Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en hare belijdenis.
Door de verkondiging des Woords is de Kerk geworden. Door de prediking van het Evangelie van Jezus Christus en de werking des Geestes is zij openlijk opgetreden. Dat waren en zijn de middelen die de Zone Gods gebruikt tot vergadering Zijnet Kerk aan al de plaatsen Zijner heerschappij. (Cat. Zond. 21 vr. 54.)
God heeft gegeven Zijn Zoon.
God heeft in de wereld ingebracht Zijn getuigenis.
En nu komt heel het ontstaan der Kerk voort uit het Woord Gods, geconcentreerd in den persoon van den Christus, bedauwd door den H. Geest.
Hieruit volgt, dat de Kerke Gods door alle tijden heen een bewuste overtuiging moet bezitten door en over Gods waarheid en een betrekking moet kennen op den persoon van Jezus Christus door den Geest.
Want de Kerk is geen samenvoeging van personen door een of andere gezindheid van liefde of barmhartigheid; ook niet door een of andere zucht naar macht of vertoon saamgebracht. Neen, de Kerk is uit God en is er om en door het Woord Gods.
Vandaar dat haar bewust geestelijk leven zich zet op Gods Waarheid, welke Waarheid Gods zij gelooft, beaamt en belijdt. Dat is haar levenssfeer, dat is haar aard, haar karakter.
En zoo heeft de Kerk haar belijdenis. Zij moet naspreken, in haar eigen woorden herhalen en belijden, verdedigen en aanprijzen wat zij gelooft in zake Gods Waarheid.
In haar belijdenis moet uitkomen dat het gehoorde en beleefde haar bewust eigendom is geworden en haar dierbaar is.
Daarom zal ook de belijdenis een korte saamvatting zijn van 't geen de Schrift de Kerk gaf, zich concentreerend rondom den persoon van Jezus Christus. En daarom zal de belijdenis ook een eigenaardig karakter dragen en altijd blijven dragen. Want immers die kerkelijke belijdenis is en blqft een menschelijk getuigenis, in menschelijke woorden, want het is een eigen, welbewust naspreken van Gods Woord. Daarom kan de belijdenis ook nooit de plaats innemen van 't Godswoord.
Maar toch is er ook een goddelijke zijde aan die belijdenis, want zij is er niet dan door 't Godswoord en door den Geest, Heel de inhoud is en moet zijn ontleend aan Gods Woord en Gods Woor dalleen, nagesproken door de Kerk, welke de Heere den Geest gaf om in alle waarheid te leiden.
Wortel en plant dus.
Door het Woord en den Geest is de Kerk.
En de Kerk spreekt Gods Woord na door den Geest.
Gelijk dan ook in die belijdenis de persoon van Jezus Christus de èlles beheerschende plaats moet innemen, evenals Hij is het middelpunt der Schriften, zijnde het fundament der Kerk.
De gouden keten is dus:1 Gods Woord — 2 ontstaan en vergadering der Kerk — 3 levende, welbewuste overtuiging aangaande de Waarheid Gods — 4 uitgesproken belijdenis.
Zonder belijdenis kan geen kerkelijk leven bestaan.
Dat bewijzen zelfs de richtingen die tegen de kerkelijke belijdenis ageeren en haar willen verwerpen.
Omdat zij 't er niet mee eens zijn, verwerpen ze haar. Maar in die bestrijding van de kerkelijke belijdenis, openbaart zich hunnerzijds een endere opvatting in zake de waarheid, bizonderlijk een andere opvatting in betrekking tot den Bijbel en den persoon van Jezus Christus. Voor welke endere belijdenis — die evenwel niet steunt in Gods Woord — gestreden wordt, om haar tegelijk uit te planten in de harten van de medemenschen.
De grondproblemen, de groote stukken der waarheid, het wezen der Kerk, de kern van het geloofsleven maken dus steeds een belqdenis noodzakelijk.
Geen Kerk zonder belijdenis. En in die kerkelijke belijdenis moeten de hoofdmomenten zijn: het Goddelijk Wezen — Gods Woord — de persoon van Jezus Christus — de eeuwige toekomst.
