, ala de apostel bij die reddende daden van vrij machtig ontfermen stil staat, blijft hem dan ook niet anders dan de uitroep der verbazing: „o diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Godsl Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen 1" Hij is een God, die het licht roept uit de duisternis, de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Waar geen grond voor genade is, daar vindt Hij er een, waar onze rede zegt, dat er geen uitkomst wezen kan, daar laat Hij ze dagen. Uit de baarmoeder van zijnen eeuwigen vrederaad laat Hij een vrede nederdalen, die een beginsel van levensharmonie in zich draagt, waarnaar de menschheid in haar diepen val smachtend uitziet en die zij zich toch niet verwerven kan.

Dit. is het schoone, het heerlijke, dat de Heere. toch den mensch niet prijsgeeft aan zijne zonde, dat Hij zijne hand niet van hem aftrekt, maar bemoeienis der genade met hem maken wil. Dat doet Hij nu op tweeërlei wijze, langs tweeërlei weg, die echter te zamen één einddoel hebben. Het ééne heeft de apostel gezien en aldus omschreven : „Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds kinderen waart in het vleesch, en die voorhuid genaamd wordt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vleesch, die met handen geschiedt, dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hoop hebbende en zonder God in de wereld. Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft." Dat was het groote, schoone einddoel Gods, die twee in Zichzelven tot een nieuwen mensch te scheppen.

De spil der wereldgeschiedenis is dus Christus. Dat is Hij niet slechts voorde gemeente, die zahg wordt, maar juist opdat zij zal zalig worden, ook van heel de menschheidsontwikkeling. Want die gemeente moet zijn uit alle talen, tongen, natiën en geslachten, dewijl zij ook alleen de ware menschheid is. Daarom laat God den mensch der zonde niet los in zijn val. Hij moet wel den vloek dragen en het gif van den zondedood moet wel in hem doorwerken, maar ook dan is hij toch niet verborgen voor Gods oog. Zoo wordt reeds door den psalmdichter ingezien in dat wonder van Gods historische leidingen met de menschheid, als hij zingt: „Al de heidenen, Heere ! die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zich voor Uw aanschijn nederbuigen". Immers, de Heere zegt, dat Hij aan de volkeren de erfenis uitdeelde, toen de Allerhoogste Adams kinderen van een scheidde. Ofschoon zij God niet kennen, zijn zij toch voor zijn aangezicht niet verborgen en hunne wegen liggen niet buiten zijn bestel. Ook die wereld der volkeren heeft een doel, dat niet buiten Gods Koninkrijk ligt. En heel hunne ontwikkeling moet daartoe strekken, dat zij ook in dat Koninkrijk worden opgenomen. Zij worden dan ook als rijp voor de groote daden van Gods genade. Zoo ziet de apostel Paulus dat groote werk der komst van Gods Koninkrijk als omvattend de heidenwereld, wanneer hij de verwerping van Israel als de verzoening der wereld aanmerkt. „Zoo zeg ik dan", zoo luidt het in Rom. 11, „hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? dat zij verre, maar door hunnen val is de zahgheid den heidenen geworden om hen tot jaloerschheid te verwekken". De Heere God werkt dus ook in die wereld der heidenen, opdat zij zullen worden toebereid om Christus te ontvangen. En zoo is er nu ook in die heidenwereld door de gemeene werking van Gods Geest nog een mate van Godskennis, die wel niet, zooals wij reeds opmerkten, den Heere doet kennen in de volheid van zijn goddelijk Wezen, die wel niet verder gaat dan een verstaan en doorzien van zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zi niet te verontschuldigen zouden zijn, maar waardoor zij toch zielsbehoeften gevoelen, die hen doet tasten, of zij Hem vinden mogen. Daaraan is dan ook eenerzijds te danken dat opgaan in de schepselen, dat heel dien afgodendienst en de gruwelen daarvan opriep, maar anderzijds wordt die gemeene werking des Geestes in de volkeren ook met de hooge vlucht van hun cultuur én geestesarbeid in verband-gebracht. Hetgeen zij schoons en heerlijks voortbrachten, dankten ookzij aan de drijfkracht, .die uitgaat van Hem, die daardoor ook de volkeren leidde en opvoerde tot een uitzien naar den komenden Heiland. Want dat ook de arbeid en de cultuur-ontwikkeling niet buiten goddelijk onderwijs omgaat, zegt de Schrift met nadruk: „Ploegt de ploeger den geheelen dag om te zaaien? opent en egt hij zijn land den geheelen dag ? Is het niet alzoo ? wanneer hij het bovenste van hetzelve efifen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezene gerst, of spelt, elk aan zijne plaats." Daar wordt dus gesproken van de ervaring en de ondervinding van den landarbeid. En hoe is de mensch er toe gekomen ? Niet door zijn eigen wijsheid, niet omdat hij zoo vindingrijk is, want de profeet Jesaja zegt er van: „en zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem." En zoo wordt ons ook in de Schrift geleerd, dat de Heere onder de van de bijzondere genade verstoken menschheid het recht bestelt, opdat de uitgieting van de zonde der menschen zal worden beteugeld en de wereld niet zal veranderd worden in een hel, zoodat alle saamleving nu verder onmogelijk zou zijn. Want als Kaïn van zichzelven meent, dat zijne misdaad grooter is dan dat zij vergeven worde en dat ieder, die hem vindt, hem zal dooden, dan treedt de Heere op om aan Kaïn een teeken te stellen en Hij zegt: „daarom al wie Kaïn «doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden". En zoo ook stelt de Heere onder alle volken de overheid in, die het zwaard niet tevergeefs draagt.

