Stichtelijke overdenking.
Zie God heeft u geschonken allen, die met u varen. Hand. 27 : 24.
Een bidder aan boord.
II.
Nog is de Apostel van zijne knieën niet opgerezen of het antwoord is hem van den hemel reeds geworden. Wat lezen we nl.: .
„Een Engel Gods stond bij hem." Een mededienstknecht van denzelfden Koning, 't Staat er zoo treffend: Welken ik ook dien. Deze fluistert hem zachtkens in het oor: vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden.
Geldt dit voor u, voor de lieden voor wie gij gevraagd hebt, zal de hemel ook zorg dragen. Allen, geene uitgezonderd, zijn u geschonken. Deze schenking overreik ik u.
Zou de wereld daar nu iets van weten, lezer ? Zeg met mij: daar weet ze niets van, heelemaal niets, dat zij gedragen wordt en geduld en gespaard, omdat er een pleiten plaats heeft voor den Troon. Ziehier een duidelijk bewijs. Niemand van al die schepelingen zou in de golven verzinken, ze zouden allen het droge beklimmen, omdat er een Paulus aan boord was, die op zijn knieën om hun behoud streed.
Het staat in omgekeerde verhouding, dit kan vrijelijk worden aanvaard, de wereld zoekt alles wat op het gebed drijft, uit te roeien, het kan in hare oogen nooit genade vinden, het moet weg — terwijl wie God waarlijk leerde bidden, van die zelfde wereld niet af kan blijven.
Immers in dat kluwen, in dat groote net, schuilen de parelen, die eenmaal zullen flonkeren aan de kroon. Vandaar: „Heere, geef ze mij, laat het heden der genade voor hen nog niet ophouden, snijd de draad niet af."
En de Heere neigt Zijn oor en geeft. Hier hebt ge nu een bewijs, wat het gebed des rechtvaardigen vermag. Niet op zichzelf, dit is u wel duidelijk — een bedelaar heeft toch geen verdienste, wanneer hij de hand ophoudt — magr omdat de Heere er om gevraagd wil zijn. Hij wil er van Zijn Israel om verzocht worden.
't Was zóo gelegen: van tevoren was hun alle hoop van behouden te worden benomen, en toen de Apostel oprees, was er geen omkomen meer mogelijk. Ze zouden het droge opklimmen tot den laatsten man.
Wanneer de wereld dat eens verstond wat zou ze dan anders handelen dan ze nu doet. De ware bidders zijn de steunpilaren, waarop zij rust. Ze zijn het zout dat het bederf tegenhoudt. Een bekend prediker uit vroeger dagen gebruikt het als een beeld. Denkt u de zee — zoo roept hij — zonder zout; het grootste gewrocht met het kleinste wezentje gaf den geest, onmiddellijk, er was geen pardon — alzoo de wereld zonder Christus en de Zijnen.
_ Ge moet de Zijnen nooit losmaken van CErïstus, dit zoü wel de dwaasheid ten top zijn, ze behooren van eeuwigheid bij elkander, ze zijn in den tijd ook niet van Hem te scheiden. Als hun gebed oprijst is het juist de Christus, die door Zijn Geest uit en door hen spreekt, en wanneer hun bede verhooring vindt, is het alweer om dienzelfden Christus en Zijn volmaakte offerande.
't Is alles om en uit en door Hem.
De wereld een oogenblik zonder Christus en Zijn volk — ge kunt het niet denken, lezer — een ondeelbaar moment slechts en alles zonk in een eeuwig niet.
De Heere richt zelf Zijn steunpilaren op.
En nu zal op twee punten vooral het licht vallen. Vooreerst, wat heeft zij een beklagenswaardige positie, die wereld, en met welk een meewaren-inroepende blindheid is hij toch geslagen, die arme wereldling. Hij voert als gevangene mede, die voor zijn behoud moet pleiten. Hij zou willen uitwerpen wat het eenige steunsel voor hem zelven inheeft.
