De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

De Modus Vivendi.

De commissie voor den modus vivendi heeft, naar de N. R. C. meldt, 7 dezer aan de algemeene synode der Ned. Herv. Kerk het volgende geschreven:

Hoogeerwaarde Heeren!

De commissie voor het onderzoek naar de mogelijkheid van een „modus vivendi" heeft de eer u bij dezen te berichten, dat zij bij schrijven van 24—26 Augustus 11. — welk schrijven evenwel pas op 1 September, des avonds, in handen van haren voorzitter is gekomen — mededeeling heeft ontvangen van het besluit, inzake het door haar bij de Synode ingediend ontwerp-reglement in de zitting uwer vergadering van 16 Augustus 11. genomen,

den modus vivendi toe te zenden aan de ontwerpers, met bericht, dat de Synode met 10 tegen 9 stemmen het beginsel heeft aangenomen;

dat zij echter het ontwerp als zoodanig niet aan de consideratiën der Kerk kan onderwerpen;

en derhalve thans den ontwerpers verzoekt dit ontwerp in reglementairen vorm te brengen, met recht om zich daarvoor zooveel leden te assumeeren als zij wenschelijk achten.

De Commissie verheugt zich er over, dat het door haar in een reeks van artikelen geformuleerd en uitgewerkt beginsel door de Synode is aangenomen, zij het dan ook slechts met eene zoo klein mogelijke meerderheid van stemmen.

Het bevreemdt haar echter in hooge mate, dat uwe Vergadering onmiddellijk daarna met algemeene stemmen heeft besloten: bedoeld ontwerp, zooals het daar ligt, met de memorie van toelichting, niet aan het oordeel der Kerk te onderwerpen;

maar — en wederom met 10 tegen 9 stemmen — een voorstel van den heer Cremer heeft aangenomen om het door de Commissie ingediend ontwerp-reglement aan de ontwerpers terug te zenden en hun te verzoeken het „in reglementairen vorm te brengen."

Inderdaad is dit een allerzonderlingst besluit.

Immers: lo. het beginsel, waaraan de Synode met 10 tegen 9 stemmen hare goedkeuring heeft gegeven, kan van het door de Commissie ingediend Ontwerp, waarin het omschreven en uitgewerkt is, niet worden losgemaakt;

2o. de commissie heeft zich niet bepaald tot het aangeven van een leidende hoofdgedachte, maar in een volledig uitgewerkt ontwerp van 21 artikelen de toepassing van die hoofdgedachte omschreven, zooals zij die doelmatig en mogelijk achtte;

3o. na de aanneming van het beginsel van het ontwerp der commissie had de Synode de in het ontwerp haar voorgelegde uitwerking in artikelen aan hare beoordeeling moeten onderwerpen.

De Synode heeft dit echter niet gedaan. Dientengevolge heeft zij, door haar besluit om haar beginsel aan te nemen, metterdaad besloten om de in het ontwerp omschrevene toepassing daarvan aan te nemen, om dan met het alzoo (voorloopig) aangenomen ontwerp-reglement te handelen naar het voorschrift van art. 62 van het Algemeen Reglement.

Natuurlijk ware het noodzakelijk geweest vervolgens na te gaan welke wijzigingen en invoegingen, bij vaststelling van het voorloopig aangenomen reglement, in de andere reglementen zouden moeten worden gebracht.

Dit onderzoek had aan de rapporteerende commissie of anders aan eene daartoe nader aan te wijzen commissie uit de Synode moeten zijn opgedragen.

Onze commissie kan derhalve onmogelijk voldoen aan het tot haar gericht verzoek om het ingediend ontwerp-reglement te brengen in reglementairen vorm.

Zij heeft in dezen ten volle haren plicht gedaan, daar zij haar werk in reglementairen vorm heeft ingediend.

Nadere beoordeeling van haar ontwerp is niet haar taak, maar ware die der Synode geweest.

