De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Een eigenaardige uitspraak.

We namen de vorige week een stukje op van de hand van den modernen professor Bruining, waaruit bleek dat deze rustend hoogleeraar in de godgeleerdheid niet veel verwachtte van den Modusvivendi en er over klaagde, dat de modernen in de aldus gereorganiseerde Herv. Kerk niet zouden kunnen leven.

Dieper kende bepalingen zouden veel te confessioneel zijn, dan dat de echte modernen daar vrede mee zouden kunnen hebben.

Want immers — zoo redeneert prof. Bruining — ten opzichte van de aanneming van nieuwe leden gelden zoodanige voorschriften, dat men blijven moet binnen het bepaalde van het art. 38 en 39 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs, waarin voorkomt dat de candidaat-lidmaat gedoopt moet zijn of als nog gedoopt mo worden, en een belijdenis, een verklaring e een belofte moet afleggen, in geest en hoofdzaak overeenkomende met de daar geformuleerde.

En dat is niets voor een echt moderne! Een echt moderne kan daarin niet bewilligen.

„In ieder geval dit „behoudens het bepaalde in art 38 en 39 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs" draagt het onmiskenbaar merk van eene zeer essentieele bepaling" zoo concludeert prof. Bruining en „volgens dit ontwerp is in de gereorganiseerde Kerk geen plaats voor wie in de oude christelijke sacramenten nog slechts zien symbolische handelingen, van waarde voor wie, maar ook enkel voor wie daarvan godsdienstige stichting ontvangen; geene plaats desgelijks voor wie van oordeel zgn, dat de Kerk, als godsdienstige vereeniging, van wie zij als leden aanneemt enkel heeft te eischen, enkel mag eischen, verlangen om in haar kring versterking van geloofsleven te vinden en naar vermogen daaraan bij anderen mede te werken" — zoo vervolgt de hooggeleerde schrijver.

Zonder omwegen betuigt dus prof. Bruining dat de modernen in die gereorganiseerde Kerk niet zouden kunnen leven.

Maar en daar wilden we even op wijzen — dan stemt prof. Bruining wonderwel overeen met onze beschouwing: de modernen hooren óok onder de tegenwoordige omstandigheden niet thuis in onze Herv. Kerk.

De essentieele bepalingen van art. 38 en 39 Regl. Godsd. onderwijs maken ook nu, dat de modernen alleen dé, n in onze Herv. Kerk kunnen blijven als ze niet als modernen handelen.

Als ze hun echt modern beginsel verloochenen.

Onze Herv. Kerk geeft geen plaats aan de modernen.

Waarom erkent men dé, t dan ook niet? Waarom gaat men dan niet heen?

Intusschen zijn we prof. Bruining dankbaar voor zijn beschouwing.

Ook volgens hem nemen de modernen dus wederrechtelijk hun plaats in in het midden van de Ned. Herv. Kerk!

Verbannen.

Zelf nemen de modernen wederrechtelijk een plaats in in "de Herv. Kerk. Prof. Bruining heeft het nog weer eens aangetoond. En toch kan men dan zoo

arrogant optreden tegenover de Gereformeerden. „We zien ze liever vandaag vertrekken dan morgen" is de leuze van Dr. Niemteyer van Bolsward. En.hij staat daarin niet alleen.

Iets nieuws is evenwel wat we deze week in het Weekblad voor de Vrijz. Htrvormden lazen. Daar vonden we n.l. een stukje overgenomen uit een courant Nieuw Leven genaamd, van den volgenden inhoud:

Het schijnt ons beter, dat de Synode een onbewoond eiland koopt, Rottum bijvoorbeeld, en dat alle Waarheidsvrienden daarheen worden overgebracht. Ze mogen er dan één Kerk en één belijdenis hebben; ook zij hun de macht gegund, om alle andersdenkenden en anders voelenden van hun Utopia te weren. Het zal daar wel eentonig-gezellig zijn; doch dat zal waarschijnlijk deze vrienden niet hinderen. Meer hinderlijk wordt hun misschien, dat niet meer op Synode en Vrijzinnigen gescholden kan worden. Intusschen kan hun verwijdering voor allen, die wat voof de vrijheid voelen, een zegen worden.

