De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Als nu Zijne discipelen, Jacobus en Johannes dat zagen, zeiden zij : Heere, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelgk ook Elia heeft gedaan ? / Maar Zich omfeeerende bestrafte Hij ze en zeide: ij weet niet van hoedanigen geest gij zijt; Want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden.-En zij gingen naar een ander vlek. Lukas 9 : 54—56.

Valsche geestdrift.

Toen de Heere Jezus, zooals uit den samenhang der boven geplaatste woorden blijkt. Zijn aangezicht richtte om naar Jeruzalem te reizen, ondervond Hij de gevolgen van den haat tusschen Joden en Samaritanen. Wel lag van die wederzijdsche verbittering de oorzaak het allermeest bij de Joden, wijl zij geen gemeenschap wilden houden met de Samaritanen. En gekrenkt als deze laatsten waren door zulk eene minachting en versmading, welde er ook uit hunne harten wraak en vijandschap op.

Er was dan ook niemand die den Heere Jezus met een welkomstgroet in zijn woning ontving, niemand in dat vlek die Hem en den Zijnen een nachtverblijf aanbood of Hem iets gaf waarop Hij het hoofd zou nederleggen.

Nu wisten de Samaritanen niet Wien zij verwierpen. De koninklijke grootheid van dezen Persoon, die gastvrijheid vroeg, was hun zelfs niet voor het kleinste gedeelte bekend. Hij was een hen en hunnen godsdienst verachtende Jood. Daarom hebben zij ook Hem verstooten. Voor hun snood gedrag tegenover den Heiland ligt hierin veel verschooning, maar toch blijkt ook hieruit hoe in der menschen samenleving veler wachtwoord is: „oog om oog en tand om tand", hoe ver de mensch is verwijderd van het koninklijke woord van den Zaligmaker: „doet wèl dengenen, die u haten, zegent die u vervloeken." Waarlijk, de liefde, die alle dingen verdraagt, alle dingen bedekt, vindt in het door de zonde verwoeste hart geen plaats voor het hol van haren voet.

Zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem. De meest schrille tegenstelling is hier door het Goddelijk oog aanschouwd. Die reis toch had tot doel te sterven den dood der verzoening, opdat alzoo eeuwige zielsrust zouden ontvangen zij, die van nature geneigd zijn God en den naaste te haten. Welk een wondergroote zondaarsliefde woonde in Christus! Welk een edele geest bezielde Hem, ook toen Hij aanklopte aan der Samaritanen deur! Gelukkig als wij de warmte Zijner liefde kennen en de schuilplaats Zijner genade, eene beschutting voor degenen die zoo diep schuldig staan tegeüover alle wetten van 's Heeren Koninkrijk.

Maar hoe maken het de discipelen, bij de behandeling hun Meester aangedaan ? Weten zij de hand op den mond te leggen en Gode te zwijgen ? Neen, het is er verre van af. Johannes en Jacobus, die bij hun uitzending met den schoonen naam Boanerges, zonen van den donder, door den Heere Zelf zyn betiteld, toonen dat er ook nog wel onheilig vuur kan branden in hun hart; dat er ook in hunne ziel geen liefde ontvonkt, maar dat wrevel en wraak zich ophoopen in hun binnenste, totdat op het laatst de uitbarsting komt. Zij zullen eerst stil geweest zijn, alsof zij" de grievende beleediging met gelatenheid droegen. Maar het was als de stilte die aan den donder voorafgaat. Alleen God zag in hen het woelen der onheilige geestdrift. En als de laatste deur voor hunne oogen wordt toegeworpen, ontlast zich hun overkropte ziel in de woorden: „Heere, wilt Gij hebben dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft? " En in plaats dat zij met eene helklinkende stem het land der Samaritanen deden weergalmen van het geklank van eeuwige barmhartigheid, zooals het geluid van den donder hemel en aarde vervult, hebben de bewoners van dat vlek uit den mond der discipelen niet anders gehoord dan woorden van, vuur en van verslinding.

Natuurlijk was er bij hen wel groote achting en eerbied voor hun Meester in het spel. Zij waren toch tegenwoordig geweest bij de verheerlijking op den berg, zooals Lukas ons.in hetzelfde hoofdstuk vermeld. Dat diezelfde Christus nu zoo vernederd werd, wilden zij niet verdragen.

Zij hadden ook een groot vertrouwen in 's Heeren macht. Hij behoefde maar een wenk te geven en verslindend vuur zou nederdalen. Dat de God van Elia nog leefde, was hun innige overtuiging. Het was misschien wel ongeveer in deze zelfde landstreek dat 's Heeren profeet twee keer de mannen gezonden door Ahazia deed verteren door hemelvuur. De herinnering aan Elia was levendig. Zijn voorbeeld had voor hen groote waarde.

Maar toch zijn deze hunne overwegingen niet in staat om de ernstige bestraffing van den Heere Jezus hun te doen ontgaan: „Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijtl"

Vergeleken met Elia, waren de - omstandigheden nu toch geheel anders. Ahazia, de kranke koning, had openlijk den Naam van Israels God aangerand, door boden naar den afgod van Ekron te zenden, die om genezing smeekten. En dat nog niet genoeg 1 Door den mond van Elia zegt de Heere aan Ahazia dat hij sterven zal. In plaats nu van zich te verootmoedigen, zendt hij zijn legermacht om Elia te doen zwegen. Daar was welbewust een dubbele openbare beleediging van 's Heeren souvereiniteit. Dat was toch heel iets anders dan de zonde dezer Samaritanen, die in hun onwetendheid Christus verwierpen.

Bovendien wat God in Zijn vrig macht en wijsheid vroeger deed, daaraan zal Hij steeds gebonden zijn.

