Uit het kerkelijk leven.
Kerk en Kerkgenootsehap.
Wie de geschriften van Groen van Prinsterer kent door lezing en bestudeering weet, dat deze christen-staatsman, die zich zoo bizonder interesseerde voor het kerkelijk vraagstuk, gewoon was om, ten opzichte van de Ned. Herv. Kerk, te spreken van Kerk en Kerkgenootschap. En wel om dan onderscheid te maken tusschen hetgeen de Ned. Herv. Kerk van ouds was en ook in zijne dagen behoorde te zijn èn hetgeen in 1816 helaas I door de vriendelijke hand van Koning Willem I aan de Herv. Kerk was opgelegd.
Wij zullen goed doen, vooral degenen die zeggen in den weg van Groen van Prinsterer te willen wandelen, om dit stteeds te bedenken.
Hier vooral mogen we maar niet over de dingen heenloopen.
Daarom herinneren we nog eens aan 't geen Groen b.v. 1868 schreef:
«Vermaning tot behoedzaamheid is zeer behartigenswaardig. Ook in het genootschap, hoe diep gezonken en ontaard, leeft de Hervormde Kerk nog. Met moed en beleid gevoerd, kan de strijd waarin we thans geraakt zijn, leiden tot eene sedert lang gewenschte hereeniging met de Afgescheiden gemeenten op historischen grondslag.
Flauwhartigheid of overmoed daarentegen loopt op nieuwe verbrokkeling en op triumf der vijanden uit."
Toen Groen dat schreef (jfiTerA^'emeenielijk Overleg IV blz. 46) verklaarde hij zich zoo goed te kunnen vereenigen met hetgeen de Kerkeraad te Utrecht verklaard had aan het Classicaal Bestuur. N.l. dit:
»De Kerkeraad waardeerende den ernstigen raad hem door het Classicaal Bestuur gegeven, om door zijn stappen de rust van ons Kerkgenootschap niet in gevaar te brengen, meent hierop te moeten antwoorden: dat hier alles afhangt van de vraag, of men tot eiken prijs httgenootschap wil handhaven, al ging daarbij de Kerk te loor — ofwel, dat men vóór alles de Kerk wil redden, ook al kon de rust van het genootschap daarbij niet ongedeerd blijven, — en dat de kerkeraad voor zich alleen de laatste gedragslijn met den eisch van plicht en geweten overeenkomstig acht.
U toebiddende, dat het Uwe Vergadering moge gegeven worden helder te doorzien, wat God in deze van U eischt, ter redding niet alleen van ons genootschap, maar allereerst van de Kerk van onzen Heere Jezus Christus, die de Kerk onzer vaderen is.«
En als Groen daarover schrijft, wijst hij op art. 11 Algem. Reglement, waarvan hij dan zegt:
»Het zij mfl geoorloofd de aandacht te bepalen bij hetgeen men tot dusver, naar mij voorkomt, voorbijziet of althans te weinig in het oog houdt, n.l. dat men tegenover de Synode met de belijdenis niet alleen maar evenzeer (dat bij onze Kerkoverheerschers vrij wat meer beteekent) op het reglementair terrein sterk is.
Art. II van het Algem. Reglement, (dit zal, naar ik vertrouw, zelfs de Synode niet ontkennen) is óok een deel van het reglement. Dit artikel is nog iets méér.
Het is het levensbeginsel van Kerk en genootschap. Het is het primum verum van onze kerkelijke grondwet. De handhaving van dit artikel is de conditie sine qua non van elk kerkrechtelijk gezag.«
Op artikel XI Algem. Reglement moet dus gelet worden. En Groen wijst er op, dat de Synode zelf er niet op gelet heeft.
Maar hij roept de Gemeente van Christus op om de Synode dan duidelijk te maken, dat de ziel van het Reglement is: handhaving van de leer der Kerk, 't welk het hoofddoel moet zijn van alle Besturen.
Onderwerping aan een bevel, zelfs der hoogste kerkelyke macht, dat met „deze hoogste kerkelijke wet in strijd is, is „ook naar regl& mentairen maatstaf niet anders dan als medeplichtigheid aan een wandaad te beschouwen.