De natuurlijke blindheid is ontzettend groot. Een vriend werd hem een vijand en omgekeerd, zijn zielsverderver loopt hij na als gold het zijn behoud.
Geldt dit ter eener zijde — ten andere moet noodzakelijk dit naar voren: Ieder, die iets heeft leeren verstaan van het schrikkelijke, waarin de mensch van nature leeft, die zelf uit genade leerde leven, die verstond: 't was Gods hand die me vrijkocht, die zal bij oogenblikken van dat wonderlijke heimwee door zijn ziele voelen gaan: ik zou in Gods hand zoo gaarne het middel zijn tot veler behoud. Wat de Heiland sprak wordt hem nu duidelijk: „als een hen hare kiekens heb Ik u willen vergaderen."
Bij oogenblikken, maar ook wat een schuldgevoel, wat een bezig-zijn met zich zelven, met alles, behalve met het behoud van die tenondergaande, wegzinkende wereld. Want zoo is haar beeld, nietwaar, gelijk het schip van Paulus: wegzinkend.
Moest ook 's Heeren volk dan niet op de knieën met de bede:
Heer'! door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in 't schuld vergeven.
Wie U aanroept in den nood.
Vindt Uw gunst oneindig groot.
Heer'! neem mijn gebeen ter ooren. Wil naar mijne smeeking hooren, Merk, naar Uw goedgunstigheên, Op de stem van mijn gebeén!
Dat is nog eens een rijk bezit, zulk een bidder in zijn midden te hebben.
Daarvan heeft de hoofdman niet geweten en dat heeft de stuurman nooit kunnen denken, dat deze gevangene het middel in Gods hand zijn zou van hunne uitredding. De Heere zegt het duidelijk: allen, die met u varen, heb Ik u geschonken, 't Is op zijne bede.
Let er nu eens op hoe hij met die gave handelt.
Als ge der wereld geloof woudt geven, zou er niets meer geschikt zijn om der goddeloosheid voedsel te biên en de zorgeloosheid in de hand te werken, dan het onbepaalde vertrouwen hierop: God heeft beloofd, dat er geen enkele der Zijnen verloren gaat.
Ten allen tijde en' aan alle plaatsen ruischt de aanklacht de Gemeente des Heeren in de ooren: „gij maakt door deze leer goddelooze en zorgelooze menschen."
We hebben er slechts dit antwoord op te geven: dat is misleiding, gij weet het niet. Alleen op den rotsgrond van Godes toezegging, op het onwankelb^are van zijn trouw staat het tlnct des Heeren onbewogen.
Mist hij dit, hij is de rietstengel gelijk die door de krachtige herfstwinden heren derwaarts wordt geworpen.
Maar, waarom nog langer geredeneerd. We hebben het Woord voor ons. We kunnen hier den toetssteen aanleggen.
Paulus heeft de toezegging van zijn God ontvangen: daar zal geen verlies geschieden van iemands leven.
Ha, zegt de wereld, nu zal die man zich wel terugtrekken, hij kan gerust gaan slapen, want God liegt niet.
Maar zijn nu zoo de gangen bij Gods volk? Wat doet de Apostel? Is hij tevreden met de toezegging? Gaat hij heen?
Neen, lezer. De genade Gods maakt waakizaam en werkzaam.
Van een kind des Heeren hoorde ik eens in mijn jeugd: luiheid is geen plantje, dat groeit in den hof des Heeren, dat hoort thuis op een ander erf.
Waakzaam ook is ieder, die de toezegging Gods mocht beluisteren: ik heb ze u geschonken. Deze episode uit des Apostels leven spreke voor zichzelf.