Was het echter de bedoeling der Synode — wat wij redelijkerwijs mogen onderstellen, ofschoon het uit niets blijkt — onze Oommissie te verzoeken om na te gaan hoe het ontwerp, door wijzigingen en invoegingen in de andere reglementen, in het organisme der wetgeving onzer Kerk zou moeten worden ingepast, dan ware, gelijk boven reeds is aangeduid, daarmede aan onze Commissie een taak opgedragen, die niet op haren weg maar op dien der Synode zelve ligt.

Onze Commissie kan er niet aan denken de taak der Synode over te nemen.

Zij heeft ook geen enkel oogenblik de bedoeling gehad dat te doen, zooals in hare Memorie van Toelichting op blz. 18", onder VI, is uitgesproken.

Wel echter ware zij zeker bereid bevonden om der Synode, of eener uit haaf midden aangewezene commissie, in dezen hare medewerking te verleenen, indien zij daartoe door Uwe Vergadering ware uitgenoodigd.

Dat was de strekking van hetgeen door leden onzer Commissie is toegezegd bij gelegenheid van de besprekingen over het ingediend ontwerp met de rapporteerende commissie der Synode.

Verder hebben die leden — evenmin als onze Commissie in haar geheel — kunnen noch willen gaan, en zijn zij ook niet gegaan.

De voorstelling, volgens de Handelingen der Synode, blz. 374, door den praeadviseur prof. Daubanton, aangaande deze zaak gegeven, berust op een misverstand.

Nu de Synode echter het in ons Ontwerp aangegeven en uitgewerkt beginsel heeft aangenomen, en onze Commissie aan het door Uwe Vergadering tot haar gericht verzoek niet kon voldoen, geven wij U in overweging om alsnog uit uw , midden te doen onderzoeken:

op welke wijze de reglementen onzer Kerk in overeenstemming kunnen worden gebracht met het in ons ontwerp belichaamde en door Uwe Vergadering tot onze blijdschap aangenomen beginsel.

Wij verklaren ons ook nu nog bereid Uwe Vergadering of eene door haar te benoemen commissie, indien zulks mocht worden gewenscht, daarbij van advies te dienen.

De Commissie voornoemd,

S. D. VAN VEEN, Voorz.

H.VISSCHER, Secret.

T. CANNEGIETER.

F. E. DAUBANTON.

J. A. C. VAN LEEUWEN.

H. TH. OBBINK.

Uit bovenstaand schrijven van de Utrechtsche hoogleeraren blijkt dus, dat zij de opdracht der Synode niet hebben aanvaard en dat zij de Synode zelf aan 't werk willen zetten.

We kunnen het verstaan dat de Voorstellers zoo handelen. Maar op andere gronden dan zij aanvoeren.

O. i. is 'tgeen de Synode deed zeer verklaarbaar en zeer ter zake geweest.

Waar het beginsel van den Modus-Vivendi aangenomen was, lijkt het ons nog zoo dom niet van de Synode om den Voorstellers zelf te vragen, om nu eens een geheel uitgewerkt stuk te geven, passend in het kader van onzen Reglementenbundel.

Wie zijn daar beter toe bevoegd en meer toe aangewezen dan de 6 Utrechtsche heeren?

Maar het is een reuzen-peuterwerk. Het is een veld vol voetangels en klemmen bewandelen.

't Is ook een wanhopend werk. Want het is een werk, dat ten doode opgeschreven is.

Omdat er honderd aanmerkingen te maken zullen zijn, terecht often onrechte.

Waarbij immers het beginsel van den Modus-Vivendi ma^ met 10 tegen 9 stemmen is aangenomen, en dan nog onder zekere voorwaarden. Of eigenlijk onder verklaring van den heer Schrieke dat hij op 't standpunt van Prof. Aalders staat en er dus eigenlijk tegen is.

We kunnen ons dus goed indenken, dat de Utrechtsche heeren voor de eer bedankt hebben.

En de Synode zal het verder wel laten liggen.