Dat is een nieuw idee: al de Gereformeerden opvangen en ze dan naar een eiland overbrengen.

We hebben er eens hartelijk om gelachen !

Maar we vreezen dat Rottum te klein zal zijn. Want als men aan 't tellen gaat, dan zal het aantal Gereformeerden niet meevallen!

En wat zal het leeg zijn in de stadskerken en in de dorpskerken als de Gereformeerden weg zijn.

Men kan die kerken dan wel verhuren aan houders van bioscopen of dansmeesters.

Ên men kan alles wat er verder te onderhouden is wel ten laste van anderen brengen.

Het zou een mooie boel worden: de Gereformeerden naar Rottum waar 't te klein is — en de Nieuwe-Leven-richting met geen muis in de Kerk.

Inzinking.

In de ütrechtsche Kerkbode schrijft Ds. Klaarhamer een artikel over den Modus-Vivendi. Daarin klaagt hij over het feit, dat de Gereformeerden in de Herv. Kerk toch maar niet overkomen naar „de Geref. Kerken", die uit de actie van 1834 en 1886 zijn ontstaan. Een ander middel bestaat er toch niet om aan den strik te ontkomen.

Maar te midden van dat geschrijf begint Ds. Klaarhamer dan over die „Geref. Kerken" te klagen, dat het daarliet is zooals het behoorde te zijn. EHj klaagt over geestelijke inzinking enz. waardoor het niet onmogelijk wordt, dat de Gereformeerden in de Herv. Kerk niet veel lust hebben om met pak en zak naar die „Geref. Kerken" over te loopen. Hij zegt het te kunnen verstaan, dat men gaat wijzen op de gebreken en fouten, op de verslapping en inzinking der Geref. Kerken en der eenige Universiteit met den Bijbel.

En hij vervolgt dan:

»Het is zoo te begrijpen, dat zij, ziende op den toestand in de Gereformeerde Kerken, vragen of de uitkomst het offer waard is.

Als zij vragen, hoe staat het nu in die Gereformeerde Kerken met de prediking, met de levensopenbaring, met de tucht, met de Sacramentsbediening, dan komen zij tot een antwoord, dat weinig voldoet, en dat hen niet alleen niet aandrijft noch lokt, om zich tot de Gereformeerde Kerk hunner woonplaats te voegen, maar dat hen veeleer met zekere gerustheid doet blijven, waar zij zijn.

Toch komt het mij voor, dat dit vijgenbladeren zijn, die noch voor God, noch voor de conscientie baten.

Zeker, het is de Synodale Besturen gelukt, om geholpen door politie en justitie en in bond met al wat naam en invloed had, de doorwerking der reformatie te stuiten, zoodat op de meeste plaatsen de Kerk onder de organisatie van 1816 bleef en het niet tot reformatie kwam.

En ook in de vrijgemaakte kerken kwam helaas door saamwerking van allerlei oorzaken de actie tot reformatie na weinige jaren tot staan.

En zoowel in het geestelijke als in het kerkelijke leven valt een bedroevende en beschamende inzinking en verslapping te constateeren.

Er is wel band aan het Woord, maar het zich laten binden door het Woord wordt zoo gemist.

Dit zich laten binden brengt zelfverloocheen kruisdragen en dooding van het vleesch meê. En hiervan zijn wij maar al te spoedig teruggeschrikt.

En elke reformatie leidt tot separatie. Die den weg der bekeering en der heiligmaking des levens wil wandelen, moet breken met wereld en vleesch, moet breken met de zonde, moet breken met, de massa.

