Uit het kerkelijk leven.
De valsche Kerk.
In het artikel dat Ds. Klaarhamer onlangs schreef in de „Utrechtsche Kerkbode" over den Modus-vivendi en waarin hij van „de Geref. Kerken" toen niet zulke heele mooie dingen getuigde, verklaarde hij van de Herv. Kerk nog weer eens dat dit een valsche kerk is.
Hij schreef:
«.... waar is het, dat het Nederl. Herv. Kerkgenootschap als zoodanig al de kenmerken der «valsehe Kerk» vertoont, die art. 29 onzer Geref. belijdenis aangeeft, ondanks de Gereformeerden, die nog biniien dezelfde muren gevonden worden.»
Wel wordt hier dus niet rechtstreeks gezegd: de Herv. Kerk is de valsehe Kerk. Maar eigenlijk wordt het toch ook weer wêl gezegd.
Wat is hier nu van aan?
De werkelijkheid is, dat de Ned. Herv. ook na 1816 de aloude Geref. Kerk is, staande op het aloude fundament. In 1815—'16 zijn de Formulieren van Eenigheid in onze Herv. Kerken gehandhaafd en aan de toen ingestelde Synode is opzettelijk alle bevoegdheid ontzegd, om ze af te schaiïen of te wijzigen. Elke Synodale' bepaling of omschrijving in zake „de leer" is in wezen ongeldig, waardeloos, als men daarmee „de leer" tracht te ontwrichten, daar al de Besturen niets anders te doen hebben dan de leer der Kerk te handhaven. Dat staat in de kerkelijke grondwet. En elke bepaling of omschrijving in de organieke wetten, welke daarmee niet waarlijk overeenstemt, kan elk oogenblik — en moet ook — gewijzigd worden overeenkomstig de eerlijke bedoeling der kerkelijke grondwet, waarin in ronde worden is neergeschre ven, dat het beginsel der Herv. Kerk is en blijft het beginsel naar Gods Heilig Woord, neergelegd in de kerkelijke belijdenisschriften. Ook staat in eiken beroepsbrief Gods Heilig Woord voorop. Naar dien regel heeft ieder te wandelen.
Onze Herv. Kerk heeft dua Gods Woord niet verworpen.
Elke beroepsbrief bewijst dit.
Onze Herv. Kerk heeft dus geen leervrijheid.
Héél onze Reglementenbundel bewijst het.
Maar door de tijdelijke overmacht van menschen, die wederrechtelijk in onze Herv. Kerk de ware leer willen verkrachten, is het in de practijk van ons kerkelijk leven dikwijls zoo droevig gesteld.
Dat ontkennen we geen oogenblik. Integendeel, dat belijden we met schaamte en droefheid. Dat is zonde voor het aangezichte des Heeren en dat zal ons hoe langs hoe meer waarachtig tot schuld moeten worden.
Maar wat het wexen onzer Herv. Kerk aangaat, als het er op aankomt en men vraagt: wat is in de Herv. Kerk recht en behoorlijk? dan dient geantwoord: dat alles door ieder naar Gods Heilig Woord en de beginselen omer Geref. belijdenis moet worden ingericht!
En juist omdat nu door zondige lauwheid en nalatigheid van onze Vaderen èn ons die tijdelijke overmacht onze Herv. Kerk bekneld houdt, om, tegen recht en waarheid in, haar veelszins te dwingen in onbijbelsche en ongereformeerde wegen te wandelen, past het ons, die wenschen te buigen onder Gods Woord, niet om haar te verlaten, om haar aan zichzelf over te laten, om het Vaderlijk huis uit te gaan, om de Herv. Kerk aan de vijanden over te geven, om onder de oordeelen Gods vandaan te loopen. Maar het is de hooge en heilige roeping van de gereformeerden — van S.1 de gereformeerden ! — om in haar midden te blijven en den Heere billijkend in Zijn oordeelen en straffen, met oprecht schuldbelijden voor God, in den geloove te strijden voor de waarheid en de Herv. Kerk op te eischen voor den Koning der Kerk, die »ook in deze getuigt: „de poorten der hel zullen Mijn Gemeente niet overweldigen; Ik ben met u."