Dat bewijzen alle eeuwen. Van de 1ste eeuw af, — gelijk we in de Schriften des Nieuwen Testaments lezen, — door de 2de, 3de, 4de, — 16de, 17de, 18de en 19de eeuw heen, is het altijd weer dezelfde gang der historie: de Kerk heeft een belijdenis noodig.
En daaruit volgt wel dat de Nederlandsch Hervormde Kerk, juist omdat zij Kerk is, een belijdenis niet missen kan.
Tusschen de andere kerkformaties staat zij daar met een eigen belijdenis. Een eigen. Hervormde, Gereformeerde belijdenis, naast en tegenover de Luthersche, de Roomsche, de Eemonstrantsche, de Doopsgezinde Kerken.
Zij heeft haar eigen belijdenis als een levende uitspraak in zake de waarheid, als een kostbaar bezit haar van den Heere op bizondere wijze gegeven.
Is in 1530 dö Confessie van Augsburg ontstaan; in 1529 de belijdenis der Kerken in Frankrijk; in 1560 de belijdenis in Schotland en in 1562 de belijdenis in 39 artikelen in de Episcopaalsche Kerk in Engeland; hier in de Nederlanden is de sprake der Nederlandsche Kerken vertolkt geworden door Guido de Bres in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 1561 (in 1563 in 't Nederlandsch vertaald); waarbij duidelijk openbaar werd voor vriend en vijand, dat de Nederlandsche Gereformeerde Kerken Gods Woord in alles als kenbron en regel erkenden en de waarheid, die naar Gods Woord is, wilden verkondigen, verdedigen en verbreiden.
De gemeente-vormende en samenhoudende kracht der Ned. Herv. (Geref.) Kerk Hgt dan ook in haar belijdenis, zijnde vertolkt in de Ned. Geloofsbelijdenis, in den Heidelbergschen Catechismus en de V^f Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten.
Deze is haar officieele belijdenis.
Daarin heeft zij haar overtuiging uitgesproken ; daarin heeft zij de beginselen vastgesteld tot wier erkenning ieder lid gehouden is. Zij heeft haar bepaalde grondbeginselen. „Het regt haar te betwisten om die grondwaarheden uit te spreken en van de getrouwe belijdenis ervan de toetreding barer leden afhankelijk te stellen, ware ongerijmd" schrijft Prof. Dr. J. H. Scholten in „de leer de Herv. Kerk" 4de uitgave Leiden 1870 deel I blz. 16.
Haar belijdenis heeft zij. En die belijdenis zal de Herv. (Geref.) Kerk ook moeten eeren, bevestigen, verdedigen, handhaven.
Een andere belijdenis is er niet. De Herv. Kerk heeft haar nooit afgeschaft, nooit buiten werking gesteld. Ook bij de groote verandering in de kerkelijke organisatie van 1816 is zij bewaard en nadrukkelijk — in ronde woorden is dat uitgesproken — is in art. 9 (thans art. 11) van het Algem. Reglement bepaald, dat die leer zou worden geëerbiedigd en gehandhaafd. Ieder Bestuur moest daar bizonderlijk zorg voor dragen; en die zich nog bezorgd maakten kregen dan ook ten antwoord, dat de leer der Herv. Kerk zou worden geëerbiedigd.
Zoover loopt het betrekkelijk goed.
Maar dan krijgen we ook tegelijk de groote fout in ons kerkelijk leven.
Want historisch genomen is de belijdenis onzer Herv. Kerk vervat in de drie formulieren van eenigheid.
Elke Kerk heeft hare belijdenis; moet hare belijdenis hebben. En zoo heeft onze Herv. Kerk óok haar, belijdenis. Welke belijdenis zij op verschillende synoden te Armentiers in 1563, te Antwerpen in 1566, te Wezel in 1568, te Emden in 1571, te Dordrecht in 1574 en 1578, te Middelburg in 1581 en 1591, te 's Gravenhage in 1586, te Veere in 1610 en te Dordrecht in 1618-19 voor de uitdrukking van haar geloof verklaarde.