Die zal wel zeggen: we zijn niet geroepen andermans werk te doen!

En zoo is ook deze zaak weer van de baan.

Zoo als ze gekomen is, zoo is ze gegaan. 't Is te hopen dat nieuwe voorstellen tot kerkherstel op de begrafenis komen.

Want er mag geen rust in deze komen. „Rust roest."

De Modernen en de Kerk.

De Nieuw-Leven-richting wil een vereeniging oprichten „tot vahging en verbanning van de Gereformeerden in de Herv. Kerk."

Met de hooge Overheid zijn ze in onderhandeling om het eiland Rottum als verbanningsoord te mogen exploiteeren.

't Is wel aardig om de modernen zoo te zien wurmen.

Jamüier maar dat ze zelf zoo weinig presteeren. Ze weten bij tijden wel naar de stembus te jagen — maar dat zijn dan voor 't grootste deel „stemgerechtigde lidmaten", die nooit of bijna nooit naar de kerk gaan. Die nauwelijks weten waar de deur van de kerk is.

Algemeen is de klacht dat hel in deze zoo treurig gesteld is.

Maar de modernen weten zich er wel uit te redden.

Luister maar eens wat de moderne Dr. J. J. Bleeker van Dronrijp er pp gevonden heeft.

Te Leeuwarden zal een samenkomst van moderne (Ned. Herv.) predikanten in de drie Noprdelijke Provinciën gehouden worden.

En daar zal Dr. Bleeker dan refereeren over „De betrekkelijke impopulariteit der Moderne richting", waarbij hij de volgende stellingen zal verdedigen:

1. Het is een feit dat de Orthodoxie, vooral de meest-rechtsche, gauwer en meer vat heeft op de menigte dan het Modernisme.

2. Men klage daarover niet, want dit is volstrekt niet een bewijs van'de godsdienstige minderwaardigheid onzer richting.

3. In vele gevallen is het minder groote succes bij de massa eerder een aanwijzing van het tegendeel.

4. De fout van velen is, dat men de waarde van een richting veel te veel afmeet naar uitwendige dingen, voornamelijk naar het meer of minder trouw kerkgaan harer aanhangers.

5. Hoe meer het Modernisme het echtreligieuse tot zijn recht laat komen, des te grooter zal wel niet zijn populariteit worden, maar wel de kracht en zegen, die er van uitgaat.

Deze stellingen bevatten een pijnlijke bekentenis en openbaren dat men eenvoudig wanhoopt aan eenige verbetering wat betreft het kerkgaan.

Maar men verzilvert die pil.

En men zegt, dat het niet tegen het Modernisme als zoodanig pleit.

Doch intusschen blijft het feit een feit: het Modernisme op den kansel is een mislukking. De modernen gaan niet of zeer weinig naar de kerk.

Ja — zijn degenen die zich modern noemen en met de modernen naar de stembus loopen en als modernen in de Ned. Herv. Kerk zich opgeven, wel modern !

Zijn ze misschien niet onverschillig, godsdienstloos, materialist ?

Zouden ze, als ze eerlijk zijn, voor een groot deel niet met dien Groningschen boer moeten mee-antwoorden, als de moderne dominé vraagt: waarom kom je niet in de kerk? „ik wil van al jouw zottepraat niet hooren, domine"?

Ga maar naar de Betuwe, naar de Zuid-HoUandsehe eilanden, naar N.-Holland, naar Groningen, Drenthe, Friesland, Geldersche Achterhoek enz., en ge zult het opmerken, dat de levensbeschouwing en de levenspractijk van duizenden die zich „modern" noemen de levensbeschouwing en de levenspractijk is van een materialist, van een onverschillige, van een godsdienstlooze. Ze hebben afscheid genomen van alle religie, om geheel te leven voor de aardsche dingen, zich niet bekommerend om wat boven de stof uitgaat. Neen, de moderne richting is niet populair.