Alles wat de verachters van Gods Woord en van onze Geref. belijdenis veranderd hebben heeft de Kerk in wezen niet aangetast. Daar heeft de Heere voor gewaakt, Die voor haar hare belijdenis bewaarde en Die Zijn heilig Woord in haar midden liet.
Alles wat de vijanden veranderd hebben, hebben ze veranderd tegen recht en waarheid in. 't Is gekomen door ruw geweld en brutaal optreden. Door het bruut geweld van de helft plus één. Maar altijd in strijd met wat men eerlijk beloofd had te zullen doen nl. de leer der Kerk handhaven.
Dat geeft het verschil aan tusschen hetgeen zij hebben gedaan, die in waarheid met de geref. belijdenis verschillen en Gods Woord verwerpen — en 'tgeen zij wenschen te doen, die voor Gods Woord bukken en de geref. belijdenis eeren.
Wat de eersten gedaan hebben en nog willen doen, deden ze en doen ze in strijd met de grondwet en de historie der Kerk; in strijd met de beloften door hen afgelegd.
Wat de laatsten begeeren t© doen is in overeenstemming met Gods Woord, met de kerkelijke belijdenis en met de historie.
't Is 'tgeen waartoe zij zich plechtig hebben verbonden!
Als zij dus de organieke reglementen willen inrichten om zoodoende ook de leer der Kerk te handhaven en naar Gods Woord de waarheid te verdedigen en te bevestigen, doen ze niets onbehoorlijks in de Herv. Kerk; niets tegen hun beloften; niets wederrechtelijks.
Integendeel, dan doen ze naar roeping en plicht.
En daarofn behoorden ook S, lle Gereformeerden in d^ Herv. Kerk.
Niet in de Herv. Kerk als deze gereformeerd is. Maar in de Herv. Kerk zoo-
als zij nu is. Nu een bukken onder Gods tuchtroede. Nu een gevoelen van de slagen, die de Heere door middel van de vijanden ons toebrengt. Nu een verkeeren in benauwdheden. Nu een doormaken van ellende en smart, om der zonde wil rechtvaardig komend over ons en ónze kinderen.
En daar moet dan een zich bewust worden van de zonde en de schuld, die voor rekening komt van onze Vaderen en ons, geboren worden.
Om saam dan biddend en werkend — vertrouwend op den Heere, Die op Zijn tijd recht zal doen — naar Gods Woord te spreken en te handelen zooveel dat mogelijk is. Waarbij onze nood geklaagd mag worden aan den Heere over zooveel waarin de ellende der Kerk ons en onze kinderen brengt, op Hem aanloopend als een waterstroom, totdat Hij ons ruimte komt maken.
Neen, we moeten niet doen wat we niet kunnen doen. Daartoe roept de Heere ons niet. We hebben te doen wat wel kan. En dat is nog veel, héél veel!
En als we genade mogen ontvangen om dèt te zien en dS, t te doen, zal de Heere ons ruimte maken, opdat er méér, véél meer nog zal kunnen worden gedaan!
We moeten de dingen niet in de war sturen door ónze plannen zóo te maken, dat de boel mis moet loopen.
Daar roept de Heere ons niet toe!
Hij roept ons, om den vollen eisch van Zijn Woord hoe langs hoemeer te leeren verstaan en dan de Kerk onzer Vaderen, de Kerk des Heeren zijnde, op te eischen voor Zijne waarheid, voor Sions Koning.
Indien men in 1834 de gezangen-kwestie eens wat kalmer aangepakt had (en men behoeft maar even te zien naar 'tgeen men nu in „de Geref Kerken" over Nieuw-Testamentische gezangen schrijft, om toe te stemmen, dat men in 1834 veel te veel doorgedraafd heeft en veel te veel geijverd heeft zonder verstand) en als men de kwestie van kinderen uit andere gemeenten te doopen (de C'ick doopte b.v. kinderen uit de gemeente Vierhuizen, waar de orthodoxe Ds. A. P. A. du Cloux stond; Zondag 8 Nov. 1833) eens wat voorzichtiger had behandeld, wie weet, ja wie weet of de geschiedenis van „de Afscheiding" niet heel, héél anders hadgeloopen? Want kleine dingen hebben dikwijls zulke groote gevolgen. En kleine fouten hebben dikwijls zoo'n droeven nasleep Vooral in dagen als alles zoo lang verwaarloosd is en zoo zeer verward ligt.