Paulus week geen oogenblik van hun zijde. Overal speurde zijn oog; waaraan geen der schepelingen dacht, daaraan dacht hij. Neen, daar was heelemaal geen gelatenheid, toen hij zag, hoe enkelen der bemanning, onder valschen schijn de boot zochten neder te laten om te ontvlieden. Toen was het deze zelfde Paulus, die op den hoofdman toetrad met: „indien dezen in het schip niet blijven, ge kunt niet behouden worden." Ge zoudt zeggen: Paulus^ hoort ge wel wat uwe lippen daar spreken „niet behouden worden ? " Daar zal toch niemands leven verloren gaan, hoe kunt ge dit nu zeggen ?
'kGeef hem zelf het woord: behouden zullen ze worden, maar niet op deze wijze, 't Wordt zoo vaak vergeten: daar is niet alleen een eindpunt vastgesteld, maar ook de wegen, die daartoe leiden. Ieder onderdeel van den weg, elk middel, zoo leerden onze vaderen — is van God aangewezen.
We noemden zoo straks „luiheid" maar ook willekeur is eene planting van Gods hand niet.
Paulus had de toezegging van eigen leven en van anderen. Hij mocht dus zien op zichzelven en op zijne medereizigers. Op beide tegelijk.
Onderstreep dit lezer.
Hij had niet enkel zijn aandacht er aan gegeven: hoe kom ik er. Dit zijn de gangen van de wereld. De Bcheepslieden zochten te ontvlieden. Als zij maar behouden werden, deerde hun het lot van anderen niet, al kwamen ze ook allen om.
Dat is de weg welke God wil niet. En nu hebben we zooeven een evenwijdigheidslijn getrokken, veroorloof het ons nog éénmaal.
In den tegenwoordigen tijd speurt en ziet men vaak zoo weinig van deze — laat me zeggen — Paulinische waakzaamheid. Daar is veel meer een vragen hoe kom ik van het oude schip, dan een omzien naar het behoud van de schepelingen, die met ons medereizen.
We moeten zeker zijn ons in den goddelijken weg te bevinden, ook al schijnt ons vaak een andere beter.
Men hoort vooral in onze dagen ^zooveel voordragen, wat oogenschijnlijk alles voor heeft en toch op den duur duidelijk blijk geeft niet te zijn wat de Heere wil.
Dat kleine bootje zag er' zooveel beter uit. Dit had nog niets van de stormen geleden.
Dat oude schip zag er in vergelijking zoo onttakeld uit. Scheuren in de zeilen en splinters aan de masten.
Men had het zelfs moeten omgorden. Ja, lezer, men kon zichzelf deze redeneering voorhouden: het moet toch vergaan, waarom zouden we niet aflaten, waarom zouden we niet overspringen, het gaat toch uitsluitend om het behoud.
Maar die anderen dan!
Die anderen, dat zijn voor verreweg het grootste deel lieden, waaraan weinig gelegen ligt. Ik neem thans het beeld van het schip ia letterlijken zin. Daar waren zooveel heidenen aan boord. Moeten die dan maar omkomen?
De vraag doet reeds huiveren. Het antwoord kan en mag niet anders zijn dan: „neen, Heere, zoolang Gij Uw volk getrouw maakt, zoolang Gij zelf aan boord blijft, gaan we niet heen. Als Gij het oude schip vast zet op de kusten der eeuwigheid, zullen we 't verlaten.
We keeren terug en vatten den draad weer op. Paulus had een waakzaam oog over dat volk dat hij van God verkregen had op zijn gebed. Hij waakte vóór alles, dat ze aan boord bleven, dat ze elk middel waarnamen om behouden te worden.
Ge moet deze geschiedenis maar eens nauwkeurig nagaan.
Het begint zoo wonderlijk. Ge ziet er heel een weg in afgebeeld, heel den weg van Gods kinderen. Ze zijn onder schoone voorteekenen uitgeloopen. Och het ging zoo voorspoedig in den beginne. Evenwel het duurde zoo kort. De stormen kwamen en vernielden alles; zelfs de hope van behouden te worden werd geheel benomen. Dat is het eerste: alle hope gebluscht. Maar nu zorgt de hemel voor uitredding. Daar is een pleiter aan boord, een die niet ophoudt met voortdurend opnieuw te pleiten. Hij ontving de toezegging: „Gij hebt verkregen." Ze willen behouden worden door Hem alleen. Hij houdt de wacht, Hij zorgt dat ze op de wegen komen en in de wegen blijven waardoor ze ontvlieden zullen.