Groen verblijdt zich dan over het ont-j waken in de Gemeente om op te komen' voor de leer der Kerk en zegt dan:
»Met de overige Kerkbesturen heeft de Synode telkens, wanneer men tegen deze verkrachting van het reglement — handhaving van de leer der kerk opkwam, den weerstand der gemeente onder het loden juk van haar oligarchische oppermacht gesmoord, - Zoo was het tot dus ver.
Nu de Synode, door het ontwaken van een deel der gemeente, in verlegenheid geraakt, ' staan wij aan het begin eener nieuwe phase: van het onrecht."
In dat verband vermaant Groen van Prinsterer de dingen wel te blijven onderscheiden en voorzichtiglijk te handelen. Afscheiding veroordeelt hij, ook het aansturen op conflicten en waarschuwt den ' reglementairen weg te blijven volgen. Hierbij haalt hij dan aan wat hij gelezen had in de Stemmen van waarheid en vrede van October..
Hij zegt: daarom is het alleszins juist wat men daar leest:
Wij bidden, laat ons toezien, dat wij lucht gevende aan de smart die wij lijden, geen revolutie uitlokken, geen vat geven op ons aan de kerkelijke machten. De moderne partij wil ons, op dit oogenblik, wel gaarne de reglementen zien overtreden. Nog heeft zij demacht in handen en niets zou haar aangetiamer zijn dan een unaniem uittreden der rechlzinnigen uit de Kerk. Dan hebben ze gewonnen spel.
Laat ons dus voorzichtig zijn en bovenal laat ons elkander recht verstaan.*
Groen van Prinsterer schrijft dan voorts zelf:
„De onaandoenlijkheid waarin grootendeels, zelfs nu nog, de gemeente verkeert, geeft misschien aan de Synode, zoo men met onstuimigheid te werk gaat, tot een overmaat van onrecht vrij spel. Maar, wanneer men, zooveel doenlijk, den reglementairen weg volgt; wanneer er tijd is om de sluimerziekeu wakker te schudden, om de onkundigen te onderrichten, om het gewicht eener krisis waarmee het Kerkgenootschap, als christelijk genootschap althans, staat of valt, te doen beseffen, dan is er geenerlei reden voor traagheid of vertsaagdheid om zich te verschuilen achter de voorgewende onmogelijkheid eener zegenrijke uitkomst."
Wij meenden deze Groeniaansche koek in Bondspapier verpakt weer eens op tafel te moeten brengen, misschien dat er nog smakelijk van gegeten zal worden door hen die het om het herstel van onze aloude Gereformeerde Kerk te doen is; een Kerk, waarin dus plaats zal zijn voor allen die op de basis onzer Geref. beginselen staan.
Zijn de modernen gelegitimeerd ?
Als hoofdbezwaar tegen den Modusvivendi woidt ingebracht, dat de modernen er door gelegitimeerd zouden worden.
O. i. terecht. Nu worden ze geduld in de Kerk. Maar in strijd met het billijkst recht. Want gelegitimeerd is alles wat met de reglementen onzer Kerk overeenkomt.
En dat is met de moderne theologie niet het geval.
Die is niet beantwoordend aan de eischen van de reglementen, die vorderen dat in de Herv. Kerk niet anders dan naar den geest en de hoofdzaak van de Herv. leer gesproken en gehandeld wordt, in gehoorzaamheid aan Gods Heilig Woord en dus met handhaving van de belijdenis.
En dus wordt nu de moderne theologie wel gevonden en ook geduld in het midden van de Herv. Kerk, helaas !
Maar gelegitimeerd is niet — kan nooit zijn — wat in feilen strijd is met de reglementen van de Kerk, die eischen j de verkondiging van het Evangelie van! Jezus Christus, in gebondenheid aan Gods Heilig Woord en met opvolging van de verordeningen, die voorschrijven dat de leer der Herv. Kerk in alles zal geëerbiedigd, beleden en gehandhaafd worden.
Men moet dus niet zeggen: gelegitimeerd is alles wat met het reglement i overeen komt en dus zijn de modernen ook gelegitimeerd.