En de moderne dominé, die nog de moeite doet om bij de schapen zijner kudde een onderzoek in te stellen naar het eigenlijk beginsel waaruit men leeft — hoewel velen van hen dat maar niet eens doen, omdat ze het met tooneelvereeniging, billartspel, landverhuring, studie enz.' enz. zoo overdruk hebben — zal telkens tot de droeve ontdekking komen, dat de moderne gemeenteleden absoluut niets voelen voor het kerkgaan, ja dikwijls geheel onverschillig zijn voor alles wat met den godsdienst verband houdt.

Leerzaam is wat Ds. M. Prins te Tiel daaromtrent vertelt in 'i Protestantenblad.

Hij spreekt daar van menschen die bij huisbezoek in den letterlijken zin des woords hem de deur voor den neus dicht doen met de vriendelijke opmerking: „we doen der niet aan."

Alsof — zoo zegt hij — alsof we zoo'n soort wijnreizigers of verzekeringsagenten waren en niet kwamen met het allerhoogste en allerheiligste dat te denken is.

Of eigenlijk wil hij 't over zulke gemeenteleden niet hebben.

„Maar u heb ik top 't oog, u, die op een bezoek van den predikant gesteld zijt zelfs, die hem in uw salon of mooie kamer ontvangt, een welkomstdronk hem aanbiedt, maar die, als hij over kerkgaan begint, hem heel beleefd en hoffelijk met een kluitj'e in het riet stuurt en allervindingrijkst zijt in het ten beste geven van bespottelijke uitvluchten en excuses. Arm en rijk, onbeschaafd en beschaafd, jong en oud, ze zijn in dat opzicht volkomen aan elkaar gelijk; overal hooren we hetzelfde."

En wat voor uitvluchten heeft men dan? Ds. Prins schrijft dan 't volgende — wat we ontleenen aan de Westfriesche Kerkbode van 8 Sept. jl.:

«Allereerst dan die nauwe en stijve banken in de kerk, waarop men zoo lastig en moeilijk zit, wat worden die ons vaak in hun eikenhouten massiviteit als een hard verwijt voorgehouden. Men wringt zich in de gezelschappen en kringen, waarin men verkeert, met plezier in de meest gewrongen en verkeerde verhoudingen in; men verduurt met lachend gezicht voor hart en geweten, o, zoo nauwe ongemakkelijke toestanden; maar eens een enkel uurtje in de week op een kerkbank wat minder makkelijk dan gewoonlijk zitten, dat kan er niet af, «heusch niet dominee». En dan, als de kerken niet verwarmd zijn, die bittér onuitstaanbare koude, en als ze wel verwarmd zijn, die benauwde stikhitte, dat is ook een geliefd excuus. De kerk maakt het den menschen niet gauw naar den zin; en, dat een koud hart of een brandend geweten ook een leelijk ding is, schijnt men niet bijster te voelen. Ja, de apostel Paulus had het nog niet zoo bij het verkeerde einde, toen hij den mensch in geest en lichaam onderscheidde en waarschuwde, dat het lichaam vaak een beletsel is om tot God te naderen; want het getal lichaamskwaaltjes, dat den predikant in vertrouwen beleden wordt als reden, waarom men niet naar het bedehuis gaat, is legio. Ik heb goed geteld in een vorige gemeente 15 mannen en vrouwen gehad, die — ze kwamen er natuurlijk nooit — maar die, als ze in de kerk zouden gaan zitten, onmiddellijk duizelig worden en misschien wel flauw zouden vallen en er dus gezondheidshalve uit wegblijven. Sommigen van dezen zie ik onvervaard naar den schouwburg gaan én anderen naar de bewegelijke en draaierige bioscooptent. 't Schijnt dus alleen maar in de kerk te hinderen. En duizeligheid of flauwvallen is 't niet alleen, maar hoofdpijn van 't ingespannen luisteren (hoe vleiend voor den predikant, vindt ge niet; jammer dat men hem metdatal nooit hoort), maar kiespijn van de tocht, maar maagpijn van de strakke houding, maar zenuwaandoeningen van de roerende orgelmuziek. Laatst had ik waarlijk een juffrouw, die vond preeken altijd zóó mooi, dat ze er van schreien moest: «en met een behuild gezicht wil ik in de kerk niet zitten, dominee, en daarom kom ik maar niet meer.» Dan zijn er behalve belemmeringen van den kant van het lichaam ook nog die akelige zakendrukten. «Ja, ziet u», zoo zeggen de lieden van deze kracht, «ik ben bepaald wel godsdienstig en vroom ook; ik doe niets liever, dan zoo nu en dan een stichtelijk woord aanhooren, maar die drukte, die drukte, o! die belet me geheel en al naar de kerk te gaan.» En och, wij predikanten, wij kennen die drukte; allerlei werk, waarvoor een door-de-weeksche dag te goed is, wordt tot den Zondagmorgen opgespaard, gelijk een huisvrouw rommel en verstelwerk tot nader orde in een werkmand weglegt, en dan op den plechtigen rustigen morgen van den dag des Heeren, als men feitelijk goed deed God met een dankbaar hart in 't.rnidden der gemeente te loven en te danken voor al die drukten waardoor men zijn dagelijksch brood toch maar heeft, gaat men onder het poëtisch gebeier der kerkklokken, dat zoo weldadig aandoet, heel genoegelijk met de ' pijp in den mond zijn achterstallige boeken bijwerken, of den winkel opruimen, of de kwitanties schrijven voor de vereeniging waarvan men pen-' ningmeester is. Laatst is me het sterkste op dit gebied overkomen; een dame merkte in allen ernst op, dat ze Zondagsmorgens niet ter kerke kon gaan, omdat haar zoontje dan dansles en haar dochtertje aan huis piano onderricht had en ze daar met alle geweld bij tegenwoordig moest wezen.

