Uit het kerkelijk leven.
De Modus-Vivendi.
III
Heel de kerkelijke wereld spreekt op 't oogenblik een mond vol Latijn. En al zou men misschien niet zoo precies kunnen zeggen hoe die woorden gevormd zijn, men begrijpt toch over 't algemeen wel wat er met Modus-Vivendi bedoeld wordt, 't Is een poging om dit te verkrijgen, dat de verschillende richtingen en partijen ieder voor zich leven kunnen en saam een vredig bestaan zullen verkrijgen in het midden van onze Ned. Herv. Kerk.
Zoo'n Modus-Vivendi is niets nieuws En dat is ook wel te begrijpen.
't Is zoo ellendig gesteld in onze Herv. Kerk. Wat is er een vechten, verbijten en vereten van en met elkander. Wat staan de partijen dikwijls niet als leeuwen en beeren tegenover elkaar. Wat droef schouwspel voor de buitenwereld! Wat ellendig voor het kerkelijk leven zelf. „Ziet hoe lief zij.... neen! dat kan ons niet uit de pen.
Daarbij is niemand vrij. De gereformeerde stuit telkens weer tegen allerlei als het Woord zijn toepassing vraagt op kerkelijk erf. De moderne is niet vrij, om als moderne uit te komen in de consekwenties van zijn beginsel.
Heel de Bestuurs-organisatie is zoo ongelukkig.
Het is zoo in-droevig gesteld onder ons. Vooral in verkiezingsdagen.
En de helft plus een zit nu eens aan dézen kant en dan weer staat ze triomfantelijk te grijnslachen aan den anderen kant.
Er wordt opgebouwd en er wordt afgebroken
En daarom is het geen wonder, dat men al meermalen heeft beproefd iets uit te vinden, dat er 4och een meer rustig en vredig leven zou komen in het midden van de Ned. Herv. Kerk.
Maar ach, arme, omdat het pjint in kwestie altijd weer draait om de waarheid, om de belijdenis der Goddelijke waarheid en daarin om den Christus Gods, ziet, daarom heeft men het dikwijls beproefd maar het is telkens mislukt, omdat het cardinale punt 't ook onmogelijk maakte.
Hef gaat voor of tegen den Christus — ook hier!
Iets nieuws is zoo'n Modus-Vivendidas niet.
We doen maar een greep. Voor ons liggen open de Handelingen der Synode van 1878 en 1879.
Wonderlijke gangen' der historie. s Toen was er pas geweest en werkte nog na een krachtige actie in zake verandering c van proponentsformule en belijdenisvragen
Waar we nu ook nog de herinnering aan hebben.
En toen kwamen er voorstellen om een vredig saamwonen der verschillende richtingen in onze Kerk te verkrijgen.
Net als nu. Hoewel zakelijk in onderscheidene punten afwijkend van het huidige voorstel der Utrechtsche professoren.
We schrijven enkele passages uit de Syn. acta bovenbedoeld over.
Blz. 230 Syn. Acta 1879 lezen we, dat de Classicale Vergadering van Haarlem bij motie had aangenomen: „aan de Synode als haar gevoelen kenbaar te maken, dat zij den tijd gekomen acht om aan de gemeenten de autonomie in zake de belijdenis te verzekeren, met behoud zoo mogelijk van een administratief Kerkverband."
