Uit de Pers.
Een o. i. merkwaardig Ingezonden Stuk troffen we aan in de Nieuwe Nederl.
Kerkbode naar aanleiding van den Modus-Vivendi geschreven. We nemen het hier zonder commentaar op. Het is van een Ned. Herv. jurist uit de school van prof. Hora Siccema.
Ingezonden.
Nu de redactie der Nieuwe Nederlandsche Kerkbode hare kolommen wenscht open te stellen tot uiting van verschillende zienswijzen over den voorgestelden modus vivendi, zij het ook ondergeteekende geoorloofd eenige kantteekeningen op de ontworpen regeling te maken.
Eerstens een enkele opmerking direct den modus vivendi zelf rakend.
Het verdient dunkt mij zekere waardeering, dat men thans ook van hooger hand de oogen niet langer sluit voor den bijna hopeloozen toestand waarin onze Ned. Herv. Kerk verkeert.
Wanneer tot dusver in synode en elders richtingsquesties op den voorgrond dreigden te treden, werd daaraan maar al te vaak het zwijgen opgelegd met het niet-willen erkennen van die uiteenloopende richtingen, als zou men kort en goed slechts met de kerk te maken hebben. Het verdient zeker alle aanbeveling, dat met zoodanige onwaarachtigheid, dergelijk blind willen zijn voor de aan ieder evidente werkelijkheid wordt gebroken.
Het heeft ongetwijfeld vele rechtzinnigen verbijsterd, dat een commissie van overwegend rechtzinnige samenstelling met een dergelijk voorstel is voor den dag gekomen, waarover aanhangers van evenredige vertegenwoordiging, organen als de Nieuwe Rott. Courant e. a. begrijpelijk juichen. Het verbijsterende ligt m. i. minder in de uitvoering, dan wel in de aanvaarding der opdracht; zij toch verklaart m.i. alle kerkbegrip volkomen bankroet, de kunst is slechts om het bestaande althans administratief(!) te handhaven, uiteengaan bovenal te vermijden.
Laatstelijk: men kan zich bezwaarlijk indenken, dat ook de voorstellers zelf zich de illusie maken, dat de thans voorgestelde modus vivendi een definitieve oplossing brengen zal; zij kan kennelijk slechts creëeren een toestand van overgang tot., .. natuurlijk een wellicht dan niet vreedzaam uiteengaan der verschillende richtingen !
Tot zoover wat onmiddellijk den modus vivendi aangaat; thans een enkele opmerking over onze kerkinrichting in het algemeen.
Laat mij beginnen met als mijn overtuiging uit te spreken, dat, indien onze rechterlijke macht weder eens voor de beslissing eener doleantiequestie werd gesteld, een herhaling van '88 — toen men zich door »deskundigen« als Prof, Kleijn e. d, liet voorlichten niet zeer waarschijnlijk is. Vrij zeker zal dan het Gereformeerd beginsel van autonomie der plaatselijke gemeente — thans bevrijd van het staatsgezag — worden erkend (vgl. Hora Siccama, de geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, gereformeerde en het neutrale recht I bl. 265 noot 3).
Beperken wij ons thans eens tot den in onze kerk bijzonder acute tegenstelling tusschen orthodox en modern.
Iedereen weet, hoe langzamerhand in den loop der 19e eeuw de moderne richting zich heeft ontwikkeld. Men moge het betreuren, dat de modernen niet met Allard Pierson een kerk zijn uitgegaan, waarin zij z. i, niet langer thuis hoorden, of dat de toenmalige kerkelijke autoriteiten niet tot een dergelijke beslissing hebben genoopt; hun positie is in onze kerk thans een zoodanige geworden, dat men huivert zelfs aan de hand van belijdenis-argumenten ten hunnen opzichte uitdruk-systemen, betiteld als kerkherstel e.d. toe te passen. Ook vertoont diezelfde achter ons liggende periode een zeer consequent doorgevoerd — zij het ook later quasi gemitigeerd — stelsel van centralisatie, culmineerend in onze synode. Hoe droevige resultaten dat systeem oplevert, ; blijkt ieder jaar genoegzaam, tot niet geringe ' ergernis van vele weidenkenden der meest uiteenloopende richtingen.