Hier staan in dit hoofdstuk tientallen woorden, waarover expresselijk gesproken moest worden. Let alleen maar op deze kleine trekjes: Als in dagen geen voedsel is genuttigd dringt de Apostel aan: „ik vermaan u spijze te nemen, want dit dient tot uw behoud." 't Dient, het zijn ondergeschikte punten, onderdeden van den weg der behoudenis. En als straks het schip op de klippen wordt vastgezet om daar het vernielingswerk te ondergaan, dan zgn het wederom middellijke wegen waardoor de Heere ze allen behoudt
De een wordt gedragen op de golven: hij zwemt; de ander op een plank of op een stuk van het schip.
En alzoo — onderstreep dat — alzoo is het geschied dat ze allen behouden aan land gekomen zijn.
. Een wónder-heerlijke geschiedenis. Op de kusten der eeuwigheid wordt ook eenmaal al Gods volk afgezet; het schip is dan gesloopt. De stormen — het zal blijken — hebben niet één kunnen wegnemen en wel om de heel-eenvoudige reden dat er een Pleitbezorger voor hen intrad voor den Troon, Die terecht zeggen kon: „Ik heb een verkregen volk." Ze zijn Hem van God geschonken op Zijne offerande. Hij heeft ze betaald met zqn leven.
En nu is het Zijn wakend oog dat hen nu,in het leven behoudt.
Hij draagt zorg voor hen ieder afzonderlijk en voor allen tezamen.
't Zal blijken dat eenmaal ook gesproken kan worden: „alzoo is het geschied, dat allen behouden aan land gekomen zijn." Daar wordt er geen één gemist.
Zult ge daar onder zijn, lezer?
Ja? Zoo zal er bij u wetenschap zijn van enkele stukken, nl. dat alle hoop om behouden te worden u benomen werd.
Dat is het eerste wat God leert. Hij snijdt af. De zonde wordt in al haar schrikkelijke verwoestingen openbaar.
Daar is, van 's menschen zijde bezien, geen mogelijkheid van behoud; ge moet omkomen. Alles moet prijsgegeven; het gaat over boord.. Zie dat is de ellende, die tot God drijft, die op de knieën brengt, die Christus leert zoeken, als de Behouder, de Uitredder alleen. Deze zal | moeten intreden Deze zal moeten overnemen alles wat de schuldige mensch volbrengen moet. Deze, als Hij gevonden wordt als de éénige Borg, wordt het één en al.
Heerlijk, wien dit gebeuren mag. Die het beluisteren mag van Zijne lippen: vrees niet. Ik heb u verkregen als Mijn buit. Ik waak voor uw behoud. Hij zorgt dat ze op de wegen blijven. Voortdurend blijkt het noodzakelijk dat Zijn woord klinkt: niet op eigen gekozen wegen. Daar zou het omkomen worden.
Hoe vindt ge volk des Heeren zulk een Geleider.
Houw dan ook alles af, laat alles vallen wat buiten Hem staat.
Leef uit Zijn hand dagelijks, straks — de ondiepten wijzen er. reeds op, dat de kusten naderen — zal het scheepke op een punt des tijds vastgezet worden, dan spat alles uiteen en dan zal al wat den Heere heeft liefgehad, wat tot het verkregen volk behoorde, worden neergeworpen — neen uitgezet, op de kusten der eeuwige gelukzaligheid.
Zalig het volk dat zeggen mag: ik vreesde geduriglijk. Hij werd mijn Heil. Mijn ziele verwacht Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's