Het leven der volkeren en hunne ontwikkeling gaat dus niet om buiten Gods leiding en leering. Hij werkt onder de volkeren der wereld wel niet zaligmakend, maar dan toch op zulk eene wijze, dat hun algemeene toestand van dien aard wordt, dat zij den Zaligmaker kunnen ontvangen en geschikt worden om de prediking des Evangelies te beluisteren en zich te scharen rondom de banier des kruises. Het natuurlijke ontwikkelingsproces, dat de heiden wereld door maakt, heeft dus evenzeer ten doel Gods Koninkrijk te bouwen. Het heeft daaraan dan ook zeer veel toegebracht, want de groote denkkracht, die het ontplooid heeft, had niet alleen de strekking om de behoefte naar eeuwige dingen te wekken, maar later zijn ook de vruchten daarvan aan de gemeente ten goede gekomen, toen zij moest worstelen om aan het kruis de zegepraal te bereiden over de volkeren van het Westen. Voor den groei der Godskennis was dit alles van groote beteekenis. Veel' van hetgeen, waarin wij ons verblijden, kwam ons toe als een gave Gods door middel van hetgeen de historie der volkeren, van den beginne aan onder den invloed van de gemeene werking des Geestes, ons schoons en heerlijks te zien geeft. Het is dan ook ten eenenmale verkeerd te meenen, dat er tusschen de gemeente van Christus en de volken der wereld geen verband is. In de komst van Gods Koninkrijk hebben ook zij een taak.

Reeds onder het Oude Verbond wordt het aan Israël gepredikt. De profeten zelfs, hoewel toch aan Israël Gods Woord was toebetrouwd, werden soms gezonden tot de volken rondom, tot Moab en Damaskus, Egypte en zoovele anderen, omdat hunne geschiedenis was saamgeweven met die vaif^et komend heil. En zoo zien wij dan ook, dat de Assyriërs en de Babyloniërs, Perzen en Meden, in de komst van het Godsrijk een rol van beteekenis vervuld hebben. Dit was zoowel tot bestraffing als tot redding van het volk, maar ook om de heidenen te doen vragen naar den Verlosser, in Zion verschenen. Doch omdat zij buiten het bijzondere licht van Gods volk stonden en dus in hunnen natuurstaat vijandig dikwijls zich toonden, verschijnen zij ook tevens als de anti-goddelijke machten, die overwonnen moeten worden. Zij dienen soms om de macht der duisternis af te beelden, die zich met alle kracht stelt' tegen Gods Koninkrijk. Vandaar dan ook dat er in de Schrift naast de gouden draad van Gods beloften aan de heidenen, ook de zwarte koorde gaat van vervloeking en bestraffing, die soms de ontzettendste vormen aanneemt. Zoo wordt b.v. in psalm 137 de wrake uitgeroepen over Edom: „Heere, gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem, die daar zeiden: ontbloot ze, ontbloot ze tot haar fundament toe". De Edomieten waren dus begeerig geweest naar Jeruzalems val. En nu wordt ook over Edom, als de aan Gods volk vijandige macht, de wraak uitgeroepen. En zoo ook van Babel, geldt het, daf het verwoest zal worden, dat het de misdaad zal vergolden worden, ja zelfs „welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal". En als de psalmist die ontzettende wraak uitroept, dan is dat niet daarom, dat hij zulk een wreed man is, want de Schrift leert ook in het Oude Verbond reeds eene wondere teederheid van ontferming. Dan is het niet daarom, zooals het dikwijls wordt voorgesteld, omdat de haat tegen zijn medemensch zoo geweldig is, dat hij de kinderen vervloekt, maar omdat de dichter daarbij het oog open heeft voor de politieke worsteling, waarin Gods kleine volk betrokken is. Hij ziet en kent de vijandschap der volken als een uitbreken van de macht der duisternis tegen het Koninkrijk des lichts, als een aanslag op de heerlijkheid, die God aan zijn volk geeft. En daarom is hij de vijand van al die anti-goddelijke machten, die daar rondom Israël zich opmaken tegen de uitverkorenen Gods. Het is dus om Gods eere en volk, dat hij zich aldus uit.