Want dan zit er een grove fout in onze conclusie.
De conclusie moet zijn: dws zijn de modernen niet gelegitimeerd.
Wij zijn dan wèl gelegitimeerd?
Wie zyn dan wel gelegitimeerd ? De modernen niet.
Heel hun theologie gaat tegen de leer, en de belijdenis onzer Hervormde Kerk in. \ Maar wie zijn dan wèl gelegitimeerd? Wel: gelegitimeerd is alles wat met het reglement overeenkomt.
Gedurende de laatste honderd jaren hebben dus allen rechten in de Herv. Kerk, die zich, gebonden aan Gods Heilig Woord, in waarheid en oprechtheid kunnen vinden in de belijdenis der Kerk — niet wat de woorden dier 300 jaren oud zijnde confessie betreft, maar eerlgk en oprecht zich voegend naar de lijnen en de beginselen daar getrokken en daarin vertolkt.
Waar eeuwen nu de belijdenisschriften niet herzien zijn en geen kerkelijke vergaderingen nu zelfs meer bestaan waar over de beginselen gesproken kan en mag worden, daar hebben we voorzichtiglijk te handelen en niet in het midden van allen op te staan en te zeggen: ik alleen ben gereformeerd en alle andere moeten de kerk uit.
Neen, we hebben ons voorzichtiglijk aan te stellen onder de huidige omstandigheden waar er zooveel vragen zijn, die niet eens kerkelijk besproken kunnen worden. Maar we hebben ons kloek en gerlijk en onbevangen te stellen tegenover ^e belijdenisschriften onzer Herv. Kerk en te grijpen naar de begmselen daarm vertolkt en die beginselen vast te houden zeggende: allen die eerlijk in hoofdzaak met die beginselen overeenstemmen, met die groote en heilige beginselen, die we in Gods Woord terug vinden, die behooren thuis in de Ned. Herv. Kerk.
Dat kan ons aan de eene kant voor een hoogmoedig, dor, koud farizeïsme bewaren en aan den anderen kant ons kloek doen staan tot verdediging van de waarheid, naar Gods Woord, waarbij het hoonen van Christus niet geduld wordt.
Wie behooren tot de Ned. Herv. Kerk?
Als wij willen weten, wie tot de Ned. Herv. Kerk behooren of kunnen behooren, dan slaan wij art. 2 van het Algemeen Synodaal Reglement op. Dat kan het ons leeren. Tot elke bijzondere gemeente behooren Ie die op belijdenis des geloofs tot lidmaten" zijn aangenomen; 2e die vooralsnog alleen door den doop in hare gemeenschap zijn ingelijfd. En art. 3 verklaart: „deze allen blijven tot de Ned. Herv. Kerk behooren, zoolang zij niet door woord en daad ten duidelijkste toonen zich van haar af te scheiden of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard."
Wanneer iemand dus conform de reglementen belijdenis des geloofs heeft afgelegd en alle bepalingen der reglementen verder opvolgt, is hij of zij wettig lidmaat der Herv. Kerk. Dat brengt dus b.v. de modernen in een moeilijke positie.
Want die voelen zich in hun geweten bezwaard om de leer der Herv. Kerk, vervat in hare belijdenisschriften, in geest en wezen te aanvaarden, te onderschrijven en mee te helpen handhaven.
Zij staan lijnrecht tegenover Gods Heilig Woord. Tegenover den persoon van Christus. Tegenover het werk der verzoening. Tegenover ja, tegenover alles wat van ouds als fundamenteele Christelijke geloofsstukken zijn geweest. \
De modernen zeggen dan ook wel, dat zij in geest en hoofdzaak overeenstemmen met de leer der Kerk, dat zij het evangelie van Christus zullen verkondigen, dat zij zich zullen houden aan Gods Heilig Woord, dat zij de leer der Kerk zullen handhaven — maar zij meenen er niets van. Zij doen het ook niet. Zij dringen zich, tegen beter weten in, in een omgeving in, waar alles getuigt, dat zij er niet thuis hooren.
De Bijbel op eiken kansel getuigt dat. De formulieren van Doop en Avondmaal.
