De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

9 minuten leestijd

Art. i6. Wij gelooven dat 't geheele geslacht Adams, door de zonde der eerste mensehen in verderfenisse en ondergang zijnde, God zichzelven zoodanig bewezen heeft als Hij is, te weten: barmhartig en rechtvaardig.

LXIII.

De mensch is diep gevallen en ligt door zijn erf-en dadelijke zonden verloren en afgesneden van God. Het is dus noodig dat hij uit zijn diepen val woer zal opgericht worden. De nood? akcUjkheid der verlossing wordt danooksciiier algemeen erkend. Dat de mensch met zijn God weer vereenigd moet worden is een gedachte die zelfs in de eigenwillige godsdiensten niet ontbreekt.

Maar nu ligt daar tusschen de ; ; elf uitgedachte godsdiensten der volken en den godsdienst die op de bijzondere Godsopenbaring berust het diepgaand verschil, of dat werk der verlossing in den diepsten grond opkomt uit den mensch dan wel of het een werk is waarvan God niet alleen het middelpunt is. en het einddoel zal wezen, maar ook het begin is geweest. Heeft de mensch God gezocht of heeft omgekeerd God den gevallen mensch weer gezocht? Die vraag heeft alle valsche godsdienst steeds beantwoord met allen nadruk op het werk des meuschen te leggen; terwijl daarentegen het Woord, waarin de Heere zichzelf geopenbaard heeft, ons zoo duidelijk leert dat alle werk van den mensch wegvalt en dat het God zelf is die niet alleen den rnensch op den weg der verlossing leidt, maar die dien weg ook heeft gebaand, ja die in de allereerste plaats dien wèg der verlossing in zichzelven heeft uitgedacht en bepaald. En van al de belijdenissen aan het Woord des Heeren ontleend is het met name de eere van onze Gereformeerde Confessie, dat zij op Gods absolute Souvereiniteit ook in het stuk der verlossing het volle licht laat vallen.

Inzonderheid blijkt dit uit den inhoud van artikel 16, waar gehandeld wordt over het gewichtige stuk van Gods eeuwige verkiezinge. Dit stuk is niet voor niet wel eens het hart der Belijdenis, ook wel het hart van de Kerk genoemd. Immers uit het hart zijn de uitgangen des levens. Met ons hart staat het gansche organisme van ons lichaam in het allernauwste verband. Ieder weet dat met het stilstaan van het hart alle leven uit ons geweken is en wij een wisse prooi zijn van den dood. En zoo nu is het in geestelijken zin ook met de uitverkiezing in betrekking tot het leven van Gods Kerk ^Vanneer gij — gesteld dat het mogelijk ware — de uitverkiezing uit het leven van de Kerke Gods kondt wegnemen, dan badt gij haar van haar hart, dus van haar leven zelve beroofd.

Nu dient echter met het hart van den mensch zeer omzichtig gehandeld te worden. Juist omdat het hart het voornaamste orgaan is voor het menschelijk lichaam, waar alle andere organen mee in verband staan, is er o zooveel aan gelegen dat het hart gezond is en vandaar dat in de medische wetenschap van het menschelijk hart dan ook zeer ernstige studie gemriakt dient te worden. Zoo nu is het ook met de uitverkiezing als. met het hart van Gods Kerk. Er zijn wel eens menschen die meenen dat het met het geloof in de uitverkiezing zoo nauw niet behoeft genomen te worden. Of ge al of niet gelooft dat er een uitverkiezing bestaat is een zaak waar het, naar hun-meening, zoo nauw niet op aankomt. In ieder geval, zeggen zij, mag toch die uitverkie.: ing niet op den voorgrond gesteld.