Men beproeve het thans eens met het oude I omgekeerde beginsel: niet van boven af, maar van onder op. Men aanvaarde daartoe de gemeentelijke autonomie als grondbeginsel, zij moge zich als modern, ethisch of gereformeerd uit-' spreken. Laten op dien basis in de hoogere kerkbesturen de verschillende groepen zich vormen en is de toestand langzamerhand voldoende gemarkeerd, dan is het oogenblik om uiteen te gaan daar; men bereikt dan een verhouding, gelijk de Lutherschen op het einde den 8e eeuw hebben gecreëerd. Eerst dan ook zal het moment aangebroken zijn, dat de plaatselijke minderheden zich zelfstandig geheel als gemeente kunnen constitueeren.
j Voor alles dus bij onze hoogere kerkbesturen stelselmatig doorvoeren van decentralisatie en voorbereiding tot den nieuwen stand van zaken.
Ik denk b.v. aan de drie theologische faculteiten, welker ieder één der drie hoofdrichtingen in onze kerk kunnen gaan vertegenwoordigen.
Maar in onze gemeenten dan ook geen modus vivendi als de voorgestelde. De ergste tegenstellingen zouden gedurende den overgangstoestand kunnen worden weggenomen: b.v. het verzekeren aan de minderheden eenige malen 'sjaars van de bediening der sacramenten, verplichte lidmaten-inschrijving en niet medebetalen in den kerkelijken hoofdelijken omslag.
Ik twijfel er niet aan of practische doorvoering der hier aangegeven denkbeelden zal nog vrij wat bezwaren medebrengen; intusschen achtte ik het mij tot plicht die denkbeelden zelve ter overweging aan te bieden,
Staats-Dominoeratie.
Prof, Mr. D. P. D. Pabius schrijft in Bivdwn en Schetsen (No. 7, September 1916) het volgende stukje:
In eene samenkomst van vrijzinnige predikanten der Ned, Herv, Kerk, 21 Mei 1.1. te Amsterdam gehouden, heeft Ds, Eilerts de Haan betoogd, dat de gemeenten dier Kerk sdominé's-gemeenten» zijn. De predikanten zijn immer praeses en scriba van den kerkeraad. Is de predikant niet aanwezig, dan mist de kerkeraad de bevoegdheid besluiten te nemen. De predikant beslist, of een besluit mag uitgevoerd worden. Is hij ongesteld, dan mag toch de kerkeraad niet zelfstandig de hulp van den ring inroepen. De predikant kan voor zich laten optreden wien hij wil. Én in de hoogere besturen hebben de predikanten de overwegende meerderheid. »Wie voert iets in» - zou de referent gezegd hebben volgens het verslag in de N, Rott, Ct, van 3 Mei 1.1. (ochtendblad) - »waar de predikanten tegen zijn, wie keert iets dat de predikanten willen? !» En naar het verslag in het Handelsblad van dienzelfden dag (ochtendblad) was des sprekers conclusie: sonze Kerk is aan handen en voeten gebonden, overgeleverd aan de predikanten, zij staan volslagen onder hun voogdij.»
Deze dingen hebben voor ruimeren kring beteekenis.
De Staat heeft in 1816 de kerkelijke organisatie ontworpen en opgelegd, waaruit de thans in het Ned. Herv. kerkgenootschap geldende in 1852 is voortgekomen, die in hoofdzaak denzelfden geest ademt als de vroegere. En zoo riep dan de Staat den toestand in het leven, dat nog immer een groot deel des volks op kerkelijk gebied geheel afhankelijk is van de predikanten, die daardoor begrijpelijkerwijs in het algemeen zich steeds warme voorstanders van die organisatie hebben getoond en de gemeenten in denzelfden geest bewerkt. Willen echter de gemeenten tegen den zin van den predikant niet van die organisatie weten, en handelen zij straks buiten den predikant om, dan is hun doen naar de reglementen ongeldig, en dp rechterlijke macht hield zich tot dusver bij hare uitspraken aan dezen.