De formulieren tot dienaren des Woords, diakenen. bevestiging van ouderlingen en
De Catechismus.
De Psalmen.
Zelfs de Gezangen.
Dat alles is in geest en hoofdzaak, in hoofdtoon en hoofdstrekking anti-modern,
Menschen die ontkennen dat Christus is opgewekt uit den dood e en ons willen maken tot de ellendigste van alle menschen, hooren in onze Herv. Kerk niet.
Ze hebben geen recht er in te komen, noch er in te blijven.
En bij elke wijziging, schikking of regeling hebben zij geen enkel recht, daar zij alleen rechten hebben in de Herv. Kerk, die in Oprechtheid belijdenis des geloofs afleggen, in aard, wezen, karakter en hoofdzaak overeenstemmend met de belijdenis der Kerk, benevens hunne kinderen.
Dat is de nuchtere feitelijke toestand.
Dat is klaar als de dag.
Het reglement kent alleen maar menschen die aan de reglementaire bepalingen voldoen, en veroordeelt ieder die in de Kerk met ons Kerkgeloof, met onze hoop, met onzen steun, met onzen troost, met onzen Heiland, met onzen barmhartigen Hoogepriester, met het anker onzer ziele durft te spotten.
^ie mogen zich, gebruik makende van de ongelukkige toestanden, tijdelijk weten te handhaven. Maar ze zijn er in strijd met de reglementen ingekomen en hebben nooit het recht om eenige aanspraak te maken, dat met hunne anti-Hervormde, anti-christelijke gevoelens zal rekening gehouden worden.
Wat beloven de predikanten?
Wanneer iemand in de Ned. Herv. Kerk staat naar het predikambt, wordt hij geëxamineerd en na een welgeslaagd examen, dat hij alleen als lidmaat der Ned. Herv. Kerk doen kan, belooft hij in de Ned. Herv. Kerk — niet in de Roomsche Kerk of in de Remonstrantsche Kerk, maar in de Ned. Herv. Kerk — dat hij overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Ned. Herv. Kerk ier te lande het Evangelie van Jezus Christus zal verkondigen, met opvolging an hare verordeningen.
En wanneer zoo iemand, beroepbaar ijnde, zich aan de Gemeente verbindt, onderschrijft hij met zijn hand, dat hij zich in leer en leven zal richten naar Gods HeiUg Woord, met opvolging van de verordeningen der Herv. Kerk.
Ieder predikant in de Herv. Kerk heeft dus plechtig beloofd, dat hij eerlijk zal staan, om overeenkomstig de beginselen en het karakter der Herv. Kerk het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus zal verkondigen, zich daarbij gebonden wetend aan Gods Heilig Woord en gehoorzaam zijnde aan de verordeningen der Kerk, die van den predikant o. a. eischen, dat de leer der Kerk zal gehandhaafd worden; waartoe hij zich voor zich zelf verbindt, ©ok gebonden zijnde nu toe te zien, dat anderen die leer niet loochenen of schenden
Nu is het niet onduidelijk, dat niemand die in de moderne theologie z'n beginselen vindt, met een eerlijke conscientie predikant kan worden in de Herv. Kerk, als hij ook maar eenigszins beseft wat hij doet.
En degenen, die in oprechtheid in de leer der Kerk hun beginsel vinden vertolkt, hebben er naar te staan, die heilige beginselen, in gehoorzaamheid aan Gods Heilig Woord, meer en meer in toepassing te brengen.
De modernen moesten eerlijk zijn om te erkennen: we hooren in de Herv. Kerk niet thuis.
Degenen die de belijdenis liefhebben moeten zich niet uit het veld laten slaan door allerlei redeneeriugen, maar gevoelen, dat zij in de Her-? . Kerk op hun plaats zijn, na een eeuw van verval gevoelende dat hier een zware, maar schoone taak hun wacht, om de belijdenis onzer Vaderen meer en meer tot eere te brengen.
Schrift en Belijdenis
De Gereformeerde Kerk moet als Christelijke Kerk niet alleen het Woord Gods hebben, maar óok haar eigen Belijdenis.