Maar laat ik met deze bloemlezing ophouden, I ik word zeeziek van al die laflfe menschen.... ! pardon, ik word zeeziek van al die laffe uitvluchten. Liever nog heb ik een stoeren Fries of een onheuschen Groninger voor me, die zich vierkant tegenover me plaatst en zegt: «ik wil dominee, van al jouw zottepraat niet hooren.»

Tot zoover Ds. Prins.

Waaruit men ziet, dat het allertreurigst gesteld is bij de modernen wat het kerkgaan betreft.

I Dansles en pianospel en bioscoop gaat I er beter in.

I En dan zet men alle zeilen bij als er ergens in een gemeente begeerte is naar I een rechte verkondiging van het evangelie, om dat streven tegen te gaan.

't Moet en 't zal „modern" blijven. Waarbij men Jan Rap en zijn maat naar de stembus jaagt.

Om dan degenen die willen kerken te verhinderen, , . Eft voorts de kerk ledig te laten staah: : ^f^^p|; '

Wat is het ioiodernisme in alle opzichten treurig I

Wat is het verwoestend in zijn werking. En waar men dan altijd bazelt het komt op het kven en op de religieuse, vrome stemming aan, daar stoot men telkens tegen het ruwste materialisme, het grofste ongeloof, de ruwste onverschilligheid aan, waarbij vloeken, kaarten, dansen, drinken, enz. het hoogste ideaal is; terwijl de kroeg, de bioscoop, de comedie bloeit en de kerk leeg staat en leeg blijft.

Hoe in-treurig I

En men wanhoopt zelf aan de mogelijkheid om hier eenige verbetering aan te brengen.

Waarom gaan de modernen niet de kerk uit en waarom vormen ze niet een rehgieuse vereeniging? Want in de kerk hebben ze toch geen hoorders en als vereeniging kunnen ze dan hun beginselen propageeren, terwyl intusschen de orthodoxen, die er naar snakken om te mogen kerken, geestelijk voedsel kunnen ontvangen op de plaats waar dat hoort!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's