Nu zijn we het met dat niet op den

voorgrond stellen in zooverre eens dat het in de geestelijke ervaring van een kind des Heeren nooit met de uitverkiezing begint en dat voor het zoekend oog van een ontdekt zondaar de uitverkiezing niet _het begin, maar wel het eindpunt van de lijn der genade is. Doch als dat niet op den voorgrond mogen stellen van de uitverkiezing beteekent dat gij er liefst zoo weinig mogelijk over spreken en ook zoo weinig mogelijk aan denken moogt, ja dat gij in de practijk van het leven zoudt moeten doen, alsof er geen uitverkiezing bestaat, dan zijn wij het met deze beschouwing niet eens. Immers o'> dezelfde wijze zoudt ge kunnen zeggen dat het er zoo nauw niet op aankomt of een mensch al of niet een hart bezit. Gij gevoelt hoe dwaas een dergelijke uitdrukking zou zijn en gij zoudt natuurlijk aanstonds weigeren uw krank lichaam toe te vertrouwen aan een arts die vooruit verklaard had dat hij zich om het hart van den mensch niet bekommerde, althans dat hij met de functies van dat hart heelemaal geen rekening hield. Gij zoudt dadelijk zeggen: zulk een medicus kan de mijne niet zijn. Maar zoo is het nu ook met alle geestelijke artsen die zich niet bekommeren om het hart van Gods Kerk. Juist doordat zij met dat hart geen rekening houden is hun gansche beschouwing van de Kerk des Heeren als van het lichaam van Christus op verkeerde gegevens gebouwd. En daarom moet met de leer der uitverkiezing ook in de theologische wetenschap wel terdege gerekend worden en moet het dieplood onzer onderzoekingen zoo diep mogelijk op de fundeering van het vast gebouw van Gods gunstbewijzen worden neergelaten.

Ja, wie over de uitverkiezing spreekt, raakt daarmee aan de diepste grondslagen van het geducht paleis dat God zich tot Zijn eigen verheerlijking gebouwd heeft. Vandaar dat bij de bespreking van het stuk der verkiezing één ding nooit uit het oog verloren mag worden en dat is dit, dat we hier te doen hebben met een dier ondoorgrondelijke mysteriën die door ons eindig en nietig menschenverstand nooit bevat noch verklaard kunnen worden.

Dat is ook weer net als in het natuurlijk leven. Al weten we dat ieder mensch een har-, heeft en dat het dwaasheid is dat te ontkennen of ook zich daarover niet te bekommeren, toch kunnen de bewegingen, de verschillende functies van dat hart door ons niet begrepen noch verklaard worden. Al weten we dat ieder goed gebouwd huis een fundament heeft, toch kunnen we, als wij bij het leggen van zoo'n fundament niet tegenwoordig waren, niet zeggen hoe dat voor ons onzichtbare fundament in elkaar is gezet. Dat zouden we alléén dan kunnen als we het bestek precies voor ons hadden.

En zoo is het nu ook met het fundament van de zaligheid, m a. w. met de uitverkiezing. Als wij het bestek daarvan maar uitgewerkt voor ons hadden, dan zouden ook de kleinste bijzonderheden van dit fundament door ons verklaard kunnen worden. Maar nu de Heere dat bestek voor ons verborgen hield, aan geen Zijner schepselen daarvan ooit inzage gaf, nu zal daar van een doorzien en dus ook van een verklarend uiteen-. zetten van het stuk der verkiezing nooit sprake kunnen zijn.

Daarom moet door ons bij de overdenking van het heilig mysterie der verkiezing, ook steeds gedacht worden aan het woord des apostels: o diepte des rijkdom s, beide der wijsheid en der kennisse Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk zijn Zijne wegen.

Neen, met begrijpen zal 't inzonderheid bij de overdenking van de leer der uitverkiezing niet gaan. Als . we nu maar niet vervallen tot de dwaze gevolgtrekking die uit dat niet-begrijpen dan niet zelden afgeleid wordt, ni. dat wat we niet begrijpen door ons ook verworpen wordt, dat we althans weigeren om het dan te aanvaarden.