Dat hoort tot haar wezen als Kerk, dat ze niet slechts de Heilige Schrift opheft als uitdrukking van haar geloof, maar dat ze dit geloof ook uitspreekt in haar eigen Belijdenis.
Beide, de Schrift en de Belijdenis, zijn noodzakelijk één met het geloof en daarom zijn ze één met de vergadering der geloovigen.
Het geloof is uit het gehoor van het Woord Gods en het geloof is, omdat het geloof is, geroepen tot belijden.
Hierom wordt dan ook in een welgeordend kerkelijk leven naast de Schrift de kerkelijke Belijdenis noodzakelijk geacht, opdat de Kerk antwoord geve op 'tgeen de Heere komt openbaren in Zijn getuigenis.
En hierom wordt ook in de vergaderng der Kerk niet alleen het Woord Gods gepredikt, in de verklaring en toepassing der H. Schrift — maar bij de samenkomsten der Gemeente wordt zij, als 't' wel gesteld is, óok opgebouwd in haar Belijdenis des geloofs, door de verklaring van den Catechismus.
Moderne uitspraken.
„ Dat een enkel menschenpaar de stamhouders zouden zijn van alle volken en geslachten, wordt veroordeeld door de wetenschap." Dr. A. L Poelman, Oud en Nieuw 1865, blz. 13.
„ De geheele voorstelling van den zondvloed strijdt met rede en ervaring. Wij verwijzen het bericht naar het gebied der mythologie." Ds. C. Alting, De beteekenis der nieuwere
Bijbelbeschouwing, blz. 41 en 47.
„Lazarus is een symbolische naam, waarmee. Je7us bij voorkeur de armen aanduidde. Hij verloste hen uit hun doodelijken toestand; zich over hun graf — hun ellendigen toestand — buigende, riep hij dien doode toe: „Lazarus, kom uit." Ds. A. Reville,
Waarheid in liefde 1865, blz. 830.
„Twijfelachtig is het bestaan dier mannen (engelen), van wier verschijningen aan aardbewoners wel vele verhalen, maar geen enkel behoorlijk gewaarborgd berigt in de geschiedenis der menschheid te vinden is." Prof. W. C. van Manen, Oud en Nieuw 1868, blz. 262.
„Jezus werd in Nazareth geboren; zijn ouders heeten Jozef en Maria."
Ds. B. W. Colenbrander, Geen fabelen, blz 82.
„Jezus een gewoon mensch, van gelijke beweging als wij."
Ds. J. C. Zaalberg, Den Haag.
„Jezus, de godsdienstige mensch bij uitnemendheid." Prof. J. C. Matthes, Oud en Nieuw 1865, blz. 107.
„Voor mij heeft de goddelijke vereering van Jezus volstrekt geen waarde."
Ds. H. O Rogge, Oud en Nieuw 1866, blz. 384,
„Dat Jezus, God met den Vadernaam toesprekende, zich in een betrekking tot het hoogste wezen plaatste, waardoor hg van zijne medemenschen niet alleen geheel onderscheiden, maar ook boven hen allen verheven was — is een misverstand." D. Harting, Morgenlicht 1868, blz. 28.
„Dat is een groot, een zéér groot misverstand." B. ter Haar,
Waarheid in liefde 1866, blz. 291.
„Is Jezus onze Middelaar? den waren Hervormde is niemand tusschej hem en God. Die nog een tusschenpersooi, behoeft, is in beginsel nog Joodsch Roomseh." Ds. E. C J. Mosselman,
Uit een preek: „Een Koninkik priesterdom" 1864.
„Wij worden even rein geboren, als dj eerste mensch rein door God geschapen is, en dus heeft zijne zonde op ons geen nadeeligen invloed." Ds, A. L. Poelman,
„De zonde is slechts een gebrek a ontwikkeling." Dr. A. PiersoD Oorsprong der moderne richting, blz. lio,
„Zonde is het nog onvolmaakte in dj geestelijke wereld."
Prof. J. C. Matthes,
De nieuwe richting, blz. 209
„Het geloof in een zedelijke wereldordi. is het wezen van het godsdienstig geloof, Er kan godsdienstig geloof, godsdienstige wereldbeschouwing zijn, ook waar het geloof in een hoogste Wezen niet gevoa den wordt." Prof. Rauwenhoff.