De Classicale Vergadering van Kampen sprak uit: „we verzoeken aan de Synode, om van alle pogingen tot pacificiatie af te zien en onverwijld over te gaan tot wettelijke regeling der bestaande partijgroepeering, met behoud alleen van het administratief Kerkverband" (blz. 232)
P. W. N. Hugenholtz en acht andere predikanten richtten zich töt de Synode in een adres: „om vele veranderingen te erlangen in verschillende Reglementen, alle daartoe strekkende, om de reeds bestaande vrijheden zoover uit te breiden, dat eene belijdende Kerk, in hun oog een hersenschim, verdwijne en alleen een administratief verband de gemeenten vereenige." (blz. 246)
Ds. W. Francken Azn., predikant te Rotterdam, verzocht de Synode: „ernstig de vraag in behandeling te nemen, of niet voor haar de tijd gekomen is, om langs rechtvaardigen, billijken, niet revolutionairen weg, de geleidelijke oplossing der Nedcrlandsche Hervormde Kerk in kleine kerkgenootschappen voor te bereiden, welke gegrond op het Evangelie, ieder op zijne wijze zich constitueert en bevrediging schenkt, aan wie zich daarbij aansluiten." (blz. 248—249)
Dr. J. J. van Toorenenbergen, insgelijks predikant te Rotterdam formuleerde een dergelij k verzoek onder déze bewoordingen: „dat de Synode het initiatief neme, dat voor de rigtingen, die zich niet voegen in het tegenwoordig bestaand kerkver-, band, de gelegenheid geboren worde tot' kerspelvorming met gebruik van een deel der kerkelijke gebouwen en fondsen." (blz. 249). ^m^.
Eh in het rapport det Syn. Commissie lezen we: , Niet weinigen zijn er ook, die oordeelen, dat niet slechts de voor-•gestelde bijvoegingen in art. 38 en 39 van het Regl. op het Godsd. onderwijs, alsmede het Reglement op de minderheden, moeten worden vastgesteld, maar dat dóór U maatregelen worden genomen om nog verder te gaan, en, overtuigd als zij zijn, dat een saamwonen van zelfver uiteenloopende rigtingen in één kerkverband onmogelijk en schadelijk is voor geloof en liefde beiden op den duur de gansche Kerk zal demoraliseeren, voorstellen om baar in fraction en kerspelen te splitsen en alleen een finantieel kerkverband te behouden." (blz. 249)
Velerlei stem ging dus op, om ingrijpende veranderingen te mogen verkrijgen in betrekking tot het kerkelijk saamwonen van de verschillende partijen — waarbij niemand evenwel met een uitgewerkt plan kwam.
In dat verband merkte de heer P. Hofstede de Groot op: „In ééne zaak komen velen overeen, dat zij, voor zoover zij eene geheele verandering van het kerkbestuur willen, nalaten een uitgewerkte aanwijzing te geven, hoe uitgevoerd kan worden 't geen zij wenschen en eischen" (blz. 267).
Dat hadden zé dus allen gemeen.
Maar overigens verschilden ze nog al wat in richting en bedoelen. Hoewel door veler redeneering de draad liep: „de geleidelijke oplossing der Nedcrlandsche Hervormde Kerk in kleine kerkgenootschappen voor te bereiden" — zooals Ds. Francken dat uitdrukte.
't Is bij al dat praten gebleven.
Wel heeft de Synode een reglement „< ot regeling van de bevoegdheid en de regten der minderheden" behandeld en met 11 tegen 8 stemmen (rechts tegen links) aangenomen, maar 't heeft niets uitgehaald, want de Kerk zelf wou van deze dingen niets weten.
Bij die pogingen is het niet gebleven. Maar we kunnen dat alles veihg laten rusten, omdat de redeneering van de orthodoxen altijd weer 't zelfde geweest is, verklarende : wij kunnen en wij mogen niet! Waarbij het resultaat ook altijd weer was: alles bleef zooals het was!
Een Modus Vivendi bedoelende het vredig saamwonen van de verschillende richtingen in het midden van de Ned. Herv. Kerk — met verlangen om langs „regtvaardigen, billijken, niet revolutionairen weg, tot geleidelijke oplossing van de Ned. Herv. Kerk in kleine kerkgenootschappen te komen", is dus niet iets nieuws; 't is niet iets dat nu is uitgevonden. Gelijk dan ook later Dr. Kuyper en ook een man als Hoedemaker wel eens over een Modus-Vivendi hebben gesproken en geschreven.
Wat Dr. Kuyper betreft zie men „Het conflict gekomen".II blz. 11.
Men behoeft elkander dus geen harde verwijten te doen in deze.