Zoo zit ongeveer de helft des volks tot zekere hoogte in die organisatie gevangen, onder de macht der predikanten.
Voorts heeft aanvankelijk de Staat de gemeenten ook gebonden aan predikanten, van zijnentwege opgeleid. En nu is wel die band van 1876 verbroken, maar feitelijk is de toestand weinig veranderd. De uit de staatsorganisatie voortgekomen Synode zal nooit er aan denken, de opleiding geheel zelfstandig terhand te nemen. Deze is in hoofdzaak nog in handen der openbare Universiteiten, en de Regeering zoekt voortdurend dat te handhaven.
Zoo worden naar wensch van den Staat hoofdzakelijk van Staatswege opgeleid de predikanten, die, tengevolge van de door den Staat wederrechtelijk opgelegde organisatie, de gemeenten, waartoe ongeveer de helft onzes volks behoort, in hunne macht hebben, welke daaraan voor het oogenblik slechts kunnen ontkomen, indien zij bereid zijn hare goederen en het predikantstractement in den steek te laten.
En trots dit alles zijn er menschen, die vertellen en ook meenen, dat in Nederland de Kerken vrij van staatsinmenging zijn, en de Staat geene geestesheerschappij oefent.
Uit „Kerkblaadje" No. 22 (26 Aug, 1916) nemen we deze 3 stukjes geschreven door Dr. J, C. S. Locher te Leiden over:
Verdaehtmaking.
Onze lezers kennen het protest, dat aan de Synode is gezonden op grond van de behandeling, die het voorstel-Lütge in de vorige jaren heeft ondervonden. Wat hadden we gewild? Dat de Synode op grond van de Schrift ons had weerlegd, kennis had genomen van het historisch betoog. Niets van dat alles! Het voorstel was afgewezen, Daartegen ging ons protest. Een conscientie-kreet.
Dat het vriendelijk behandeld zou worden, hebben we niet verwacht. Doch dat het beantwoord zou worden, en niet alleen van moderne zijde, met persoonlijke verdachtmakingen, zulke bekrompenheid van geest hadden we bij de heeren niet verwacht. Ronduit werd gezegd, dat men twijfelde aan de oprechtheid der heeren Lütge CS. Hun werd toegevoegd, dat zij geweten hadden, hoe de toestand der Kerk was, toen zij hun ambt aanvaardden, en dat het daarom oneerlijk was, wanneer zij nu daartegen in verzet kwamen. Alsof het aanvaarden van het ambt in eene Kerk iemand zedelijk zou noodzaken om alles, wat er in die Kerk bestaat, stilzwijgend te laten doorgaan! Dan is immers elk voorstel tot reglementsverandering oneerlijk!
Doch laat ons over die dingen niet altezeer uitwijden. Hoe wij persoonlijk behandeld worden, is ten slotte bijzaak. Hoofdzaak is, hoe hier gehandeld wordt met Gods recht, met Zijn Woord.
Wij weten het niet.
Veel erger dan de persoonlijke verdachtmaking, waaraan zij, die met Ds. Lütge protesteerden, hebben blootgestaan, is het feit, dat de Synode verklaard heeft, niet te kunnen antwoorden op de vraag, wat dan nu eigenlijk beginsel en karakter van de belijdenis onzer Kerk is. Wij weten niet waaraan wij ons moeten houden. De Synode laat de aanstaande predikanten plechtig belooven, dat zij »overeenkomstig het beginsel en het karakter onzer Kerk het Evangelie van Jezus Christus zullen verkondigen.» Wijkt een predikant daarvan af, dan kan hij onder tucht worden geplaatst. Vraagt echter de proponent: Wat is dat nu? — hij wordt met een kluitje in 't riet gestuurd. Het is gebeurd, dat een proponent de handteekening weigerde. Het is oök eene groote onzekerheid.
De Synode weet niet, wat de Kerk belijdt.De bazuin geeft een onzeker geluid. Men heeft de belijdenisschriften, maar men durft ze niet aan.
De een zegt: Hier is de Christus! De andere zegt: Daar is de Christus. Alles, de meest fundamenteele leeringen, de meest troostrijke waarheden, wordt ontkend.
