Uit het kerkelijk leven.
Een citaat van Groen van Prinsterer.
Velen hebben zich afgevraagd: hoe is 't mogelijk, dat een man als Prof. Visscher kan meegaan met den Modus-vivendi; ja, hoe is 't te rijmen, dat hij juist de grootste voorstander van dezen Modusvivendi is.
Prof. Visscher heeft ons eenigszins een verklaring gegeven in deze. Want hij zegt in zijn brochure Tijd rijpt op blz. 45: „Wat mij aangaat, iigt de verklaring van mijne deelname aan dit streven in een advies van wijlen Groen van Prinsterer.
De diepgaande degelijke kennis, de eerlijkheid en strenge onpartijdigheid, maar ook de oprechte liefde voor onze Kerk, waardoor deze groote, door alle partijen geëerde Nederlander, zich onderscheidde, stellen hem boven alle verdenking."
Groen van Prinsterer is dus de geestelijke vader van den Modus vivendi.
En dan geeft Prof. Visscher een citaat van Groen.
Eén citaat. Dat is niet te veel. We hadden er meer verwacht.
Maar — dat ééne citaat is niet volledig., Althans, Groen geeft in de voorrede van Eet regt der Hervormde Gezindheid (1848), een stukske op blz. XVI en XVII, 'twelk [ Prof. Visscher bijna geheel overneemt op een paar regels na.
Dat paar regels hadden we er graag bij gezien. Ze vormen ook één geheel met het voorgaande. Immers Groen vraagt eerst: „of er niet, bij de onbeschrijfelijke hedendaagsche verwarring, een herstel en regeling van de Kerk, volgens haar eigenaardigen grondslag, vereischt wordt" en „of die grondslag in de verloochening yan haar geloof of in de vasthouding van haar belijdenis ligt."
En dan gaat Groen, de man van eerlijkheid en strenge onpartijdigheid, vragenderwijze verder, zeggende: „Waarom zouden zij (de modernen nl.) dan met eerlijk en vrijwillig wijken uit eene Kerk, waarin zij, die haar geloof als eene ergernis en dwaasheid beschouwen, wederregtelijk post hebben gevat? Waarom zou bij onvereenigbaarheid der gevoelens eene gedwongen en ongerijmde vereeniging voortduren, die, hoe langer zij duurt, des te meer naar betreurenswaardige verbittering leidt? Waarom zou, na zoo velerlei verongelijking (der orthodoxen nl.) met eene aanstaande wijziging der Reglementen, (welke de modernen zich hadden voorgenomen) verdrijving bedoeld worden dergenen (der orthodoxen nl.), van wier erf men zich met sluwheid én geweld meester gemaakt heeft? Waarom eindelijk zou het treffen van een vergelijk, op voorwaarden voor allen, onmogelijk zijn? 'Dezerzijds (bij de Orthodoxen) nl. wat niet het geloof raakt, zou toegeeflijkheid kunnen worden betoond. Niet om materieele voorregten is het te doen; maar om het f egt der gemeente op de verkondiging van het Evangelie."
Tot zoover citeert Prof. V, Groen (zie Tijd rijpt blz. 45-46) hoewel hij niet cursiveerde wat wij een streepje gaven. Maar dau breekt Prof. V. plotseling af wat Groen zegt, hoewel de volgende regels van Groen's geschrijf één geheel vormen met het voorgaande.
Dat achten we met aanbevelenswaardig, Want zegt Groen hier o. i. dat de modernen wederregtehjk en sluw post gevat hebben m het midden der Herv. Kerk, hij wil zoo noodig wel van een vergelijk; hooren maar op voorwaarden die met het geloof raken. Dus zoo noodig alleen rakende „materieele dmgen. Waarbij hg dan weer onderstreept, dat de „Ge-' meente re_cht heeft op de verkondigmg van het Evangelie" — waarop dan onmiddellijk volgt deze zin, welke Prof. V. weglaat:
»Wij lidmaten der Gemeente, mogen ons geen ander Evangelie laten opdringen, geen Evangelie strijdig met de leer van de Kerk; strijdig met het geloof dat de Heere, gelijk in het hart der Vaderen, zoo ook in het hart der kinderen gebracht heeft.«
Wij meenen dat Groen ook wist te onderscheiden: Kerke Gods en reglementair Genootschap; dat Groen daarbij de geschiedenis sinds 1816 goed kende; dat hij nog al tegen de modernen was; dat hij oordeelde, dat zij wederrechtelijk en sluw waren binnengedrongen op de erve onzer Vaderen; dat zij in geest en hoofdzaak principieel verschilden met de leer der Kerk; dat zij geen geestelijke rechten konden doen gelden; dat zij niet langer moesten blijven, waar ze niet thuis hooren; ^ eerlijk en vrijwillig behoorden ze heen te gaan; waarbij de Kerke Gods zuchtend in het Kerkgenootschap moest opwaken en opkomen voor het Evangelie Gods — desnoods schikkingen makend in H geen niet het geloof raakt.