Als men het eens kalna enkel op het terrein van de leer der Kerk, vêtn de prediking en van de gezonde sacramentsbediening geworpen had en als men zich niet eens door allerlei heethoofden en raadgevers — die niet beter wisten, maar geen leidslieden behooren te zijn — had laten voortduwen tot vlug en eigenaardig werk, ja! wie weet of de geschiedenis van 1834 niet héél anders had geloopen
En waar nu slechts een 10-tal predikanten meegingen met de Afscheiding (van de 1400), daar ware een veel beter georganiseerde en veel krachtiger actie in de Herv. Kerk mogelijk geworden, dan na de Afscheiding gezien is.
Want door de Afscheiding zijn de gemeenten jammerlijk verscheurd.
De huisgezinnen zijn verdeeld geworden. Alle arbeid is versnipperd.
Voor de opleiding van dienaren des Woords is de arbeid gebroken.
Op schoolgebied is veel ellende geboren. Ja — indien men zich eens geworpen had op de taak om als éen man, buigend onder de straffen en oordeelen Gods, jaar op jaar luider en duidelijker te spreken naar den eisch van Gods Woord en onze Herv. Kerk op te eischen voor den Heere, Die ons Zijn Waarheid gaf — ol hoe had alles niet héél, héél anders kunnen zijn.
En indien de mannen van 1886 — die van de Chr. Geref. Kerken verklaarden, dat ze tot in den wortel toe vol bederf en ongerechtigheid waren I (Dr. Kuyper) — ook eens minder met bepaalde plannen en afspraken hadden gewerkt en om de wille van de eere Gods, het herstel der Kerk en het heil des volks, zich eens een weinig meer geworpen hadden op de taak, om als één man, buigend onder de straffen en oordeelen Gods, jaar op jaar luider en duidelijker te spreken naar den eisch van Gods Woord en onze Herv. Kerk hadden opgeëischt voor den Heere en Zijne Waarheid — ja, dan had alles héél, héél anders geloopen!
Als men in 1834 en in 1886 een weinig minder had vastgehouden aan eigen inzicht, aan eigen tijd, aan eigen ideaal, minder rationalistisch en meer in 't geloof gehandeld had, dan zou er nu in de Herv. Kerk meer voor den Heere, naar Zijn Woord, tot Zijn eer en tot heil des volks kunnen worden gedaan.
Maar nu ligt de Kerk verscheurd. Onze huisgezinnen, onze families zijn verbrokkeld. Ons volk is verdeeld. En het beginsel van de Scheiding heeft op kerkelijk gebied, op politiek gebied, op schoolgebied, op het terrein van het werk der barmhartigheid enz. enz. zoo ontzettend veel kwaad gedaan.
O ja — we zijn ten slotte één.
Eén in hetgeen naar Gods Woord is. En die eenheid is van groote waarde! Maar — we staan gescheiden.
En de ellende, de zonde van dat ge scheiden zijn wreekt zich en laat aich telkens weer voelen.
Wat ellendig dat we gescheiden zijn! Dat merken we telkens en overal.
En die dat ontkent waarheid te zijn, die ziet de werkelijkheid van. het leven niet onder de oogen.
Men kan praten wat men wil, maar het is zoo ellendig dat gescheiden zijn!
Dat voelen we elk oogenblik. 't Bederft den omgang, de familie, den arbeid op elk gebied.
Er zit een adder onder 't gras. En de vijand juicht.
De eere des Heeren lijdt schade. Allerlei werk lijdt er onder.
De oplossing van het kerkelijk vraagstuk is er door achteruitgezet en moeilijker door geworden.
En ieder voelt: de Scheiding heeft niet gebracht wat we noodig hebben.
De Doleantie is een teleurstelling geworden-
En nu leven we gescheiden.
Wie, wie zal nu de genezing geven? De een verwijt den ander in deze veel. En onze Herv. Kerk staat er nog door 's Heeren goedheid.
Dear ligt de oplossing, dat staat voor ons vast.
En o! dat we dè, ar nu één waren om, bukkend onder de oordeelen Gods, meer en meer te spreken naar Gods Woord en de Kerk onzer Vaderen |op te eischen voor 's Heeren Waarheid en Sions Koning!
Wat hadden we in deze reeds verder kunnen zijn dan nu.
