Stichtelijke overdenking.
De sehepter Uws Koninkrijks is een sehepter der rechtmatigheid. Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid. Psalm 45 : 7 en 8.
Een rechte Schepter.
In wonderschoone taal bezingt de dichter de grootheid van den Messias. Zijne tong is eene pen eens vaardigen schrijvers Zooals een bron met groote gemakkelijkheid hare wateren uitstort op de velden, zoo loopt ook zijn mond over van des Konings eer. De Heilige Geest, die te voren getuigde ook van de heerlijkheid die op Christus komen zou, bezielde hem, zoodat hij in een vloedstroom van gedachten over den luister van Zions Heiland werd voortgestuwd en niet anders kon dan Hem te roemen die veel schooner is dan de menschenkinderen. Wilt ge Hem noemen den Koninklijken Bruidegom .... goed, het is naar den gedachtengang van den psalmist, maar bedenkt dan ook dat, om de nauwe vereeniging die er bestaat tusschen Christus en Zijn Kerk, de glans des Konings afstraalt op Zijn Gemeente, die Hij Zijn Bruid wil noemen. Het kan dan ook niet anders "dan "dat deze roèmtaaltot vertroosting is voor 's Heeren volk, een schare die in zich zelf niet te roemen heeft. Door het geloof dezen Koning te zien in Zijne schoonheid, op Zijn troon hoog en verheven, terwijl Zijne zoomen den Tempel vervullen. Hem, die alles in handen heeft en regeert ten goede van Zijn Kerk, moet een ieder doen verblijden die leerde kennen dat ons behoud en onze zaligheid alleen van Hem afhankelijk zijn. Dan klinkt ook in het hart de taal des Geestes : ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning.
Met Ziijn macht in hemel en op aarde zwaait Hij den sehepter over alle dingen. Zeker, Hij regeert Zijn Gemeente in bijzonderen zin, de Gemeente die Hij Zich kocht met Zijn dierbaar bloed, die Hij bevrijdde van het verderf, voor eeuwig, die Hij onthief van haar zware zondeschuld, voor goed. Hij ontnam haar wat zij missen moest, maar Hij versierde haar met hetgeen zij niet missen kon. Hij bekleedde haar met den mantel der gerechtigheid, om een verkregen, heilig volk, een koninklijk priesterdom te wezen tot in de lengte der eeuwen. Natuurlijk zal dan ook over haar Christus' bijzondere bemoeienis gaan, van jaar tot jaar, van stond tot stond. Hij beïnvloedt de verloste schare. Hij leidt Zijn strijdend volk, vaak door schrikaanjagende diepten, waar de angst der hel allen troost doet missen, vaak ook aan zeer stille wateren, wanneer de nabijheid des Heeren de ziel verkwikt. Hij roept ook den nog in zonde en dood liggenden mensch op ten leven. Wie kan Zijn regeering op het nauwkeurigst nagaan. Wie kan het gebied van Zijn sehepter bepalen?
Hierbij dient steeds vastgehouden dat Zijn heerschappij ook gaat over alle dingen in deze wereld, daar toch de Kerk, die in den tijd worstelt en wordt, lijdt en strijdt, groeit en bloeit, op velerlei wijze verbonden staat met alles wat hier beneden is. Vandaar dat het woelen der volkeren en het vallen van een muschje op de aarde, de vijandschap tegen God en Zgn Woord en ook de hooge vlucht der wetenschap onder Christus' sehepter doorgaan, ook al zien wij niet dadelijk het verband dat daar ligt tusschen dit al en den wasdom der Kerk. Er mag geen grenslijn getrokken worden als er staat geschreven dat Hij, die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid, alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht.
De schepter nu van dezen Koning, waarover deze ook gezwaaid wordt, is een sehepter der rechtmatigheid. Met de beste bedoeling kan in de koninkrijken dezer aarde de uitvoering der wetten nog wel met onbillijkheid voor den een of voor den ander gepaard gaan. Ook blijkt een rechter in het vonnis dat hij velt niet steeds onfeilbaar te wezen. In de wijze echter waarop de luisterrijkste aller koningen regeert is niets onbiÜijks. Als de zeven engelen, zooals wij lezen in de Openbaringen, die de zeven laatste plagen dragen, waarin de toorn Gods geëindigd is, hun lied aanheffen, zingen zij ook: rechtvaardig en waarachtig zijn Uwe wegen. Gij Koning der heiligen.
Of is het soms onrechtvaardig, als de Heere door Zijn Woord ernstig bedreigt een ieder die zich van Hem afkeert, maar ook belooft dat allen, die zich tot Hem bekeeren, zullen ontvangen genade hier en het eeuwige leven hiernamaals.... En als de mensch dan maar voortleeft alsof-dit niet geschiedt, op de waarschuwing niet let, de stem van zijn geweten tot zwijgen brengt, en de liefelijkste noodiging in den wind slaat.... is het onrechtmatig, als ten slotte tot dien halsstarrige gezegd wordt: gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend? Is dat onbillijk?