Dit op te merken achten we wel de moeite waard, daar het licht werpen kan over de ware positie, der modernen en de oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Zooals het-.nu is, kan en mag het niet blijven.
Maar als men dan met een oplossing komt als in het huidig voorstel van den Modus vivendi dan is 't ons nog niet duidelijk hoe een Groeniaan daarmee kan instemmen. Daar zouden we eerst nog wel eens wat meer van willen hooren.
Tijd slijt
Men kan het bij onze dubbeltjes en kwartjes wel opmerken: tijd slijt. Hoe kan het opschrift op onze munten niet geheel onleesbaar worden terwijl de beeltenis van onze Koningin niet meer is te onderscheiden. Alles door den tijd, die de letters uitwischt en de lijnen en figuren doet afslijten.
In onze oude kerken vindt men 't zelfde geval. Hoeveel grafsteenen liggen daar, met wapenen, figuren namen en datums versierd, 't zij opgelegd of ingebeiteld, maar wat is het daar helaas! te merken, dat de tijd slijt, 't Is dikwijls bepaald onmogelijk om te ontcijferen wat er opstaat, zoodat een kenner noodig is om u te zeggen wie daar begraven ligt.
Tijd slijt.
Dat geldt ook ten opzichte van de geschiedenis onzer Herv. Kerk. Wat zijn er velen, die niet weten wat er in de vorige eeuw is gebeurd en wat zijn er weinigen, die weten hoe het de laatste honderd jaar gegaan is, in zake de leer der Kerk en hare bestuursorganieatie.
Wij willen trachten om de geschiedenis Tan de laatste honderd jaar weer een weinig beter te doen verstaan onder ons tegenwoordig geslacht, door nog eens na te gaan wat er alzoo gebeurd is sinds 1816.
wij doen dat vooral met het oog op de kerkelijke bewegingen van onze dagen, waarbij immers weer ernstig gezocht wordt naar een weg om te komen t-> t herstel van de aloude Geref. Kerk in dezen lande. En dan moet men weten hoe zij in verval geraakt is; wat er gedaan is om haar ondergang te bewerken "— ook wat de Heere wonderlijk voor haar bewaard j heeft en wat nu moet worden gedaan, opdat de Geref. Kerken in stad en dorp weer tot openbaring mogen komen, saam daar staande als een pilaar en vastigheid der waarheid.
wij wijzen in dit verband op een boekje van onze hand, uitgegeven bij den heer Corns, de Jong te Oud-Beijerland. Herhaalde malen heeft men ons om zoo'n boekje gevraagd. Ook o i iu deze 'alleszins bevoegde personen hebben ons aangespoord om zoo'n boekje uit te geven. Welnu, nu is 't er. Of althans, uu komt 't er.
Van harte hopen we, dat er nu velen mogen zijn, die zich dit boekje zullen aanschaffen.
De inteekening staat open bij den Uitgever, bij den boekhandel, bij onze Agenten.
En onze Bondsleden vooral, onze Afdeeliugsbesturen, zullen zich, naar we hopen, nu niet onbetuigd laten om mee te helpen tot ruime verspreiding van dit geschrift.
Het vragen naar de waarheid.
De dagen der profeten des Ouden-Verbonds bewijzen ons wel, dat het woord des Heeren verschillend ontvangen werd. En de wijze waarop de Kerke Gods Zijn getuigenis beantwoordt is en blijft een zuivere toetssteen om zich van het gehalte der Kerk te verzekeren.
Wilde men buigen onder het Woord des Heeren, tot de boodschappers zeggende: „bidt voor ons" — dan was er nog hope voor het volk. Dan trilde daar van binnen nog een snaar der ziele, die deed bemerken, dat men nog niet geheel ver-vreemd was vanm Gpd em zijne waarheid.Dan was ook de historie voor dat volk nog niet aan haar einde.