Die belijdenis heeft zij bewaard. Ook in 1816.
Die belijdenis wordt geacht overeenkomstig Gods Woord te zijn. Ook in 1816 is dat in doorsnee, erkend en onderschreven. Zij is de korte uitdrukking van wat de Kerk uit Gods Woord weet; zij is de getuigenis der Kerk aangaande het Goddelijk Wezen, aangaande Jezus' persoon en arbeid, aangaande het werk der zaligheid, aangaande de toekomende dingen.
Dat wordt algemeen erkend.
Die het niet eens zijn met de Schrift, die den Bijbel anders willen hebben dan hij is, die dus tegen de Schrift bezwaren hebben, ja, die hebben natuurlijk ook bezwaren tegen de belijdenis.
Maar daar gaat het niet om.
't Gaat er om: of de belijdenis onzer Kerk de korte uitdrukking is van wat de Kerk uit Gods Woord weet?
't Gaat om Gods Woord — en 't gaat er om, of de belijdenis dèt Woord getrouw weergeeft.
En dan zal ieder moeten erkennen, dat de belijdenisschriften der Herv. Kerk overeenkornstig de heilige Schrift zijn. Die Bijbel genomen zooals zij is. Wat natuurlijk eerste eisch is in dit geding.
En dan handelt de belijdenis over de centrale gedachten; zij is de uitkomst van een worsteling des geestes om de waarheid Gods; zij vat de grondproblemen saam en behandelt die kort en duidelijk. De weg der zaligheid ligt er in verklaard.
Onze belijdenisschriften zijn dus wettig eigendom der Kerk.
Ze zijn schriftuurlijk.
Ze behandelen de centrale gedachten, de grondwaarheden.
Eere wie eere toekomt !
En in die belijdenisschriften vindt ook nu nog het grootste deel van degenen die Hervormd zijn hunne levende overtuiging in zake de waarheid, in betrekking tot het Goddelijk wezen, in betrekking tot den persoon en het werk van Christus, in betrekking aangaande de sacramenten, in betrekking tot de toekomende dingen, uitgedrukt en weergegeven.
I Alleen — het zou kunnen zijn, dat in j de laatste 3 eeuwen veel is gestreden en dat ook in onze dagen allerlei punten naar voren komen, die in de belijdenis niet of nauwelijks zijn aangestipt en uitgesproken.
Dat is een zaak, die onder" de oogen moet gezien worden.
De Kerk moet weer over haar belijdenis kunnen spreken op hare kerkelijke I vergaderingen.
De belijdenis üïoet meeleven met den gang der historie.
En men heeft de belijdenis vastgezet.
Dat maakt nu niet, dat zij niet meer de belijdenis der Herv. Kerk is.
Dat maakt ook niet, dat zij niet meer in overeenstemming is met de Heilige Schrift.
Dat maakt ook niet, dat in de belijdenis de centrale gedachten, de grondproblemen inzake de waarheid niet meer behandeld worden.
Neen — in deze worden de dingen dikwijls veel te veel overdreven!
Zeker, er zijij in onzen tijd dingen die in de belijdenis der Kerk moesten behandeld worden, die er nu niet in voorkomen.
Maar men moet dat niet overdrijven!
Want de centrale gedachten van 300 jaren geleden, de grondproblemen der waarheid toen en nu zijn niet zooveel veranderd.
En daarom zal men de belijdenis de eere moeten geven die haar in onze Herv. Kerk toekomt, evenwel moet men de kerkelijk inrichting zóó maken, dat de belijdenis werkelijk weer in het midden van de Kerk komt te staan; dat-zij weer in actie komt; dat zij weer haar taak verrichten kan, ter bevestiging van dé waarheid en ter bestrijding van de leugenleeringen. En dan moet zij door de Kerk zelve telkens op kerkelijke wijze weer getoetst worden aan de Schrift en al naar dat de tijdsomstandigheden het noodzakelijk maken in kerkelij ken weg worden aangevuld, verduidelijkt of gewijzigd.