Er is gezegd, dat deze dingen zich niet laten formuleereri, dat men ze niet aan anderen kan opleggen. Dan kan men ze ook niet prediken.
Want de prediker getuigt, hij leert. Men kan wellicht vaag formuleeren, maar zonder formuleeren gaat het toch niet. Iedereen formuleert.
Maar moet dat aan andpren worden opgelegd ?
De Kerk heeft de roeping om Gods Evangelie te verkondigen. Zij moet eenigen waarborg hebben, dat er niet uit haar naam dingen verkondigd worden, die lijnrecht tegen dat Evangelie ingaan.
Zij mag aan de aanstaande Evangelie-dienaars vragen: Denkt gij er ook zoo over ? Vat gij het Evangelie ook zóó op? Dat behoeft niet in letterknechterij te ontaarden. Maar we moeten toch eenigszins weien, waar we aan toe zijn. En nu kan er geen antwoord gegeven worden. De moderne denkt er geheel^ anders over dan de orthodoxe. Het is treurig genoeg, maar het is zoo.
Eén ding is gelukkig. De Synode is de Kerk met. De Synode is een bestuur in de Kerk en niet meer. Wij weten, dat onze Belijdenis nooit reciitens is afgeschaft. Wij weten, dat onze Kerk niet staat of valt met de tijdelijke meening van de besturen, die over haar geplaatst zijn. God heeft nog rechten op onze Kerk. Al doet de Synode dan dingen, die lijnrecht tegen Gods Woord indruischen, het moge ons zwaar op het hart vallen, maar daarmee is de Kerk zelve nog niet veranderd.
De „modus-Vivendi" in beginsel aangenomen.
Met de kleinst mogelijke meerderheid heeft de Synode het beginsel van den «modus vivendi« aangenomen. Toch wordt hij niet onmiddellijk de Kerk ingezonden, maar aan de voorstellers is opdracht gegeven, het stuk uittewerken in eene wijziging van de bestaande reglementen. Zóó alléén kan het werkelijk de Kerk worden ingezonden om advies. Dan kan er nog veel gebeuren. Reeds nu waren er sommigen, die een open oog hadden voor de praktische bezwaren, waardoor zoodanige regeling zou worden gedrukt. En dan moet de Synode a.s. jaar over het heele wetsontwerp handelen, met alle wijzigingen, die het in alle mogelijke andere reglementen met zich mee zal sleepen; wordt het aangenomen, dan gaat het a.s. jaar de Kerk in om het advies in te winnen der Classicale vergaderingen en Prov. Kerkbesturen. Dan zal er wat te koop zijn. En eindelijk zal de Synode van het derde jaar de beslissing hebben te nemen, of het vastgesteld zal worden; maar dan komt nog de stemming bij de leden der Provinciale Kerkbesturen, en daar deze wijzigingen niet zullen kunnen worden aangebracht zonder verandering van't Algemeen Reglement, zullen ten minste twee derden der leden van de Prov Kerkbesturen zich vóór moeten verklaren. Dus is er nog veel kans op verwerping.
Maar het is treurig genoeg, dat tien van de negentien leden, zich vóór het beginsel verklaard hebben, en mede willen werken om onzeVaderlandsche Kerk uiteen te scheuren, wettelijk te erkennen, dat alle mogelijke wind van leer daar recht zou hebben. Het was niet anders te verwachten. Men wilde immers niet verklaren, waarin dan het beginsel en het karakter van de Belijdenis zou bestaan. Het ligt dus op dezelfde lijn.
Ondertusschen zou de Kerk juist door het aannemen van dezen »modus vivendi« zich wel degelijk bewust moeten worden, wat haar beginsel en karakter is. Het zal telkens, wanneer eene nieuwe »gemeentekerk« haar geloofsgrondslag indient, de vraag worden, of die geloofsgrondslag er nog mee door kan.
Doch loopen wij niet vooruit, maar blijven we staan op het recht van God en Zijn Woord, dat door deze regeling wel zeer ernstig wordt aangetast. Moge de Heere Zich over onze Kerk ontfermen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's