Maar sloeg men de getrouwe getuigen, lasterde en hoonde men men de ooren van hen af, dat hun rijpheid voor het gericht dat uit de donkere wolken van Gods toorn stond te voorschijn te komen.
Hoe staat dat nu in het midden van onze Herv. Kerk?
En bij het vele in-droeve dat daar gevonden wordt, getuigende van zonde en ongerechtigheid en overtreding, zien we Gode zij dank! dat er nog een vragen naar de Waarheid is en er begeerte wórdt geopenbaard om teruggebracht te worden tot de oude paden.
Dat vervult ons met hope.
Dat is niet van de menschen zelf.
Dat is van den Heere.
De duivel werkt dat niet.
Het vleesch begeert dat niet.
Dat is de Heere die nog gedachten des ontfermens over haar heeft.
En is er veel, véél dat niet goed is, juist omdat dit goede nog gevonden wordt, dat in stad en dorp een vragen naar de waarheid is, zeggen we: verderf haar niet.
En de Heere stoote getrouwe arbeiders uit in Zijn wijngaard. Hij bedieile ons met Zijne barmhartigheden uit de volheid Zijner liefde, genade en trouw. «•
Hij geve, dat van stad tot stad, en van dorp tot dorp de bazuin geblazen worde. En dat velen door genade Zijne waarheid mogen leeren verstaan, om in oprechtheid te getuigen: Heere, Gij hebt geboden, dat men Uwe bevelen zeer bewaren zal. Och, dat mijne wegen gericht worden, om Uwe ir.zettingen te bewaren.
Als een dauw en als een leeuw.
Dat komt nu heelemaal niet bij elkaar , als een dauw en als een leeuw". Dat zijn zulke ongelijksoortige grootheden, welke men onmogelijk met elkaar veroenigen kan.
Toch gebeurt dat in Gods Woord. En we kunnen het zoo goed verstaan!
Het overblijfsel des Heeren, Zijn uitverkoren Kerk, wilde Hij gebruiken in dagen van diep verval „als een dauw".
Zachtkens moest het overblijfsel des Heeren, dat God vreesde en door Hem in rechte banen geleid werd, inwerken op de gansche omgeving. Zooals de dauw geruischloos, zacht, verkwikkend neervalt op de aarde, op bloem en gras en plant, waardoor het even voor versterven bewaard wordt en de levenskrachten worden gesterkt en opgekweekt, zóo moet des Heeren Kerk zachtkens inwerken met de goede belijdenis in gansch de omgeving en men moet den adem der waarheid Gods laten gaan over alles wat onder 't bereik komt. Want de bodem is verhard; de levenskrachten van zoovelen staan te bezwijken; het verval is zoo groot. En dan moet zachtkens de adem der waarheid en de wind des Geestes Gods uitgaan over dat alles, opdat het niet versterft, maar opgekwikt; opdat het niet bezwijkt, maar opgebeurd en gesterkt wordt.
En dan „al« een leeuw". 't Staat er z'oo: „En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid dat naar geenen man wacht noch menschenkinderen verbeidt.
En dan volgt er: Ja, het overblijfsel Jakobs zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, dewelke, wanneer hij doorgaat, zoo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redt." (Micha 5 : 6, 7).
Dat is de keerzijde. . Want is Sion gelijk aan de dauw des hemels die afdaalt van boven, op het kruid des velds — zoo zegenrijk als de dauw is voor het land, zoo geweldig is Sion ook voor allen die den Heere gram zijn en Zijn Kerke' belagen. Als een jonge leeuw woedt onder de kudde, zoo zal Sion moeten staan tegenover alles wat God lastert. Zijn waarheid krenkt, Zijn Christus hoont.
De dood aan alles wat niet is naar het Woord.
Leugen en waarheid kunnen niet saam verkeeren.
Opbouwen dus; zachtkens kweeken en verkwikken van 't geen zwak is en dreigt te sterven.
Dat is de heilige roeping van Gods Kerk.
En daarbij in oorlog met alles en met allen, die tegen Gods Woord ingaan.
Gebrek aan predikanten.
Eensdeels schijnt het wel, dat er te véél predikanten komen, daar er wel candidaten loepen, die maar geen beroep krijgen. Doch dat is heel anders met onze gereformeerde studenten. Wanneer die klaar zijn zitten er verscheidene kerkeraden te wachten. En hoeveel gemeenten moeten helaas! niet lang, lang wachten eer er aan de roepstem: „Kom over en help ons" wordt beantwoord.
Er is gebrek aan gereformeerde predikanten.