Wij zouden zoo gaarne willen dat allen die tot de He^rvormde Kerk behooren eerbied toonden voor de historie; de plaats der belijdenis in het midden der Kerk erkenden en dan wilden meewerken, dat de historische belijdenis der Herv, Kerk weer kan behandeld worden zooals de Kerk met haar belijdenis handelen moet; opdat de belijdenis, welke de uitdrukking van het geloof der Kerk is, de waarheid Gods naar voren brenge en daarbij ook die punten, waarin de Kerk van dézen tijd uit Gods Woord antwoord wenscht te geven aan de wereld.
De belijdenis moet weer vrij komen.
En de Kerk moet haar opheffen als een standaard, een vaandel, tot vereeniging van allen die tot haar behooren en met haar geloof'instemmen. Waarbij de belijdenis dan tegelijk tot onderscheiding is voor degenen, die zich stellen tegenover allen, die over de centrale gedachten en de grondproblemen der waarheid è.nders oordeelen, dan naar Gods Woord is.
Zoo kan de waarheid duidelijk uitkomen.
Zoo kunnen wangevoelens bestreden worden.
Zoo gaat Gods Woord weer leven in het midden van de Kerk, zijnde een gids voor allen die zich rondom de Schrift scharen en zoo moeten dan ook zij openbaar worden die wel een „Kerk" willen hebbén, maar op è, ndere dingen hun geloof fundeeren dan op den Bijbel.
Laat dan de belijdenis weer gaan leven.
Laten de groote Godsgedachten daarin door de Kerk vertolk*•, weer uitstralen in ons midden.
Laat eerlijk gevraagd worden naar het bedoelen van de belijdenis.
Laat niet een woord, maar laat de grondgedachte weer spreken.
En laat de belijdenis, zooals zij zelve wil en eischt, weer gedurigligk getoetst worden aan Gods Woord.
Dan hebben we niet, dat de belijdenis straffeloos veracht en vertreden wordt.
Dan hebben we niet, dat gewelddadig uitgebannen wordt wat naar recht een centrale plaats toekomt.
Dan krijgen we weer de openbaring van het kerkelijk leven naar eigen aard, karakter en wezen.
En dan wordt de belijdenis geen papieren paus.
Want Gods Woord is de hoogste autoriteit. De Heere regeert. Jezus Christus is Koning.
En zoo zal in de herleving van de belijdenis en in de handhaving daarvan de Gemeente des Heeren herleven.
De Kerke Gods in dezen lande zal worden opgebouwd. Vergaderd zullen worden die één zijn in geloof, 't Zal zijn: Één Heere, één geloof, één doop.
En er zal getuigenis gegeven worden tegenover de wereld. Er zal veroordeeld en afgesneden worden wat niet uit de waarheid is; wat niet naar Gods Woord is; wat niet instemt met de grondwaarheden van ons allerheiligst christelijk geloof; wat in de Hervormde Kerk niet thuis hoort.
Deze zaak is van 't grootste belang.
Want ten slotte gaat het bij degenen die zoo gruwelijk gekant zijn tegen de belijdenis der Kerk tegen Gods Woord.
Dat Woord verwerpen ze; dat verdraaien ze; dat achten ze niet.
En juist, omdat het niet gaat om de meening van A. of B. maar om Gods Woord, staan we er naar, dat de belijdenis weer vrij worde in het midden van ons kerkelijk leven, opdat alles worde ingericht naar Gods heilig getuigenis.
Dat is tot zegen voor de Kerk.
Dat werkt een gewenschte eenheid.
I)at bant alle tuchteloosheid en bandeloosheid uit. Dat beteugelt het voortdurend opkomen va, n nieuwe richtingen en partijschappen, , die elkander ongestraft veroordeelen en , • verketteren, verbijten en vereten, zonder dat er kerkelijk iets aan gedaan wordt.
Dat neemt weg die treurige toestand, die vertolkt wordt in het woord van den Heiland: „een koninkrijk dat tegen zich zelf verdeeld is, zal niet bestaan."
Ook is het beter voor de wereld.
Waarheid en leugen worden meer en juister onderscheiden.
De waarheid wordt duidelijker omschreven.