Als de Scheiding, als de Doleantie niet gekomen ware.
Dan was het waarschijnlijk een geheel andere toestand in de Kerk. En daardoor een geheel andere toestand ook buiten de Kerk. Een geheel andere toestand voor héél ons volksleven.
En de Kerk èn de politiek, èn de School èn de maatschappij wordt door deze dingen beheerscht.
Nu die scheiding. •; Dan éénheid.
Maar de Heere heeft het anders gewild. Hij heeft dat alles toegelaten.
En in weerwil van ons aller zonde en dwaasheid heeft de Heere ons nog veel goeds geschonken.
Hij heeft onze Herv. Kerk nog bewaard tot op dezen oogenblik.
En al zijn er duizenden van ons heengegaan, duizenden zijn ons nog bewaard gebleven.
De Heere geeft ook goede dingen onder ons.
En Hij roept ons tot een grootsche taak. Dat wij onze roeping mochten verstaan. En dat Hij ons het goede nog moge doen zien in het midden van Kerk en School en Maatschappij, in weerwil van onze overtredingen.
„En Ik zal het huis van Juda versterken en het huis Jozefs zal Ik behouden; en Ik zal ze weder inzetten; want Ik heb Mij hunner ontfermd en zij zullen wezen alsof Ik ze niet verstoeten had; want Ik ben de HEERE hun God en Ik zal ze verhooren." (Zach. 10:6).
Barsten en breken.
Het is wel eens goed om menschen in hun eigen omgeving eens vry te hooren praten. Men hoort dan nog eens wat!
Zoo was er bij het vrijzinnig blad Nieuw Leven (die courant die met Rottum in connectie staat) een vraag ingekomen of, met het oog op de toenemende macht der orthodoxie in de Herv. Kerk, aan jonge menschen van vrijzinnigen huize wel is aan te raden, theologie te gaan studeeren.
En wat antwoordt de redactie dan? Men leze: .
„Als een jonge man uit onze kringen lust mocht hebben voor predikant te gaan studeeren, laat hij dan zonder vrees aan dien aandrang gehoor geven. Want dat in de komende jaren de Ned. Herv. Kerk voor vrijzinnige proponenten gesloten zal worden, is niet zeer waarschqnlijk, mag zelfs hoogst onwaarschijnlijk heeten. Er zijn namelijk onder gemeenteleden en predikanten heel wat menschen, die wel orthodox zijn (het althans willen heeten), maar die van het streven der Oonfessioneelen en Gereformeerden toch niets moeten hebben. Zij vinden veel, wat door Modernen gezegd wordt, wel eenigszins bedenkelijk, maar kunnen toch het godsdienstig leven, dat in deze kringen steeds meer opbloeit en zich verdiept, waardeeren, terwijl zij aan de andere zijde vuurbang zijn voor het dogmatisme, dat in streng orthodoxe kringen heerscht, en daar vaak de dood is van de ware religie. Men denke hier slechts aan het met een verscheurde ziel geschreven boek van dr. de Sopper „Zaligheid", waarin aan 't woord is een man, die orthodox wil zijn, maar die toch niet nalaten kan, gedurig fel op te komen tegen allerlei ontaardingen, die voorkomen in de kringen, waarin hij leeft. Bovendien zou men haast kunnen zeggen, dat de strenge Rechtzinnigheid als 't ware alle mogelijke moeite doet, om de ethische of mildere orthodoxen van zich te vervreemden, namelijk door hen met woord en daad achteruit te zetten, in hunne gemeenten te evangeliseerefi of hen uit de kerkelijke I besturen te verdrijven. Zoo zal deze laatste i soort Orthodoxen, die in breede kringen j onder ons volk worden gevonden, al I meer tot de Vrijzinnigen naderen en de I Vrijzinnigen tot hen. En samen zullen zij onze Kerk voor de verstarring in Confessioneele leerheiligheid bewaren. Vandaar dat wij ernstige jongelieden uit onze kringen willen aanraden predikant te worden."
Dr. Niemeger van Bolsward, redacteur van het Weekblad voor Vrijz. Herv. vindt dat antwoord mooi. En 'tis ook mooi. Eere wien eere toekomt. Vooral die passages over „het godsdienstig leven, dat in moderne kringen steeds meer opbloeit en zich verdiept" (ook het Kerkgaan? ); en dan die beschouwing over de verscheurde ziel van Dr. de Sopper, — wat is dat allemaal mooi!