De nood der tijden kan zoo dringen. 't Kan zóo spannen, zóo benauwd worden — dat men in ernst meent tot dezen weg z'n toevlucht te moeten en te mogen nemen.
Het groot en dreigend gevaar voor de Kerk, dat van de zijde der „doleerenden" kwam, zal een man als Dr. Hoedemaker er wel toe gebracht hebben om over een Modus-Vivendi te gaan deuken en schrij ven, om zoo, indien het mogelijk ware, het dreigend conflict te voorkomen en de schrikkelijke en pijnlijke breuk te keeren.
Zoo beleven we ook nu weer ernstige tijden, niet het minst wat ons kerkelijk leven betreft.
't Is zoo moeilijk, zoo zwaar, zoo onhoudbaar soms.
En terwijl de klappen aanvankelijk telkens rechts yallen, ziet men ook links het zwaard aan een zijden draad boven 't hoofd hangen.
Vooral voor de uiterste groepen kan het zoo gevaarlijk zijn soms, zoowel aan den kant der gereformeerden als aan den kant der modernen.
De tusschen partij en zwemmen er wel tusschendoor!
Gingen de modernen als Hugenholtz, Busken Huet, Pierson enz. niet heen?
Ging Ds. Knappert, toen de yerplichte doop aangenomen was, niet heen?
En zijn naast die volbloed modernen niet duizenden Gereformeerden heengegaan; nu pas weer Ds. Paauwe en Ds. Keek?
Daarom kunnen we ons zoo goed voorstellen dat men ook nu, z®oals telkens vroeger, een poging wilde wagen om een wijze van vredig 'samenleven der verschillende partijen saam te stellen.
En wij willen wel aanstonds zeggen, dat we als zoodanig gaarne zij leverden
't Is een uitgewerkt voorstel, waarin zooveel saamgebracht is, dat men het bewonderen moet.
En wij willen wel aanstonds zeggen, dat we als zoodanig gaarne een woord van lof geven aan de Utrechtsche hoogleeraren voor 't werk dat zij leverden. 't Is een uitgewerkt voorstel, waarin zooveel saamgebracht is, dat men het bewonderen moet. En niet alleen dat het een keurig uitgewerkt stuk is, waar veel inzit, maar daar wordt nu een weg geopend, dat de' verschillende richtingen echt als „Kerk" , kunnen gaan leven en - om nu eens: even bij . de _ gereformeerden te blijven -' dan kerkelijk echt gereformeerd te kunnen leven.
Wat stelt de Modus-Vivendi, die nu voor ons ligt, in uitzicht?
Immers dit:
Er zullen overal waar gereformeerden wonen gereformeerde gemeente-kerken komen, met eigen bestuur en eigen levenswijze, geheel ingericht naar de geref. belijdenis, zoowel wat de prediking betreft, alsook de doops-en avondmaalsbediening, gelijk ook wat betreft het toelaten tot de belijdenis, het aannemen en afgeven van attestaties, het oefenen van tucht enz.
Zoo'n gereformeerde Kerk-gemeente: krijgt publiek recht, door koninklijke goedkeuring van de statuten.
Alles wat zoo'n geref. gemeente-kerk i tot stand brengt in arbeid, scholen, stichtingen heeft publiek recht. Het is niet meer verliesbaar door stembusstrijd.
't Is en 't blijft gereformeerd.
Zoodat de geref. Gemeènte-kerk van Amsterdam, Rotterdam, Bunnik, Harderwijk, Kampen, Groningen enz. elk in eigen stad of dorp als geref. gemeente kerk met publiek recht kan optreden en ook saam gemeenschappelijken arbeid kan gaan verrichten, b.v. op 't gebied van zending en op 't terrein van armenzorg en werk van barmhartigheid
De gereformeerde gemeente-kerk van Utrecht "kan dus .geheel en in alles gereformeerd leven.
De prediking, de doopsbediening, de avondmaalsviering, het belijdenis-doen enz. enz. kan gereformeerd worden ingericht.