We moesten er veel, véél meer hebben. Let maar eens op de vele vacante gemeenten.
Monster wacht, alsook Montfoort. St. Annaland roept en ook Bleiswijk ziet uit.
Schoonhoven heeft iemand noodig en Dirksland wacht al weer zoo lang. Zoo ook Polsbroek, Hasselt, enz. enz.
En dan die dorpen, die, wel gaarne een gereformeerd candidaat of jong predikant zouden willen hebben, maar er eenvoudig geen kans voor zien om er een te krijgen en dan dikwijls ten slotte maar hun toevlucht nemen tot iemand anders.
Hoe jammer toch!
Laat men het toch eens goed verstaan, dat er gebrek aan predikanten is in onze Hervormde Kerk en laat men alles eens beproeven wat mogelijk is, om hierin onze Kerk te helpen.
Ouders hebben hier een taak, ten opzichte van hun kinderen
Predikanten, ouderlingen enz. hebben hier een roeping ten opzichte van jongelingen in de gemeente, waarvan ze mogen gelooven dat deze wel lust en aanleg hebben om predikant te worden.
Onderwijzers kunnen hier ook veel doen. En dan ons Studiefonds! Neen, we moeten niet vertragen. Hier is nog zoo veel te doen. De Heere wijst ons den weg. En Zijne bemoeienissen hebben nog geen einde genomen over ons.
Voort, voort moet het dan! Al biddende.
Al werkende.
Zóó zal des Heeren eere worden gezocht. Zijn waarheid verkondigd. Zijn Koninkrijk uitgebreid en het zal de Kerk tot zegening, ons Volk tot voordeel zijn.
Gods Woord zal niet ledig wederkeeren, maar altijd doen wat Hem behaagt!
Onze Jongelings-vereenigingen.
De winter-campagne is weer begonnen. En ook onze Jongelings-vereenigingen zijn mobiel. De zomerrust is voorbij. De werkzaamheden, waartoe de winteravonden zich zoo bij uitstek leenen, zijn nu in vollen gang.
Voelt men wel genoeg het noodzakelijke en het nuttige van een Chr. Jongelings-V ereeniging ?
De Heere wil onze jonge mannen in Zijn dienst hebben. Hij wil ze rondom Zijn Woord zien vergaderen.
Als het zoo kookt en bruist en woelt in der jongelingen hoofd en hart, dan wil de Heere dat men ze leidt in Zijne wegen, opdat ze Hem vroeg mogen zoeken en in de dagen hunner jongelinschap zullen gedenken aan hun Schepper en Maker.
Als de wereld haar armen breed uitstrekt om jonge menschen te lokken en te vangen en hen aan haar hart dood te drukken, dan wil de Heere, dat zij veilig gebracht zullen worden op plaatsen waar 's Heeren inzettingen worden overdacht en Zijn Wet bepeinsd.
En als jonge mannen in de jaren van voorbereiding zijn, om weldra in het volle leven te staan, dan wil de Heere dat ze bij Hem in de leerschool geweest zijn en wèl onderwezen in Zijn getuigenis.
't Blijft toch maar waar, wat de dichter van Ps. 119 zong: „Waarmede zal de jongeling zijd pad, door ijdelheên omsingeld, rein bewaren ? Gewis, als hij het houdt naar ^t heilig blad!"
Daarom zijn onze Chr. Jongelings-vereenigingen zoo noodzakelijk en zoo nuttig.
Ze zijn naar Gods bevel. En ook iu deze zal in het houden van Gods bevelen groot loon en milde zegening Hggen.
Gelukkig gaan de oogen open voor 't geen onze kinderen noodig, hebben.
De 1200 scholen met den Bijbel zijn ten bewijs.
Geve de Heere ook hierin nog maar een verbeurden zegen Zijner liefde!
Maar laat ons dan de jongelingen niet vergeten!
We mogen de kinderen onzes volks, als ze de kinderschoenen ontwassen zijn, niet aan zich zelf overlaten. We mogen dan niet onverschillig zijn voor het opkomend geslacht. We mogen den weg der middelen niet verwaarloozen. We mogen de schoonste jaren van de bloem onzer natie, de toekomst voor Kerk en School en Staat en Maatschappij, niet maar onverschillig loslaten.
En daarom geve de Heere, dat alom bij de Ouders, predikanten, ouderlingen, onderwijzers enz. veel, veel meer belangstelling kome voor onze Chr. Jongelingsvereenigingen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's