Maar de redacteur van het Vrijz. Weekbl. vond het toch eigenlijk nog niet mooi genoeg en wil het nog mooier maken. En daarom neemt hij het antwoord van Nieuw Leven over en voegt er 't volgende nog aan toe:
„Wij zenden hieraan nog willen toevoegen, dat jonge menschen van vrijzinr nige huize, die predikant wenschen te worden, zich niet bezorgd behoeven te maken voor de toekomst, zelfs niet indien het minder onwaarschijnlijk was, dat door een gewijzigde proponentsformule de toegang tot de Kerk voor jonge vrij zinnige predikanten zou worden gesloten.
Mocht ooit zulk een proponentsformule worden ingevoerd, dan zouden immers alle vrijzinnigen in de Kerk zich genoodzaakt zien, dien toestand niet te aanvaarden, er zich niet bij neer te leggen, dat de vrijzinnigheid in de Kerk langzamerhand zou moeten uitteren door gebrek aan voedsel.
Zij zouden dan ongetwijfeld alles op haren en snaren zetten, en met beslistheid aansturen op barsten en breken.
En indien niet spoedig de toegang weer werd geopend, zou het hun stellig gelukken, de Kerk uiteen te doen vallen.
Natuurlijk zouden vrijzinnige predikanten en aanstaande predikanten dan wel een werkkring kunnen vinden."
Dat is toch eigenlijk nóg mooier dan de beschouwing van Nieuw Leven.
Er is altijd nog weer baas boven baas. Vooral die zin „de modernen zouden dan ongetwijfeld alles op haren en snaren zetten en met beslistheid aansturen op barsten en breken."
Dat klinkt zoo mooi: barsten en breken. Bepaald uit het woordenboek van een woesteling gehaald.
De Synode en de Utrechtsche professoren.
Geen wonder dat in de kerkelijke bladen een en ander staat over het antwoord van de Utrechtsche Oommissie aan de Synode, waarbij zij berichtte niet aan het verzoek van de Synode, in zake den Modus Vivendi, te kunnen voldoen.
We knippen een en ander uit. In de Nieuwe Nederl. Kerkbode schrijft Dr. van Dorp:
Over en weer.
't Gaat met den Modus Vivendi over en weer. De Synode heeft hem teruggezonden aan de commissie van professoren, deze deed hem nu weer aan de Synode toekomen.
De commissie handelt o. i. volkomen terecht. Zij heeft het ontwerp geleverd .dat van haar gevraagd werd. Toen de Synode dit aannam in beginsel had zij stuk voor stuk de artikelen moeten behandelen en zoo noodig amendeeren, om het voorstel daarna aan het oordeel der kerk te onderwerpen.
De veranderingen in de overige reglementen waren te omvattend, om ze tegelijk aan de orde te stellen 't Best ware geweest daarmee te wachten tot het oordeel der kerk over den Modus Vivendi was ingewonnen en daarna dit werk aan een commissie op te dragen.
Deze commissie zou zeker een heel werk gehad hebben.
Meende de Synode misschien, dat dit een ondoenlijk werk is, dat dus de M. V. niet in te vlechten is in het geheel onzer kerkelijke reglementen ? 'Dan had zij hem niet in beginsel moeten aannemen. Hem terug te zenden aan de commissie met het verzoek dat zij dit werk vooraf volbrengen zou, had veel van het terugkaatsen van een moeilijk aan te vatten bal, die de Synode thans weer terugkrijgt.
Wat nu? De bal is nu niet gemakkelijker geworden om te hanteeren. 't Komt ons voor, dat de Modus Vivendi er nu al zeer ongunstig voorstaat. Eén van de eischen voor het welslagen van een M. V. is, dat verreweg de meesten hetzij met blijdschap, hetzij met een zekere verluchting hem aanvaarden. Nu het gaat, zooals het gaat en er buiten commissie en Synode ook al bitter weinig animo voor blijkt te bestaan, zal opbergen het wijste zijn. De bal kon anders wel eens een bom worden.
In het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden schrijft Dr. Niemeyer o. a.:
Het komt ons voor, dat er zoowel iets te zeggen is voor de opvatting der Synode als voor die der Commissie.