En de Kerken saam kunnen vergaderen om te bespreken wat naar uitwijzen van onze geref. belijdenis en in overeenstemming met de geref. Kerkorde nuttig en noodig is.
We stellen ons voor dat die geref. gemeente-kerken zelf bepalingen kunnen maken ook b v. voor predikanten, ouderlingen en diakenen.
Om dus alzoo in alle consekwenties een gereformeerd kerkelijk leven te organiseeren over heel ons land.
Waarbij kwesties als van Ds. Paauwe en Ds. Keek nooit meer voor kunnen komen.
Ja — wij zien geen enkel bezwaar, dat ze oogenblikkélijk na de invoering' van dezen Modus-Vivendi terugkeeren en weer in het ambt hersteld en weer in de Herv. Kerk predikant worden. Want alles wat ze misdreven hebben sproot immers hieruit voort, dat de verschillende partijen elkander 't leven onmogelijk maakten.
En dat is dan weggenomen.
Dat is het mooie van dit Voorstel. Waarbij we denken aan Stol wijk, Oudshoorn, Boskoop enz. Daar kan en zal dan een geref gemeente-kerk ontstaan, waar men een eigen kerkelijk leven krijgt in prediking, sacramentsbediening enz. Een echt kerkelijk leven, met publiek recht, waarbij niets door stembusstrijd ooit kan worden weggerukt.
Dat lokt ons bijster aan, Dat lacht ons werkelijk toe.
De oorzaak van scheiding is dan weggenomen.
Omdat er een gereformeerd kerkelijk leven mogelijk is.
In de toekomst ligt hierin de weg tot hereeniging met allen die van ons uitgingen en van ons waren, gelijk ze ook — als 't echte afgescheidenen zijn — nog altijd zijn blijven voelen, dat ze van ons zijn.
Dan kan in de toekomst weer bij elkaar komen wat bij elkaar hoort en nu gescheiden leeft.
Dan worden de verstrooide steenen die over 's Heeren straten liggen weer vergaderd.
Dan.... Maar er is een keerzijde. En die staat ons machtig tegen. Dat kunnen we niet slikken. Dat is voor een gereformeerd mensch onaannemelijk
We bedoelen dit: Er komen overal gemeente-kerken.
En die gemeente-kerken zullen er moeten komen om aan de verschillende richtingen te geven wat die verschillende richtingen als richtingen noodig hebben om te kunnen leven, om geheel te kunnen leven naar haar aard.
Anders heeft heel het Voorstel geen zin. Als iedere — of een enkele richting misschien ^— de vleugels vastgebonden worden, dan beteekent het heele Voorstel weer niets.
Laat het dan maar blijven zooals het nu is.
Edoch — hoe moet een gereformeerd mensch zich nu in het midden van de Herv. Kerk tegenover die verschillende richtingen aanstellen ?
Mag — en nu nemen we maar direct de uiterste richting — mag een gereformeerd mensch in de Herv. Kerk de moderne richting als moderne richting erkennen ?
Art. XI van de kerkelijke grondwet verbiedt het al aanstonds.
We hebben een wet en naar die wet zal men geoordeeld worden. En onze wet veroordeelt alles wat echt modern is. Onze wet kent alleen het in geest en hoofdzaak instemmen met de belijdenis onzer aloude Geref. Kerk.
We denken hier aan een woord van Hugenholtz in 1879 — in 't zelfde, verband als waarin ons onderwerp ons nu gebracht heeft — gesproken.
„Men brenge in de verschillende Reglementen, alle daartoe strekkende veranderingen aan, om de reeds bestaande vrijheden zoovér uit te breiden, dat de belijdende Kerk verdwijne".
Dat moest dus gebeuren, dan zou men vrij zijn en dan zouden de gemeenten, alleen in een administratief verband vereenigd, vrij kunnen leven.
Maar die noodige veranderingen zijn niet aangebracht. Wat in de Ev. Luthersche Kerk in 1913 wél gebeurd is, is in onze Ned. Herv. Kerk niet gebeurd.