„Wie met het volle hart belijdt: de wereld gaat vooruit en ik ben geroepen om aan haren vooruitgang mee te werken dien vraag ik naar geen verdere geloofsbelijdenis, die is rechtzinnig in mijn oogei in hem zie ik een waren vrome, in heia een kind van God."
Ds. P. H. Hugenholtz Jr., Taal des geloofs 1869, blz. 259,
„Zich bekeeren, dat is in' Jezus' geest — aangetrokken door de reinheid en schoonheid van het leven, dat hij b& schreef, en in zijn woord en wandel toonde — vol vertrouwen de hand aan den ploeg te slaan zonder orn te zien naar hetgeen achter is. Hem te volgen en volmaakt te worden als God. Prof. C. P. Tiele Taal des geloofs 1868, blz. 169.
„Het gebed heeft niet ten doel om God iets bekend te maken, niet om Zijn wil te veranderen, niet om Hem tot liefde te bewegen, maar het is het middel om ons godsdienstiger te maken."
Prof. Opzoomer,
De godsdienst, blz. 274 enz,
„De moderne godgeleerden kunnen niet geiooven, dat hunne gebedeui iets anders zijn dan alleenspraken, weerklinkendinhet onbewegelijk heelal." C. Busken Huet, Spectator 2 Juni 1866.
„Het is de tijd om zich los te maken van die oude tradities van 18 eeuwen, ja, al ware het van 2 è, 3000 jaren. Laat ons toch voelen en denken als menschen, ons verstand gebruiken en niet omdat de predikant, pastoor of priester of wie ook, het zeggen; en ons spiegelen aan de natuur en die volgen. Al wat edel, schoon en grootsch is, heeft een afkeer van al dat oude gezeur, en dan komen ze me. God betere 't, met de Drieëenheid of ik weet niet wat al aan. Laat het toch met die oude overleveringen uit zijn of noem het Christendom, als gij wilt; die naam van Christus is pas 80 jaar na den dood van Jezus in de wereld gekomen enz." Dr. van Gorkum, uit een preek van 14 April 1872 in de Noorderkerk, Amsterdam.
„Wij ontkennen het bovennatuurlijke, voor ons bestaat er geen enkel wonder." Prof. Opzoomer.
„Wij zouden allen willen brengen tot ontwikkeling van geheel den menschelijken aanleg. Maar daartoe staat de Bijbel ons in den weg. Daarom dringt zich de vraag telkens bij ons op: Moet de Bijbel wel altijd zoo het boek der godsdienst voor de Gemeente blijven? "
Prof. Rauwenhoff. Oud en Nieuw 1866.
„Verstand noch hart kunnen zich op deze stelling vestigen: mijne zonden zijn door het bloed van Jezus gewasschen.
Het bloed van Jezus en anderer zonden hebben niets met elkander te maken."
Dr. W. C. Groeneveld, Oud en Nieuw.
De begrippen van eene schuld der menschheid tegenover God, van verzoening daarvoor door Jezus' kruisdood teweeggebracht enz., al die begrippen in ons oog zoo onwaar, zoo schadelijk voor een zuivere godsdienstige ontwikkeling, leert de Gemeente altijd weer opnieuw uit den Bijbel.
De Bijbel en telkens weer de Bijbel, die ons in den weg staat bij onze pogingen, om eene betere opvatting van het Christendom ingang te doen vinden.
Er moet, dunkt mij, een einde komen aan de afgoderij, die er nog door de Protestanten gepleegd wordt met den Bijbel." Prof. Rauwenhoff.
„Voor de verheven grootheid van Jezus' kruisdood koesteren wij diepen en dankbaren eerbied. De zaak is echter, dat wij het een gruwelijke miskenning achten van Jezus' prediking en loochening van het geloof in Gods ontfermende liefde, dien kruisdood te beschouwen als een offerande."
„Wij zijn waarlijk op hun blijven in de Kerk niet gesteld. Wij zijn van oordeel, dat die .„gereformeerden" met hun onchristelijke prediking schade toebrengen aan het geestelijk leven van ons volk.