Wij zullen echter het voor en tegen maar niet opzettelijk bespreken, omdat wij zulk een formeele kwestie van zeer ondergeschikt belang achten.
Wij vinden het alleen jammer, dat tengevolge daarvan de Synode en de Oommissie elkander niet goed hebben begrepen, en dat er nu een verwikkeling is ontstaan, die allicht het tot stand komen van den modus vivendi niet bevordert, en in elk geval wel zal leiden tot/vertraging.
Moge de Synodale Commissie, die, als de Synode niet vergadert, in haar naam de belangen der Kerk heeft te behartigen, en die gewoonlijk eens in het voorjaar en eens in het najaar samenkomt, maar bovendien zoo dikwijls kan samenkomen als haar moderamen noodig acht, den weg weten te vinden, die op de snelste wijze voert naar verwijdering van het gerezen misverstand en naar voortgang van den arbeid, die onze Kerk ten zegen moet worden.
In de Kerkelijke Courant schrijft de Evangelische Ds. Beversluis:
De uitwerking van het modus-vivendivoorstel in zulk een vorm, dat het aan de kerk kon worden voorgelegd ter beoordeeling, door de Synode aan de h.h. voorstellers, de Utrechtsche hoogleeraren, opgedragen, is door deze heeren .... gewezen van de hand. Zij verklaren, dat zij meenen hun plicht gedaan te hebben door het indienen en in bijzonderheden uitwerken van hun voorstel, en achten het niet op hun weg te liggen het werk te doen, dat de Synode had moeten doen, toen zij het beginsel van het voorstel aanvaardden. Zij geven den raad aan de Synode eene Commissie uit haar midden te benoemen, opdat die doe, wat door de Synode ^an de voorstellers opgedragen was, maar waarvoor zij bedanken.
Wat nu? vraagt men onwillekeurig. Zal de Synode, nadat hare zittingen gesloten zijn, noch eens bij uitzondering samenkomen, teneinde hetzij zelf het door de Utrechtsche hoogleeraren afgewezen werk ter hand te nemen, hetzij eene Commissie daartoe uit haar midden te benoemen? Of zal de zaak blijven rusten totdat in 1917 opnieuw de Synode samenkomt, en dan in die Synode de nadere uitwerking van het voorstel, 't zij door de Synode, 't zij door eene Commissie worden tot stand gebracht?
In elk geval geeft het te denken, dat de hoogleeraren geen lust gevoelden tijd en kracht te besteden aan de zeker niet gemakkelijke taak over het geheele gebied van onze reglementenverzameling na te gaan wat er alzoo ingevoerd of gewijzigd moet worden om de uitvoering van hun plan mogelijk te maken. Wel blijven zij bereid advies te geven aan eene eventueele commissie. Maar wie uit de leden der Synode, 't zij van dit, 't zij van het volgende jaar zullen zich in staat voelen, dat werk, door de voorstellers geweigerd, ter hand te nemen? Men moet zeer tehuis zijn in onze reglementen om het te kunnen doen. En wij vreezen, dat het blijken zal, dat de invoering van die schijnbaar zoo onschuldige „gemeentekerken" als een splijtzwam werken zal, en onze geheele organisatie zal verwarren en veranderen. Want het betreft hier niet slechts een ondergeschikte zaak, die gemakkelijk ingelascht worden kan, maar het inbrengen van geheel nieuwe beginselen in onze kerkordening. Wat het hoofddenkbeeld betreft, de erkenning der verschillende richtingen in hun bestaan en hun recht, hoezeer ook uit vrijzinnig standpunt toe te juichen en, van rechtzinnig te standpunt te veroordeelen, brengt iets in de reglementen in, dat er tot dusverre niet in gevonden werd: de ofiicieele erkenning van het feit, dat de eene kerk allerlei, geheel heterogene elementen bevat, met geheel uiteenloopende beginselen. En verder moet het stichten van die „gemeentekerken" als vanzelf een diepgaande wijziging meebrengen in schier alle regie-1 menten, terwijl de regeling van de ver-j houding dier „gemeentekerken" tot de kerk in het algemeen en tot de plaatselijke gemeenten in het bijzonder ook al niet gemakkelijk moet zijn. Wij voor ons twijfelen er zeer aan, of het heele voorstel uitvoerbaar is binnen de grenzen van onze bestaande organisatie en zijn benieuwd naar den loop dezer zaak, en naar de personen door wie en de wijze waarop door hen het voorstel reglementair uitgewerkt worden zal.