En dat voelde Hugenholtz ook wel, dat er zóo geen vrijheid voor de modernen was in de Herv. Kerk, waarom hij, nog in de Kerk zijnde, saam met zijn medeadressanten echt revolutionair verklaarde: „Verder deelen wij mede, dat het voorschrift artikel 11 Algem. Regl. „hand-
having der leer" voor ons niet bestaat en wij ons ook aan menig ander voorschrift der Reglementen niet houden en nooit tullen houden".
Dat is natuurlek dwaas om zulke dingen te schrijven. Want men kan wel zeggen: „dit of dat artikel en dit of dat voorschrift bestaat voor ons niet en we houden er ons niet aan" — maar daarmee zijn die artikelen en die voorschriften niet verdwenen.
Zóó makkelijk laat het kerkelijk probleem zich niet oplossen!
Men toont dan alleen van een revolutionairen geest te zijn.
En men komt dan natuurlijk op die manier eenvoudig buiten de Kerk te staan; daar helpt geen lieve moeder aan!
En ziet, daarom begrijpen we ook het Voorstel van de Utrechtsche hoogleeraren niet goed op dit punt.
Want ze willen de bepalingen inzake de leer, zooals die nu gelden in onze Kerk intact laten. Ze willen heel de organisatie laten zooals deze is. Ze willen niet, waar men ons in 1816 de geref. Kerkorde heeft afgenomen, nu in 1916 de geref. belijdenis afnemen.
Men wil dat intact laten, zooals het nu is. En terwijl men dan de leer der Kerk laat voor 't geen zij is, spiegelt men den modernen voor. dat dezen in hun gemeente-kerken echt modern kunnen gaan leven.
Maar — dat zullen ze niet kunnen. Dat zal niet mogen.
Want z.e moeten voor hun gemeentekerken een geloofsbelijdenis hebben in hun statuut, waarbij dus hun geloofsgrondslag duidelijk kenbaar is — ter beoordeeling en goedkeuring van het Classicaal Bestuur, dat natuurlijk, evengoed als zij die met dien geloofsgrondslag komen, gebonden is aan de Kerkelijke Reglementen, waarvan Hugenholtz al zei, dat er héél wat uit verwijderd moet worden, wil een modern mensch er vrij onder kunnen leven.
Modernen als zoodanig kent onze kerkel. reglementenbundel niet. En elk Eestuur heeft bij beoordeeling van den geloofsgrondslag daarmee te rekenen.
Ook bij Doopsbediening, Avondmaalsviering, toelaten tot de belijdenis enz., zal iedere gemeente-kerk steeds moeten blijven binnen de perken van het tegenwoordig reglement.
De Doopsbediening is en blyft verplicht. dus
Wat niets modern is! En er zal dus gedoopt moeten worden in den driemaal heiligen naam des Heeren.
Wat niets modern isl
Bij de Avondmaalsviering zal men moeten blijven binnen de grenzen b.v. in de 4 bekende vragen gesteld.
Bij de toelating tot de belijdenis zal men zich hebben te houden aan art. 38 en art. 39 Regl. godsd. onderwijs, waarbij dus, als het er op aankomt, het Class. Bestuur weer zal uit te maken hebben wat „geest en hoofdzaak" van de aloude belijdenis is.
Wat weer niets modern isl Ons dunkt, onze Kerkelijke Grondwet maakt het al aanstonds onmogeliijk om den modernen vrijheid te geven om als modernen te leven.
Wat veel erger nog klemt, als daarbij de vraag komt: verbiedt niet alleen onze Kerkelijke Grondwet dit, maar verbiedt ook niet de conscientie van ieder orthodox gemeentelid om daartoe vrijheid te geven; verbiedt de Heere zelf het niet op zoo ernstige wijze in Zijn Woord?
Wil men naar de Remonstrantsche Gemeente gaan, dat moet men zelf weten.
Maar zullen we in onze Herv. Kerk, waar nooit plaats gegeven is aan de modernen, nu op eens een plaats voor hen gaan reserveeren?