De weg der zaligheid en wat strekt tot eere Gods wordt ernstiger met heilige overtuiging voorgelegd en aangeprezen.
Alles pleit er voor, zoowel wat aangaat het inwendige der Kerk, alsook wat betreft het leven buiten haar, om de belijdenis weer vrij te maken in het midden van ons kerkelijk leven.
En daarom laat ons doen wat onze hand vindt om te doen, om in het midden van onze Herv. Kerk de aloude Hervormde belijdenis weer te maken tot een levende, getrouwe, warme vertolking van 't geen wij, als Kerk, gelooven op grond van Gods Woord.
Moeilijkbeden.
Met de moeilijkheden die zich, naar veler gedachten zullen voordoen bij mogelijke doorvoering van den voorgestelden Modus vivendi, neemt de Schrijver van Tijd rijpt het niet zoo heel zwaar. Er wordt nauwelijks aandacht aan geschonken. De tijd zal ook dit wel doen rijpen!
We hebben daar wel eenigszins bezwaar tegen; omdat we meenen dat de dingen veel ernstiger moeten worden genomen dan nu blijkbaar geschiedt.
Neem als voorbeeld wat op blz. 43 en 44 staat.
Daar staat in verband met de vraag: hoeveel gemeente-kerken zullen er wel komen? dit als antwoord:
»Het hangt er maar van af of de Synode met wijsheid de beginselen van den Modus vivendi gaat toepassen. Dat is haar plicht. Zij kan er voor zorgen, dat er slechts drie groote Kerkgroepen komen. De gereformeerde, die gevormd wordt door gereformeerden en gereformeerde-confessioneelen; de midden-groep der ethischen, die gevormd . wordt door de linker confessioneelen en de rechtsche ethischen; en dan de modernen, die zich samenstelt uit modernen en linker ethischen en al die menschen, die onder Woodbrook hooren en ons jaarlijks vergasten op den lof der quakersche stichtelijkheid, uit religieuse socialisten, anarchisten etc.« *
Deze beschouwing lijkt ons een beetje k\ te naïef en we vermoeden dat het harde leven deze kinderlijke beschouwing wel spoedig te morsel zou slaan. Wie, die de werkelijkheid in de gemeenten eenige jaren gezien heeft, zal zich nu overgeven aan deze illusie, waarin bovendien niet weinig onrechtvaardigheid ten opzichte van het partijwezen in onze Kerk zit?
Maar meer bezwaar hebben we nog tegen een andere beschrijving die ook op blz. 43 gevonden wordt, voortgaande nog op blz. 44. Daar lezen we:
»En zijn er dan nog niet meer moeilijkheden? Ongetwijfeld, hoewel niet alles wat men eene moeilijkheid noemt er eene is. Ik « heb verbaasd gestaan, over het bezwaar van den Secretaris der Synode, die met vele anderen in koor het gemeenschappelijk gebruik der kerkgebouwen zoo erg vond. Wat moet men daarvan zeggen ?
De eenvoudigen zullen het niet willen. — Welnu, leer dan aan die eenvoudigen, dat het eene gruwelijken zonde is de sacramenten te ontheiligen en valsche prediking toe te laten, maar dat het niets beteekent, dat andere menschen in gebouwen samenkomen, waar wij ook wel eens vergaderen. De Domkerk te Utrecht dient voor orgelconcerten en zeker soort religieuse samenkomsten met koren en nog wat. Ik heb nooit gemerkt, dat één gereformeerde zich daaraan geërgerd heeft, als hij Zondags neer zat onder den dienst des Woords. En zoo zal het hen ook niet hinderen, als in afwezigheid van hunne gereformeerde Kerk der belijdenis een andere groep menschen er eene godsdienstige lezing houden. En als het hen wel ergert, welnu toon hun dan aan, dat men ook gelijken kan op den Parizeer, die het buitenste van den beker reinigt en het binnenste vol ongerechtigheid Iaat.«
Als men dat leest dan ziet men niet alleen dat de brochure Tijd rijpt veel te vlug geschreven is en slecht is gedrukt, — waarbij dingen geschreven zijn, zooals ook hier, die men onmogelijk verantwoorden kan I — maar men bemerkt dan tot z'n groote verbazing, dat de hooggeleerde Schrijver grepen doet in het leven en met overtuigingen van het volk komt, die bewijzen dat hij, op het oogenblik dat hij schreef, niet voelde waar het ten slotte bij de bezwaarden om gaat en ook niet heeft bedacht waar het in werkelijkheid bij den Modus vivendi om gaat.