En ook dit is ons spoedig te zwaar geworden. En nu bedekken we dat wel, met te spreken van christelijke vrijheid en van ruimheid van hart en blik en van vastheid van beginsel bij soepelheid in de vormen, enz.

Maar die zijn oogen open doet en personen en zaken bij het licht van Gods Woord beziet, ziet wel, dat we met al dat fraai's op den verkeerden weg en in verkeerd gezelschap geraken, en dat het goud verdonkerd wordt, en de wereld in huisgezin en kerk en school binnendringt, en dat de wereldgelijkvormigheid toeneemt, en er werkingen van den eeuwgeest te zien zijn.

En dit alles maakt ons schuldig voor God en de conscientie.

En zoo wij ons niet bekeeren, zal de roede niet uitblijven."

Wij zijn blij, dat Ds. Klaarhamer zoo schrijft.

Dat is beter dan het hoofd in den nek te gooien en te doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is.

Waarbij men dan doorgaans voor de Herv. Kerk en voor de Gereformeerden in die Kerk niets over heeft dan de meest pijnlijke smaadredenen.

De Heere ontferme zich over Zijn volk in dezen lande.

Hij beware ons voor verbijten en vereten. Hij vure ons saam aan met Zijnen Geest en leide ons saam in Zijne wegen.

En Hij geve uit genade, dat saam vereenigd mag worden wat bij elkaar hoort en dat van elkander gescheiden worde, wat niet bij elkaar blijven magl

Modus-Vivendi-Stemmen.

In de N. Rott. Ct. van Donderdag 31 Aug. j.l. (Ochtendblad A) lazen we het volgende artikel:

De Modus-Vivendi als overgangsmaatregel.

Onlangs heeft iemand in ons blad den modus vivendi „ten doode opgeschreven" en wel hoofdzakelijk op grond van den tegenstand der confessioneelen. Het komt ons voor, dat voor deze moedeloosheid geen reden is en dat het uitstel der verdere behandeling heel goed de houding der confessioneelen ten gunste van den maatregel zal kunnen wijzigen. De zucht tot zelfbehoud zal deze halsstarrigen murw kunnen maken, vooral als zij gaan inzien, dat deze modus vivendi geen blijvende regeling wil zijn, doch slechts een overgangsmaatregel beoogt, hetgeen trouwens Dr. Kromsigt in de Gereformeerde Kerk reeds veronderstelt.

Van verschillende zijden is er reeds op gewezen, hoe de Ned. Herv. Kerk thans op een keerpunt is gekomen Bestendigt zij den richtingstrijd in zijn tegenwoordigen onverkwikkelijken vorm, dan zal zij haar aantrekkingskracht verliezen en zal haar doodvonnis zijn ge teekend Weet zij zich in te richten op een wijze, die voor verscheidenheid en ontwikkeling ruimte laat, dan wacht haar een vruchtbare toekomst in dienst der beschaving. Een heuglijk verschijnsel nu is, dat dit thans ook van orthodoxe zijde wordt bedacht De groote kerkvergadering van April 1914 en nu weder de modus vivendi bewijzen, hoe ook de orthodoxen van verschillende schakeering den ernst van den toestand erkennen en een afdoende oplossing dringend noodzakelijk achten.

Want blijft deze oplossing uit, dan is een groote uittocht uit dit kerkgenootschap stellig op komst De vraag is maar: aan welke zijde zal deze uittocht geschieden? Zoowel de modernen, maar niet minder de gereformeerden hunkeren naar vrijheid om zich naar eigen aard in te richten. En aan weerskanten wordt zulk een uittocht voorzien door de kleine kerkgenootschappen, die hun geestverwanten uit de „volkskerk" als een welkome versterking zullen ontvangen. Wat beide groepen vooralsnog tegenhoudt zijn beweegredenen van geestelijken aard als de rechtsvraag en de traditie, en beweegredenen van stoffelijken aard als het kerkegoed en de staatsbijdragen.