En dan om als echte modernen echt modern te mogen leeren en te mogen leven ?
Immers dat kan niet en dat mag niet? Wat men nu, onder de huidige omstandigheden, van moderne zijde doet, doet men wederrechtelijk.
Tegen wet en recht in!
Men kan bovendien niet als echte modernen uitkomen.
En wat we daarin dragen moeten, doen we door den nood gedwongen en onder protest.
Dus: om de modernen vrijheid te geven „om zichzelf te zijn" dat gaat niet.
Dat houdt in: de ontkenning van een Drieëenig God. Dat houdt in: delooohening van den Christus. Dat houdt in: de ontkenning van alles wat ons heilig en dierbaar is.
Dat zou ingaan tegen onze innigste overtuiging en tegen de duidelijke bepalingen en voorschriften van onze kerkelijke wetten. Neen! dat kunnen en dat mogen we niet.
Maar wordt dat wel voorgesteld in het Ontwerp van den Modus-Vivendi, zooals dat nu voor ons Ligt?
Men wü immers blijven binnen de nu bestaande grenzen in zake de leer der Kerk en men wil de beoordeeling laten aan het Classicaal Bestuur, dat art. XI van de Kerkelijke Grondwet natuurlijk heeft te kennen en te handhaven en waarbij èn Prof. Bell èn Prof. Scholten getuigen, dat de leer der Herv. Kerk een anti-Armimaanschen inhoud heeft.
Hier begrijpen we het Voorstel van de Utrechtsche Hoogleeraren niet goed.
Of liever; we gelooven, dat in het Ontwerp niet precies gezegd wordt wat men bedoelt; we meen en, dat men hierin zoogenaamd tot een compromis is gekomen, terwijl daar juist de vonk vlak bij het vat buskruit ligt en blijft liggen.
En zoo'n plaats is niet de meest geschikte plaats om een overeenkomst voor de toekomst te sluiten!
Hier zal dus nog weleenige toelichting noodig zijn.
En valt nu die toelichting en nadere verklaring naar den orthodoxen kant uit, dan zeggen we: de modus-vivendi is niet noodig. Valt de opheldering in deze naar den modernen kant uit, dan zeggen we: 't kan en 't mag niet; noch naar Goddelijk recht, noch naar kerkelijk recht.
Dan zeggen we: onaannemelijk!
Hierbij willen we nu nog een paar opmerkingen maken, omdat ons deze dingen zéér interesseeren.
Stel eens, dat werkelijkheid werd, wat nu is voorgesteld, dan gelooven we, dat de gereformeerden er voordeel van zouden hebben.
Als er een gepaste en noodzakelijke eenstemmigheid kon verkregen worden tusschen allen die op den bodem der belijdenis staan, dan zouden die gemeentekerken overal, in stad en dorp, zeer zeker 't grootst in ledenaantal zijn.
Dan zou men zich daar kunnen gewennen aan een ordelijk kerkelijk leven. Dan zouden onze mannen-broeders weer lust ontvangen om in den kerkeraad zitting te nemen. Dan zouden we allerlei werk kunnen ter hand nemen.
Dan zou zeer zeker een zegen te verwachten zijn van ons geordend, gereformeerd kerkelijk samenleven.
En in óns voordeel zou zijn, wanneer andere gemeente-kerken, ethischen, evangelischen, modernen enz. eens op eigen terrein moesten gaan werken en eens uit eigen beginsel gaan leven.
We gelooven zeker, dat het niet in 't voordeel van de ethischen, noch van de evangelischen, noch van de modernen zou zijn wanneer er een dergelijke regeling kwam.
Men zou in eigen kring opgesloten, naar we meenen, spoedig in al de zwakheid van eigen beginsel en in al de armelijkheid van eigen kerkelijk leven uitkomen.
Ons volk, in meerendeel, zou zeker 't liefst kiezen voor de 'geref. gemeentekerken.
Maar daarbij komt de vraag bij ons op: Zou heel het begrip Kerk niet weg zijn bij deze regeling?