Of doet het niet eigenaardig aan, als men leest dat de eenvoudige gemeenteleden Farizeërs genoemd worden, als ze niet willen aanvaarden wat Prof. V. hen voor zet?
En doet het niet vreemd aan als heel de kwestie van het als partijen saam wonen vergeleken wordt met het houden van een concert in een Kerk (waartegen de gereformeerden juist altijd bezwaren hebben.)?
Is het zich laten organiseeren van de moderne-gemeente-kerk met moderne prediking, moderne sacraments-bediening, waarbij de modernen de volle rechten verkrijgen van wege de Herv. Kerk, nu ook maar één oogenblik te vergelijken met het afstaan van een Kerkgebouw voor een of twee avonden in het jaar door de Kerkvoogden aan een Zangvereeniging of aan een Zendingsvereeniging of aan een Schoolvereeniging?
Immers neen!
Waarbij zeker voor de modernen en voor de ethischen, die dan afzonderlijke Kerk-gemeenten zullen vormen vreemd in de ooren zal klinken, als heel hun kerkelij k-godsdienstig leven en handelen genoemd wordt: „eeae godsdienstige lezing houden".
Mag men zoo de dingen „en bagatelle" behandelen ?
Wat we evenwel de grootste moeilijkheid" vinden bij dit voorstel van een modus-vivendi?
't Is dit, dat de hooggeachte Schrijver gemeente-kerken wil in 't leven roepen Voor de gereformeerden, voor de ethischen en voor de modernen, waarbij de modernen bovenmate geprezen worden, waarbij van de ethischen niet veel gezegd wordt, maar waarby dan meer dan eenmaal wordt gedecreteerd, dat er geen enkele confessioneel «noch gereformeerde in de Herv. Kerk is die voldoet aan den maatstaf die moet worden aangelegd. Ze moeten allen de Herv. Kerk uit; onver biddelijk ; want geen enkele is' zuiver op de graat
We zouden zeggen: waarom dan nog moeite gedaan als gereformeerd man voor een Modus-vivendi ?
Er zijn toch geen gereformeerden in de Herv. Kerk!
Een kinderloos echtpaar gaat toch geen nieuw huis bouwen voor hun kinderen die er niet zijn? •
Is het hier niet èl te veel: l'eglise c'est moi?
Gelukkig dat ten slotte toch de gereformeerden en de confessioneelen nog bij elkaar gestopt worden. Hebben die dan zooveel gemeen, dat ze saamwerking moeten zoeken en op saamwonen zijn aangelegd? Meent men dat? Dan moet dat ook nu reeds onder de oogen gezien worden!
Ook door Prof.
Of wil men ze bij elkaar onder dak brengen opdat ze zich ongelukkig zullen schelden en zich dood zullen vechten ten spot van de ethischen en de modernen, die dan bloemen zullen strooien op het graf en de erfenis va^ hun verongelukte broeder vroolijk kunnen deelen?
We wilden voor een lief ding, dat Prof. Visscher de bezwaarden een weinig beter mocht verstaan, de tegenwoordige toestanden een weinig anders mocht beschouwen en voor de toekomst andere plannen mocht maken.
Waarom moeten we elkander nu zoo misverstaan ?
Waarom moeten we met het hoofd tegen den muur gaan loopen ?
Waarom moeten we elkander zoo weinig waardeeren en vertrouwen?
Waarom pakken we hetgeen we hebben en krijgen kunnen niet liever met dubbele krachten aan, dan dat we 't geen we hebben gaan verbreken met uitzicht, dat we niet krijgen, wat nu met geweld naar voren geschoven wordt ?
De vijanden spinnen er garen bij en de goede zaak lijdt er schade door.
En dat mag toch niet?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's