Leggen wij ons oor te luisteren naar de talloos vele verontschuldigingen die men vaak bijeenzamelt om toch vooral niet den Bijbel te lezen, om toch vooral niet naar het huis des gebeds op te gaan, dan schijn-t het wel alsof Christus den mensch plagen wilde met de wetten van Zijn Koninkrijk en de ordeningen van Zijn troon, alsof de meest onbillijke last het menschdom wordt opgelegd als de Heere in dit aardsche tranendal Zijn Woord nog doet uitgaan. Zijn Woord van eeuwige waarheid en barmhartigheid. Of als het beginsel der H. Schrift op listige wijze geweerd wordt uit het huisgezin of uit de school, uit de werkplaats en uit 's liands raadzalen, dan schijnt het wel alsof die Schrift de meest onbillijke en tegelijk rampzalige dingen bevat. Toch is dit zoo niet. Heeft de Koning aller koningen niet het recht om alles op te eischen tot Zijn dienst? En als Hij dan bovendien aan het pad van Zijn Woord zegen voor den tijd, zegen voor de eeuwigheid verbindt, zoo is toch de sehepter van dezen Koning een sehepter van alle rechtmatigheid.
Het is een rechte sehepter, ook in de bedeelingen der bijzondere genade. Als daar een mensch gebukt gaat onderden last zijner zonden, dan is dit omdat de schande zijner ongerechtigheid door hem beweend wordt. Maar deze innerlijke smart is niet als bij tooverslag in hem gekomen. Neen, maar de ordeningen van het Rijk des Geestes hebben zijn ziel in beslag genomen. De wet van den groeten Koning staat daar in haar gestrengen geestelijken eisch voor hem. De vrees voor Goda heiligheid benauwt hem. De banden des doods zijn hem pijnigend en knellend geworden.... Wij komen met een vraag tot dien vermoeide: acht gij het onbillijk van den Heere als Hij in Zijn wet van u vraagt wat gij niet doen kunt? Onmiddellgk zal hij ons antwoorden met een wedervraag: zou het onrecht van den Schepper zijn, die den mensch schiep naar Zijn beeld, dien mensch de wet der liefde tot een levensregel te stellen ? Neen, Hij is niet onbillijk. Minder kan Hij om Zijns Naams wil niet vragen dan: gij zult Mij liefhebben met al uw kracht. Het kan geen onrechtmatige sehepter zijn als alleen moedwillige ongehoorzaamheid, waarvan elk menschenhart vol is, ons van de kostelijkste gaven beroofd heeft. Maar bovendien, als de Schuld van Adam, als verbondshoofd, ons toegerekend wordt, en daartegenover staat dat de onschuld en de gerechtigheid van Christus,.Is het onwankelbare verbondshoofd, ons eveneens wordt toegerekend, dan gaan toch de meest teedere ontferming en de meest stipte rechtvaardigheid hand aan hand op den weg des heils. Genade is uitgestort in 's Konings lippen. Maar ook op geen van Zijn geboden en ordeningen, noch op de wijze waarop zij in werking treden, ligt een smet van onbillijkheid. Op het allerzuiverst staat in dat Koninkrijk de weegschaal van het recht. Toen het dochtertje van Jaïrus gestorven was, scheen het alsof de Heeré Jezus nalatig was geweest, te veel aandacht wijdende aan de kranke vrouw, en daardoor het kranke meisje vergetende. Maar als dan de Heiland blijkt tC'-ijn een Redder in den dood, zal Jaïrus zich niet over dat uitstel beklaagd hebben. Zoo kan het wel eens schijnen alsof de Heere geen oor leent aan onze bede en dat het genadelicht ons voorbijgaat en anderen rijkelijk toestroomt. Maar wie zal dan zeggen dat de Heere onbillijk is? Hoevele keeren heeft de Heere aan ons hart geklopt, zonder dat wij Hem opendeden? Reeds daarom mag er geen sprake zijn van "onbillijk uitstel. Maar bovendien, als de Heere voor een biddend volk Zqn belofte vertraagt, geschiedt dit opdat men tot inniger verootmoediging zou komen. Hoe armer de mensch al biddende wordt, des te rijker zal de verhooring wezen. Als Christus blijkt een Redde'r in den dood, in het onmogelijke, zal de wijsheid van den Koning van ganscher harte geroemd. Zijn ontferming geprezen, maar ook aan de rechtmatigheid van Zijn sehepter alle hulde gebracht worden.
Er is bij Koning Jezus geen onrecht. Zeker, als Lazarus altijd aan de poort des rijken mans moest blijven liggen, kon dit ons tegen de borst stuiten. Maar er komt een tijd waarin alles anders wordt. De Gemeente des Heeren, die toch steeds eene verdrukte schare is, veracht en gesmaad, een volk dat schijnbaar mag leven bij de gratie dezer wereld, zal eenmaal als gedragen worden in Abrahams schoot, terwijl zij deelen zal in 's Konings heerlijkheid. Dat er een tijd van afrekening, van Goddelijke vereffening kornt, neemt het schijnbaar stuitend onrecht weg en herinnert ons aan de woorden van den tekst: de sehepter Uws Koninkrijks is een rechtmatige schepter.