Ook heel de geschiedenis der volken beziet de Schrift uit dat oogpunt. Denk slechts aan den droom van Nebucadnezar in Daniël 2. De koning zag het beeld, welks hoofd was van goud, borst en armen van zilver, buik en zijden van koper, schenkelen van ijzer en voeten van ijzer en leem. En de steen, zonder handen afgehouwen, sloeg het beeld aan zijne voeten en vermaalde het. Was het niet dat in de dagen dier koningen de God des hemels een koninkrijk zou verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; dat al die koninkrijken zou vermalen en te niet doen, maar zelf in alle eeuwigheid zou bestaan?

Zoo wordt het dus duidelijk, dat van den val af ook de van God vervreemde wereld nietligtbuitenGodsbestel'. De Heere werkte er in, leidde ook die geschiedenis en toont, dat Hij in de komst van Gods Koninkrijk ook aan die volkeren een rol heeft toebedeeld. Van de volkeren, van Rahab en Babel, van Filistijnen, Tyriërs en Mooren wordt dan ook gezegd: „de Heere zalhen rekenen in het opschrijven der volken''. De scheppende en voorzienige werkzaamheid Gods gaat door heel de geschiedenis der wereld, door het groote «en het kleine. En in dat alles laat Hij het licht vallen op het centrale, alles beheerschende feit van de verschijning van Christus. Zooals tot op den huldigen dag heel dat groote machtige, historische leven der menschheid nog in Christus haar centrum heeft, zoo was dit ook onder het Oude Verbond.

In onze dagen schijnt het wel alsof het om geheel andere dingen gaat en dat is tot op zekere hoogte ook zoo. Voor ons oog gaat het om het goud en daarom worstelen ook de volkeren. Maar waarover de volkeren niet denken en waarmede zij ook niet rekenen, daarmede rekent de Heere. Zij dienen zijnen Raad en zij vervullen huns ondanks een gewichtige taak in de komst van zijn Koninkrijk. Juist de zendingsgeschiedenis onzer dagen wijst het uit, hoe industrie en handel, die eenerzij ds oorzaak waren van den krijg, toch ook tevens geweest zijn de machtige middelen om Gods Woord uit te dragen.

Die wereld, die in de zonde ligt, staat dus toch niet buiten de werking van Gods Geest. Die werking des Geestes, waarvan de Heidenwereld het schouwtooneel is, is er dus geene, die op dchzelve beschouwd, zaligmakend is, maar zij dient toch mede om uit de wereld der heidenen de gemeente te roepen. Zij komt uit de duisternis tot het wonderbare licht.

Daarom was en is er in den natuurlijken mensch eene Godskennis, waarop de apostel Paulus een beroep deed om een aanknoopingspunt te hebben voor de verkondiging van den eenigen waarachtigen God en van Jezus Christus. Zij waren onwetend en toch. zegt hij van den onbekenden God tot de Atheners: „Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden." De drang naar God leefde en leeft in elke menschenziel, ook in de ziel dergenen, die Hem niet kennen. In dien drang is als de schemerglans, die mat zijn schijnsel draagt door de wolk van duisternis en dood. Het is de schreiende nood, geboren uit het nevelachtig besef eener, door de dampen uit de moeras der ongerechtigheid omhulde, herinnering, die leeft in de menschheid als Godsgeslacht. Het is de weerschijn, dien zijne eeuwige kracht en goddelijkheid werpt over de wolken, uit den afgrond van den val opgedoemd. En dat alles, opdat niemand te verontschuldigen zijn zal, omdat zij God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van de kennisse Gods.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's