Zou de Kerk niet ontbonden zijn?
En zou het niet de grootste moeite opleveren, om ieder te laten kiezen tot welke gemeente-kerk men zou willen behooren ?
! Zijn er niet massa's menschen, die dat ' zoo maar niet zouden weten, wat ze I hebben te doen; en zou men niet massa's 1 menschen krijgen, die spoedig wel weer [ zouden willen veranderen ?
; Zou het ook niet een proselieten-jacht geven, om toch maar leden te winnen i voor eigen Kerk-gemeente ?
En zou het niet telkens de grootste moeilijkheden geven in zake het deel, dat uit de fondsen aan de verschillende gemeente-kerken toekomt? Een eenvoudige verandering in grensregeling tusschen twee gemeenten kan nu al zooveel ellende geven, waarbij men dikwijls tot in hoogste instantie procedeert. Maar wat zal het dan niet worden, als we de z.g.n. gemeente-kerken zouden krijgen met aide wisseiingen van ledenaantal enz. ?
Waar zullen de armen — de „bedeelden" — zich scharen?
Hoe moet het gaan met de Kerkgebouwen ?
Wie zal die gebouwen geven, als Kerkvoogden weigeren?
Is de kwestie van het Beheer reeds opgelost ? Weet Prof. Cannegieter niet beter ?
Hoe zal het in kleine gemeenten gaan; met Kerk, met pastorie enz.? '
We hebben zoo'n idee dat de Kerk geen Kerk meer zal zijn.
Dat het wel eens de georganiseerde wanorde kon worden.
Dat er wel eens heftige tooneelen uit geboren konden worden.
Dat er wel eens een uittocht op groote schaal uit kon voortkomen.
We vragen maar. We zeggen 't maar, zooals we het op 't oogenblik voelen en meenen te zien.
Intusschen is er veel dat ons aantrekt.. Veel dat ons tegenstaat.
En bijna ieder die belangstelt in de kerkelijke aangelegenheden vraagt: wat zal uit deze dmgen 'voortkomen?
Intusschen zullen we verstandig doen, om nu saam de dingen eens kalm onder de oogen te zien en eens ernstig met elkaar te overleggen.
En is er iets goeds in, dan zal 't ons welkom wezen.
Maar kunnen we en mogen we het niet aanvaarden, dan zullen we het moeten loslaten en we zullen het tegenstaan.
En intusschen zij de Heere ons genadig eu storte van Zijnen Geest over ons uit, opdat niet wij het maken zouden, maar opdat Hij het make.
Want ten slotte moet ons deze opmer-'• king van het hart.
Wij meenen in de Geref. Kerken te .zien, dat men het daar „gemaakt" heeft. 1 1886 laat dat duidelijk zien. j 1892 niet minder.
En de droeve gevolgen blijven niet uit. God verhoede het genadiglijk, dat ook wij niet iets zouden gaan „maken". Want dan zal 't ons te laat berouwen.
Maar de Heere late ons Zijne wegen aanschouwen en Hij geve ons genade, om, niet omziende naar 't geen achter ons is, in te zien in het gebod des Heeren, geloovende in Hem, die het maken zal op Zijn tijd.
Tegen alle hope in hopen. we.
De Heere is nog niet van ons geweken. En kunnen we soms angstig uitroepen: 't is, onhoudbaar; zou de Heere het niet weten en zou er geen wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
Kunnen we soms klagen en zeggen: ons recht gaat voor den Heere voorbij!
Dan roept de Heere het ons telkens toe, dat wij zullen gedenken de zonden van onze Vaderen en van ons zelf. Hij roept het ons toe, dat geen ding voor Hem verborgen is. Hij roept het ons toe: Vergeet geene van Mijne weldaden, die vele zijn.
Hij heeft ons getroost en zal ons troosten ook op de erv« onzer Herv. Kerk, zeggende:
„Weet gij het niet, hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
Hij geeft den moede kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geene krachten heeft; de jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen__ gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden". (Jes. 40).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's