Het komt ons voor, dat, zoodra men het aanhangige vraagstuk van den modusvivendi uit een oogpunt van kerkelijke politiek gaat beschouwen, de houding der confessioneelen en der met hen verwante rechtsche ethischen voor een goed deel afhankelijk is van de kansberekening welke der beide uiterste groepen het eerst tot den uittocht geneigd zal zijn. Hier spelen de confessioneelen hoog spel want zij hebben hier alles te winnen of alles te verliezen Scheiden de modernen zich af, dan is met één slag de baan vrij voor de confessioneele reorganisatie. Maar komt het tot een uittocht naar de Gereformeerde Kerken, dan wordt hierdoor het overwicht in de Ned. Herv Kerk naar de vrijzinnigen verplaatst en is de reorganisatie voor goed van de baan.

Juist om deze kansberekening is de medewerking van prof. Visscher den confessioneelen een doorn in het oog. Want de redacteur van den Waarheids vriend moge hier den leider verloochenen, leekeninzenders mogen tegen hem opspelen, dit neemt niet weg dat zijn invloed groot blijft en dat er velen zijn in den Gereformeerden Bond, die zich door gevallen als van Ds. Paauwe en Ds. Keek meer en meeï tegen de Ned. Herv. Kerk gekant_ voelen en zich ernstig afvragen, of toch inderdaad niet tenslotte' de ware Gereformeerde Kerk buiten-het synodale kerkgenootschap is te zoeken. Vooral als door een moderne aderlating de confessioneelen oppermachtig zouden worden, wordt de overgang naar de „vrije" kleine kerken te aanlokkelijker. Maar als men eenmaal aan het „pluriforme" kerkbegrip gaat denken, is er tegen den modusvivendi niet alleen geen bojiwaar meer, doch brengt deze maatregel aan de Gereformeerden te zamen niet te versmaden voordeden

Het is dan ook nog geenszins te zeggen in welken geest de Gereformeerde Bond zich eenmaal zal uitspreken, maar tot een breuk met het Hervormde kerkgenootschap in zijn tegenwoordigen vorm moet het bij hen vast en zeker ten slotte komen. Dat de confessioneelen zich van hun gereformeerde mede-„belijders" niet bijster zeker gevoelen, blijkt telkeus weer. En mochten de modernen het in de Hervormde Kerk langer volhouden dan de gereformeerden, dan is het spel der confessioneelen verloren. De „belijdende" groep in de kerk brokkelt dan af ten profijte van de Gerefornieerde Kerken, en de vrijzinnigen, hierdoor overmachtig geworden, zullen de thans zoo halsstarrig tegengehouden splitsing toch doorvoeren.

Zouden de confessioneelen, die zoo dikwijls bewijzen nuchtere politici te kunnen zijn, er dan niet eens voor een enkel oogenblik aan denken, welke kansen zij met hun koppig hangen aan hun eigenaardig kerkbegrip verspelen. Zullen zij de gelegenheid, die de modus-vivendi hun biedt om als een krachtige en ongehavende groep een eigen kerkorde te vestigen, laten voorbijgaan ? Of zullen zij ten slotte toch nog maar geen eieren voor hun geld kiezen en hun beginsel redden door op het voetspoor der vroegere afgescheidenen te beweren, dat hun verband van gemeentekerken de traditie der Dordtsche vadéren voortzet en dat de vrijzinnige .gemeentekerken de „valsche kerk" vertegenwoordigen ?

Alle partijen beseffen, zij het stilzwijgend, dat het samenleven der twee ongelijksoortige bestanddeelen in de Herv. Kerk zijn tijd heeft gehad, en dat de modus-vivendi de overgangsmaatregel zal zijn tot de „boedelscheiding". De hoop der confessioneelen is nog maar op één mogelijkheid gevestigd: dat de modernen hun geduld zullen verliezen en er eerder zullen uittrekken dan de uiterste rechterzijde. De vervulling van deze hoop zou voor den loop der dingen ten zeerste te betreuren zijn. De vrijzinnigen dienen derhalve zoo eenigszins mogelijk een afwachtende houding aan te nemen, hetgeen hun te beter zal gelukken, nu, getuige den arbeid der orthodoxe hoogleeraren, hun beginselen ook onder orthodoxen van lieverlede worden erkend.