Immers de waarheid van het bestaan der uitverkiezing kan door niemand, die met Gods Woord rekent, betwijfeld worden. Daar is nl. in de Heilige Schrift meermalen sprake van een raad die aan alle dingen voorafgaat (Jes. 46 : 10), van een raad des willens waarnaar de Heere alle dingen werkt (Ef. 1:11). In dien raad heeft de Heere alle dingen bepaald. Zonder dien raad valt er dan ook geen muschje ter aarde (Matth. 10 : 29) en geen haar van ons hoofd (Luk. 21:18). Wanneer de Heere nu in dien raad, die niet alleen een raad was van Gods verstand, maar, wat daarvan niet gescheiden kan worden, ook een raad van Zijnen almachtigen wil en die daarom is een onverbreekbare en onveranderlijke raad (Jes. 14 : 27, Hebr. 6:17), alle dingen heeft opgenomen, dan gevoelt ge immers wel hoe de eeuwige staat van Gods redelijke schepselen daar niet buiten gevallen kan zijn. Als de Heere een bepaling gemaakt heeft over ieder hoofdhaar dat gij bezit, dan spreekt het immers vanzelf dat Hij ook een bepaling maakte of gij eeuwig zalig zoudt worden dan wel eeuwig rampzalig zoudt zijn. Dat de raad des Heeren dan ook menigmaal beteekent de raad Gods tot zaligheid van Zijn volk blijkt wel uit Luk. 7:30, waar staat dat de Farizeën en wetgeleerden den raad Gods tegen zich zelve verworpen hebben, en uit Hand. 20 : 27, waar de apostel Paulus zegt tot de ouderlingen van Efeze dat hij niets heeft achtergehouden dat hij hun niet verkondigd zou hebben den vollen raad Gods. Daarbij komt dat ook op andere plaatsen waar gesproken wordt over Gods welbehagen, met dat welbehagen duidelijk gedoeld wordt op het eeuwig voornemen dat God in zichzelven had en dat Hij in de roeping, in de rechtvaardigmaking, in de heiligmaking' en in de heerlijkmaking van Zijn volk realiseert Zoo lezen we in Matth. 11:26: ja Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U", en in Efeze 1:5 wordt het met zoovele woorden gesegd dat Hij „ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in zichzelven, naar het welbehagen van Zijnen wil." Bovendien wordt in Mare. 13:20, Luc. 10 : 20, Joh. 17 : 9, Rom, 8 : 29, 2 Thess. 2:13, zoo duidelijk over het uitverkoren zijn, over het geschreven zijn van narnen in de hemelen, over het gegeven zijn van den Vader, over het verordineerd zijn, gesproken dat er geen twijfel overblijft of de verkiezing Gods loopt als een gouden draad door de gansche Heilige Schrift. Overal toch komt het zoo duidelijk uit dat er eenerzij ds vaten der barmhartigheid zijn die God tevoren bereid heeft tot Zijne heerlijkheid, maar dat er anderzijds ook zijn vaten des toorns die tot het verderf zijn toebereid, zoodat het overal waar is wat ons in Hand. 13:48 van Antiochië beschreven staat: en daar geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven."

Wanneer wij dan ook al de gegevens samenvatten die ons wat dit stuk betreft in de H. Schrift gegeven zgn, dan blijkt dat daar in God een eeuwig voornemen was om een volk te formeeren dat den heelde Zijns Zoons gelijkvormig zou zijn, dat dit volk zou bestaan uit zulke personen die in zichzelf niets bezaten dat den Heere welbehagelijk was, dat de Heere echter in dit raadsplan ook den Middelaar aanwees die dat onreine volk door lijden heiligen zou, en dat de Geest des Heeren het door Christus verworven heil aan de harten van allen, die daartoe verordineerd waren, toepassen en verzegelen zou. De liefde des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des Geestes zijn voor Gods volk dus in den eeuwigen en onbegrepen raad des Heeren gegrond.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's