In het Hervormd Zondagsblad schrijft Ds. H. van Eijck van Heslinga te Berlikum:
Retour afzender.
Men kan niet zeggen, dat de modus vivendi, door de Utrechtsche hoogleeraren van stapel gelaten, heel voorspoedig is in zijn aanvankelijken loop.
Wel rees er uit de menigte aan den wal, bij het te water laten, hier endaar een vreugdegeroep, maar de critiek deed zich minstens even luide hooren.
De bestellers, i. c. de Synode, schudden bedenkelijk het hoofd en besloten noode het bouwsel niet af te keuren, maar de bouwmeesters te verzoeken eerst eens voor de tuigage te zorgen, om dan de zeewaardigheid te beoordeelen en daarna over de aanvaarding van het geleverde werk te besluiten.
' En nu blijkt dat er weer een nieuwe kink in den kabel gekomen is.
De Utrechtsche bouwmeesters hebben in het aanslaan der zeilen niet veel zin.
Zij meenen, dat dit niet onder de leverantievoorwaarden begrepen was.
Zelfs noemen zij het besluit, dat hun deze nieuwe opdracht geeft, allerzonderlingst.
Want romp en kiel keurde men goed en nu had de Synode de plaatsing en hoogte der masten moeten onderzoeken en als zij die aanvaardde, moest zij zelve voor de tuigage zorgen.
In de plaats daarvan liet men het geleverde bovendeks onbesproken en vraagt vóór de finale aanneming, de bijlevering van het want, met alles, wat daarbij behoort.
Dat achten de bouwmeesters geen goeden gang van zaken en bovendien hun werk niet.
De Synode moet dat zelf doen en heeft zij daarbij advies noodig dan zijn de Utrechtsche hoogleeraren bereid met raad en daad te helpen.
Dit is, in het kort, het antwoord dat de Synode van de ontwerpers van den modus ontving.
Zeer bemoedigend is het niet
Bepaald animeerend ook niet.
Zal de Synode nu zelf de handen aan, et werk slaan ?
Zal zij de rapporteerende commissie en arbeid opdragen ?
Of zal zij een nieuwe commissie ad hoc in het leven roepen ?
Of zal zij wachten tot het volgende jaar en dan, alvorens een dergelijke maatregel te nemen, vooraf nog eens bij stemming uitmaken of men het beginsel van den. modus nog aanvaardt ?
Wij wachten den loop der zaken met elangstelling af.
Alleen voor alle werk is het van belang, dat het con amore wordt verricht.
Dit geldt vooral voor werk, waarbij de uiterste nauwkeurigheid van belang is, zooals het optuigen van een schip.
Wordt dat niet goed gedaan, dan is straks de reis niet zonder gevaar.
En wie ook de taak aanvaardt — na deze voorbereiding is het aantrekkelijke er reeds meer dan af.
En onwillekeurig zal het gebeurde den tegenzin hebben vermeerderd om zich, als het ooit gevraagd wordt, aan boord te begeven.
En ten slotte lezen we in de Geref. Kerk van de hand van Dr. H. Schokking te 's Gravenhage:
Wat te verwachten was.
De Utrechtsche hoogleeraren, die den modus vivendi ontworpen hebben, hadden van de Synode het verzoek gekregen om dit ontwerp uit te werken in een stel reglement-artikelen, welke dan aan de kerk konden worden voorgelegd.
Het antwoord uit de grijze bisschopsstad is in de hofstad aangekomen, en komt hierop neer, dat zij er voor bedanken.
De woorden zijn wat hoffelijker, zooals men in het stuk zelfin dit nr. lezen kan; de pil wordt verguld door een aanbod om de synodale commissie hulp aan te bieden;
maar de hooggeleerde heeren geven den hoogeerwaarden toch vrij duidelijk hun verbazing te kennen, dat de synode zoo iets van hen komt vragen.
Wat toch zoo vreemd niet was. Vooral niet, bij een synode die wel volledig uitgewerkte voorstellen van reglementswijziging heeft afgewezen, omdat het nóg niet volledig genoeg scheen.