De billijkheid van 's Konings regeering hangt nauw samen met de gesteldheid Zijns harten. Een aardsch koning kan wel eens, zooveel dit mogelijk is, billijk regeeren, terwijl hij het toch doet uit eigenbelang, niet uit liefde tot het recht op zichzelf. Maar Christus overtreft al wat hier op aarde is. „Gij hebt", zoo spreekt de profeet Hem toe, „gerechtigheid lief en haat goddeloosheid." Is dit niet duidelijk bewezen in 's Heeren omwandeling op aarde. Met het zwaard Zijns Woords keerde Hij zich tegenover alle goddeloosheid, in welken vorm deze ook Hem ontmoette. Het „wee u" heeft Hij aan Farizeërs en O verpriesters niet gespaard. Zooals Hij met een geesel van touwtjes al wat niet in den Tempel thuis behoorde, er uit dreef; al wat ten onrechte daar een plaats had, omkeerde, zoo geeselde Hij in Zijn doen en laten, in Zijn spreken en zwijgen onverbiddelijk de zonde, overal waar Hij haar vond, om daardoor onomwonden te zeggen dat het onrecht is, onbillijk in de hoogste mate tegenover God en tegenover het maaksel Zijner handen dat de zonde een plaats heeft hier op aarde, een woning in het hart des menschen.
Hij had gerechtigheid lief en haatte goddeloosheid. Wij gedenken aan Zijn lijdensweg. Hij worstelde in Gethsémané; liet zich nagelen aan het kruis; zonk ook vrijwillig neer in den dood. Waarom dit al? Hij had de gerechtigheid Gods lief, liever dan Zijn leven, 't Was de lust van Zijn leven dat aan de gerechtigheid Gods genoeg gedaan werd. De wet des Heeren droeg Hij in 't binnenste Zijns ingewands. Wel, dan was het toch onmogelijk dat onrecht ooit de kleinste smet zou werpen op de wijze Zqner regeering.
Nu is het ook zeker dat waar het Woord des Konings is. Zijn heerschappij uitgaat over de gedachten, over de woorden en den wandel der menschenkinderen. Het is er Hem niet om te doen Zijn Woord te stellen tot eene godsdienstige versiering, tot een vlag, maar wel dat van uit de Waarheid des Heeren een gericht zou uitgaan over het onteeren van Zijn Naam, het ontheiligen van den dag des Heeren, het verachten van Zgn Dienst, over zulk een levenswandel waarin van God en van het beginsel der eeuwigheid geen sprake is. In 't kort, overal waar het Woord van Christus komt, wordt het nog bevestigd dat Hij gerechtigheid lief heeft en goddeloosheid haat.
Niet minder wordt dit bewezen als Christus met Zijn Geest en genade ons zieleleven binnentreedt. Dan blijkt Zijn Woord scherper dan eenig tweesnijdend zwaard. Het dringt door tot het diepste. Het spaart niets, geen gedachte, geen overlegging. Het spreekt over alles zijn onverbiddelijke veroordeeling uit wat niet is naar de reinheid Gods. Er gaat een gericht uit over heel ons goddeloos bestaan. Het vonnis dringt door over alle weefsel der ziel. Vanaf het tijdstip van 's Heeren intrede in ons hart begint het louterend vuur te ontvonken; eerst smeult daar iets, het wordt aangeblazen, de vlammem laaien al hooger op, er is in ons een Geest der uitbranding tegen alle ongerechtigheden. En hoe rijk begenadigd iemand dan ook wezen mag, de worsteling tusschen vleesch en Geest is aangevangen, gaat ook voort heel het leven door. 't Wordt ook hierin bevestigd, dat de eeuwige Koning gerechtigheid lief heeft en de goddeloosheid haat.
De Heere leere ons te buigen onder Zijn sehepter. De dienst van Koning Jezus blijkt dan hoe langer hoe meer een zielsbevredigende dienst te zijn. De dienst der zonde is de meest harde slavernij. Zij belooft veel, maar laat het bij beloven. Zij buigen zich onder een sehepter van de snoodste onbillijkheid, die zich in haar dienst bewegen. Maar van den Zaligmaker van het verlorene mag gezégd worden: de helft is mij niet aangezegd. Veel belooft de Heere^ aan een arm volk dat in schuldgevoel zich ondel-de sprake van Zijn Woord mag buigen. Maar de genade die van den groeten Koning uitgaat, overtreft nog elke verwachting. Van een eeuwigen Koningstroon zal ook een eeuwig heil neerdalen over des Konings onderdanen.
De Heer' is recht in al Zijn weg en werk; Zijn goedheid kent in 't gansch heelal [geen perk. Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht; Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's