Het spreekt 'vanzelf, dat zij daarom een overgangsmaatregel als dezen modusvivendi niet moeten beschouwen als ware hij de belichaming van het zuivere vrijzinn%e kerkbegrip. Terecht heeft men in ons blad van „onafhankelijk-orthodoxe" zijde betoogd, dat „schipperen" niet altijd onwaardig behoeft te /ijn. De vrijzinnigen mogen nimmer vergeten dat de commissie voor den modus vivendi slechts loodsdiensten verricht en dat zij eerst straks, op zichzelf varend op het ruime sop, hun eigen, vrijen koers kunnen kiezen. Nu geldt het voorshands slechts: tusschen de klippen uit te komen. De modus vivendi is niet" rneer dan een overgangsmaatregel en dient als zoodanig te worden behandeld.

Dit karakter van overgangsmaatregel Jieeft de commissie er toe gebracht zich zooveel mogelijk te onthouden van al te diep ingrijpende wijzigingen in de kerkelijke reglementen. Kan zij het klaarspelen het Algemeen Reglement onaangetast te laten en daarmee te voorkomen dat de instemming van 2/g inplaats van I/2 der leden van . de provinciale kerkbesturen wordt vereischt, dan zal zij dit niet verzuimen. Wij hebben gemeend reeds in de voorloopige regeling een dergelijk streven op te merken* Lijkt het niet alsof de commissie geheel haar stelsel gegrond heeft op ' art. 23 Alg. Regi, dat de gemeente het recht geeft bij benoeming en beroeping bepaalde personen of lichamen te machtigen? Evenals thans het kiescollege zullen in het vervolg ook de „gemeentekerken" kunnen worden gemachtigd. Men zal toegeven, dat dit „schipperen", waarbij het Algemeen Reglement wordt „omzeild", de kans van welslagen aanzienlijk vergroot.

Zoo de vrijzinnigen dit karakter van overgangsmaatregel voor oogen houden, zullen zij ook niet met prof. Bruining om het behoud van art. 38 en 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs het ontwerp onaannemelijk'behoeven te verklaren, al zou het, gelijk wij trouwens reeds onmiddellijk hebben verklaard, wenschelijk zijn, zoo de geloofsvrijheid van het Luthersche reglement nadrukkelijk werd overgenomen. Maar wanneer een dergelijke radicaliteit dezen maatregel, die toch in elk geval een schrede, zij het dan misschien slechts één schrede, in de goede richting is, in gevaar brengt, kunnen de vrijzinnigen volstaan met zich af te vragen: wordt de thans geldende mate van geloofsvrijheid door het ontwerp beknot? En het antwoord moet dan luiden: geenszins; wij behouden in dit opzicht hetgeen we reeds hebben. Kunnen de vrijzinnigen thans in de kerk blijven, dan kunnen zij het evengoed na de invoering van den modus vivendi.

Het zou struisvogelpolitiek zijn, zoo van rechts als van links, wanneer men den modus vivendi als het einddoel van den strijd in de Ned. Herv. Kerk beschouwde. Het einddoel kan geen ander zijn dan: volkomen vrije en afzonderlijke inrichting van een „belijdenis"-kerk en een „vrijzinnige" kerk naast elkaar. De thans aanhangige overgangsmaatregel wil voor de oplossing van dit uitermate ingewikkeld vraagstuk de baan vrijmaken door de twee ongelijksoortige bestanddeelen der kerk alvast „kerkelijk" te organiseeren, opdat zij straks bij de splitsing ieder voor zich rechtspersoonlij k en rechtsgeldig kunnen optreden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's