Maar — wat de professoren antwoorden, is ook niet zoo onbegrijpelijk.
Het is geen kleine taak.
Wij spraken reeds meer dan eens uit, dat de practijk hier moeilijkheden brengen zal, welke het ontwerp voorbij ziet; en die practische bezwaren gaan zich vertoonen, wanneer eens precies moet worden vastgesteld hoe het plan moet worden uitgevoerd. \
Maar wij willen thans over dit onderdeel van het beloop dezer zaak niets meer zeggen.
Een beetje benieuwd zijn we wel, wat de synode nu doen wil.
Maar mij dunkt, de aardigheid is er nu voor iedereen, die er nog mee ingenomen was, wel zoowat af. Héél, heel voorzichtig hebben de ontwerpers den modus vivendi verborgen gehouden, en als een groote verrassing op de synodale tafel gebracht.
Niemand mocht er iets vanweten; uit vrees zeker, dat er voorbarig 'en onvoorzichtig mede gehandeld werd.
De synode vond hetresultaatmaarzoo zoo; het ontwerp werd lang niet door iedereen vriendelijk aangezien; of de heeren het nog wat fatsoeneeren wilden? "
Maar deze zeggen: „geen kwestie van, dat is uw zaak."
Als wij het ontwerp een oogenblik bij een ei vergelijken mogen en de synode met het verzoek van 1915 den haan noemen, dan wordt de professorale commissie de kip, en nu wordt het arme kuikentje heen en weer gestuurd — arm beest: het zal wel verfonfaaid, geplukt, kaal en half dood wezen eer het in de kerkelijke vergadering komt.
Als het heele kuiken maar geen canard blijkt.
's Gr. H. S.
Ziehier enkele Pers-stemmen van den kant van de modernen, de evangelischen, de ethischen en de confessioneelen.
Van de hand van Ds. Knap in Oude Paden lazen we ditmaal niets.
De Modernen beschuldigd.
In het eerste No. van de Kerkelijke Courant — welk Weekblad in z'n 70sten _ aargang is en nu staat te verdwijnen — xomt een lang artikel voor, dat historische beteekenis heeft en ons laat zien hoe men in 1846 bij het beroep van Ds.
Rutgers van der LoefF de modernen beschuldigde van onzuiverheid in de leer, om ons ook te zeggen hoe toen door de Kerkelijke Besturen dergelijke aanklagers werden beantwoord.
We knippen het volgende stukje over bedoelde zaak, zooals het ons in een van de laatste nummers van de Kerkel. Courant werd meegedeeld.
We lezen daar dan:
In het eerste nummer komt reeds een lang artikel voor, dat historische beteekenis heeft. Het vertelt van den „Tegenstand tegen de beroeping te Leyden van Ds. Eutgers van der Loeff, thans Predikant te Zutphen", en bevat o.a. het oflBcieele stuk van het Klassikaal Bestuur van Leyden deze zaak betreffende. Het Bestuur stelde de tegenstand biedende leden der gemeente Leyden in het ongelijk, en verklaarde zich bereid „de door den Eerw. Breeden Kerkeraad van Leyden op den predikant A. R. v. d. L. uitgebragte beroeping Kerkelijk goed te keuren". De klagers hadden als bezwaren tegen den beroepene ingebracht: zijne gevoelens over:1. den Heiligen Geest, 2. den persoon van den Heer Jezus Christus, 3. de kracht van Zijn lijden en sterven", nader toegelicht als bevattende de ontkenning: o. van de persoonlijkheid des Geestes, 20. van het 2de persoon der Drieëenheid zijn van Jezus Christus, 3". van de leer der voldoening aan Gods strafeischende gerechtigheid door het sterven van Christus. Het Klass. Bestuur was van oordeel, dat de Adressanten „betreurenswaardige blijken van partijdigheid en sektengeest, van onbekendheid met de regelen der uitlegkunde en de daaruit voortvloeiende onbevangen opvatting van den inhoud en den geest der Evangelieleer, van onbekendheid ook van den inhoud en den geest van de leer onzer Nederl. Hervormde Kerk, zelfs zooals die vervat en omschreven is in de formulieren of belijdenisschriften, om niet te spreken van het geheel uit het oog verliezen der betrekking, in welke de Nederl. Herv. Kerk zich tot hare formulieren geplaatst heeft".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's