Wij zien, dat zij de rechten van andersdenkenden weigeren te erkennen
en het tot stand komen van vrede en verdraagzaamheid in de kerk aldoor belemmeren.
Wij zouden hen daarom liever vandaag dan morgen zien heengaan."
Dr. "J C. Niemeyer.
Vrijz. Weekbl. 30 Nov. 1911.
„De moderne richting kan het Kerkgenootschap niet huldigen; zij, moet er een humanistische vereeniging voor in de plaats stellen, waarin louter de liefde voor het ideaal en de algemeene menschenliefde wordt gepredikt, aangezien zij niets anders te prediken heeft."
Dr. A. Pierson.
„Doe geen moeite. Dr. Gerritsen, om in de Herv. Kerk verplichtend te doen e stellen een liturgie, waarbij in alle gemeenten des Zondags de Apostolische belijdenis moet worden voorgelezen door den Liturg, want wij modernen kunnen en willen dat niet doen; en omdat wij, modernen, dat niet kunnen en willen, mag men zoo iets in de Herv. Kerk niet e noodzaken." N. Rott. Ot. 7 Deo. 1911.
„De modernen zijn het ééns met de belijdenis.
Wel gebruiken zij die ouderwetsche woorden niet meer als Erfzonde, Drieëenheid, Middelaarschap, Goddelijke Voorbeschikking, Wonderen enz. Maar zij bleven toch leven uit het oude beginsel.
Of men zich te storen heeft aan Gods Woord?
De grondslag van het geloof is voor vrijzinnigen het getuigenis van den H. Geest in de harten. Ieder moet voor zich zelf maar uitmaken wat waarheid is. De H. Geest zal het wel zéggen aan ieder die het ernstig tracht te weten te komen. En uit den Bijbel kunnen we dan het goede overnemen, 't Andere kan blijven liggen waar 't ligt. Daarin zijn we vrij.
Of we ons te bekommeren hebben om de geloofsbelijdenis in 37 artikelen of den H. Catechismus?
Neen! ook Christus heeft zijn leer niet in artikelen of een Catechismus sa& m gevat, omdat Zijn Geest daarvoor te groot was.
En dus hebben de vrijzinnigen, groot van geest, maling aan de belijdenis.
Of de vrijzinigen dan wel thuishooren in de Herv. Kerk, die van ouds een belijdenis gehad heeft?
Zeker! De vrijzinnigen hebben juist die heerlijke taak, om, groot en vrij van geest, die oude leer uit te zuiveren en de Kerk te brengen op het hooge standpunt, dat zij niet meer zich bekommert om belijdenis of catechismus.
Dat is de heerlijke hoogte der vrijheid. Uit een redevoering van Prof. Eerdmans te Zeist
„Wij hebben Hemelvaartsdag gevierdl Dat deze dag voor ons vrijzinnigen, een è, ndere beteekenis heeft als voor onze Vaderen (en voor vele christenen nog wel) behoef ik u niet te zeggen. Gij verwacht niet van mij, dat ik u prediken zal, dat eens, 1900 jaar geleden, in Palestina op den berg der olijven, iemand zóo ten hemel is gevaren. Zulk een geloof, zulk een voorstelling is voor ons althans oud en voorbij!
Zegt men, dat Jezus lichamelijk is opgestaan... ja, dan moet men wel aan een soort hemelvaart gaan gelooven; want het opgestane lichaam moet dan dan toch • ergens gebleven zijn, en een opvaren ten hemel is dan de eenige wijze om het verdwijnen des Meesters te verklaren.
Voor ons vervallen deze moeilijkheden. Jezus was een mensch, onzer één, reiner, vromer wellicht dan één onzer, maar mènsch — zijn lichaam is vergaan — stof was 't, dat tot stof wederkeerde — maar z'n geest voer op tot God, die leeft !
Trouwens ... een lichamelijke hemelvaart !
.Wat voor begrip heeft men dan van den hemel?
Hemelvaartslegende...
Ds. J. Deetman van Oostwoud. in de West-Friesche Kerkbode 2 Juni 1916.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's