Maar wat hier vooral niet uit het oog vaUe, in het hart der discipelen ging iets om dat niet weinig verschilde met wat Elia bezielde. In dezen Godsman gloeide de meest teêre liefde voor den Naam van Israels God. Maar bij deze discipelen heeft gekrenkte hoogmoed alle andere overwegingen overschaduwd. Hun eer was ook aangeroerd. Zij waren getroffen in hun eigen voorstellingen van den Christus. Het was voor hen pijnlijk een door anderen verachten Christus te volgen, hg Wien zij zoo gaarne op Thabors hoogte, omringd als Hij was door heerlijkheid, waren blijven wonen. Zoo waren zij zelf aangetast in hun eer.en gekoesterde idealen en in die mate verbitterd dat zij de vernietiging dezer Samaritanen begeerden, wanende dat zg God en den hemel, Elia en diens ijver aan hunne zijde hadden. Geen wonder dat het bestraffende woord hun tegenklonk dat zulk een geestdrift, zulk eene bezieling den Heere allerminst behaagde.

„Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt." Ook ons betaamt het onszelf van deze woorden rekenschap te geven in onzen ijver voor de zaak en den Naam des Heeren. Er is maar al te vaak vreemd vuur op het altaar. En welk een gruwel dit in de oogen des Heeren is, toont ons de ontzettende dood van Nadab en Abihu, zonen van Aaron, die op een andere wijze vuur in den tabernakel brachten dan het hun bevolen was. Zij stierven, getroffen door het hemelvuur, op datzelfde oogenblik. Het is een waarschuwend voorbeeld voor allen wier bezieling in het heilige niet opkomt uit het geloof. Waarlijk, .de discipelen maakten zichzelf het verderf waardig dat zij voor anderen begeerden.

Er is zoo weinig zeKverloochening onder degenep die den Naam van Christus noemen. Dat er velerlei verschil is onder de menschen in idealen, karakters, gaven en talenten, heeft God Zelf gewild. Dat er ook een breede scheidingslijn is tusschen het rijk dezer wereld en de erve der genade is met de hand op Gods Woord niet te weerspreken. Dat zy, die naar Gods Waarheid willen leven, niet samen kunnen gaan met hen die van het beginsel des eeuwigen levens zich afwenden, spreekt vanzelf. Wat de kinderen Gods liefhebben, wordt door de kinderen dezer eeuw vertreden. En omgekeerd, de schatten van het natuurlijke hart worden schade en drek geacht door ieder die de uitnemendheid van Jezus Christus leerde kennen. Bij zulk diepgaand verschil zal botsing en strijd niet uit kunnen blijven. Hierbij komt dat de Heere elke vleeschelijke hoogheid veroordeelt. De Laodicensen worden om hun lauwheid gedreigd dat de Heere ze uit Zijn mond zal spuwen. Er zal wrijving zijn, worsteling om de eere van God, voor 's Heeren Koninkrijk, voor de Waarheid, voor de Zending.

Maar zou het hierin niet vaak ontbreken aan den liefdedrang van den apostel, als deze schrijft: wij bidden u dan als van Christus' wege: , , laat u met God verzoenen"? Als wij de minste maar wilden zijn!.... Als wij zelf maar de laagste plaats wilden kiezen!.... Niet om het recht en de waarheid uit gemakzucht prijs te geven, maar wel om ons zelf daarin te verloochenen Maar tegen dit laatste verzet zich ons hoogmoedig hart. En in plaats dat wij dan alleen Gods Waarheid op den troon verheffen en zelf aan de voetbank de nederigste plaats innemen, willen wij zelf op den troon.

Geen wonder dat wij dan ons in onze ingebeelde majesteit maar al te spoedig gekrenkt gevoelen. En het gekrenkte hart dorst naar voldoening. Hoe zou er dan plaats in ons wezen voor 's Heeren woord: „Bidt voor degenen die u geweld aandoen"? Onmogelijk! Alles wat in het hart is, worstelt er tegen in, wijl het Kaïns woord den drang onzer natuur bezielt: ben ik mijns broeders hoeder? Wij gevoelen ons zelf geslagen, waar men 's Heeren Waarheid sloeg! En we treuren meer om het eerste dan om het laatste. Men heeft God verworpen, maar wij hebben een gevoel alsof men ons verwierp. In onze gekrenkte eerzucht nestelt zich de haat; zij neemt steeds grooter plaats in, als de Heere het niet verhoedt; eindelijk slaat zij hare breede vleugelen over ons uit. En dan gaat het hard tegen hard! De ongetemde verbittering stort zich uit in breeden vloed! En dat van menschen die onder de schoonste banier strijden! Al komt het niet op de lippen, in de gedachten van het booze hart wordt dan toch het vuur des hemels gewenschtdat de tegenstanders zou verslinden! En dat van menschen die keer op keer het hoorden, duizendmaal het lazen, telkens er over spraken dat de weg van vernedering, van kruisiging des vleesches de beste is! Wat is er door het oog des Heeren in ons binnenste ontdekt van die schoone klanken en heerlgke woorden? Hoevleeschelijk kan de mensch zijn, bij het hanteeren van geestelijke wapenen! Vreemd vuur laait knetterend en vlammend om-JxQOg! - Maar ..het is den-Heer© een-gruwel. Valsehe geestdrift vuurt al onze krachten aan! Maar de walm van ons naar eer en voorspoed jagend hart stijgt op in 's Heeren neusgaten. Onheilige bezieling doet ons woorden spreken en dingen doen waarom de menschen óns prijzen. Maar hiermede hebben wij dan ook ons loon weg. God prijst ons niet. En bestraffend keert zich het woord van Jezus ook tot ons: „gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt."

De Heere laat niet na om op Zichzelf te wijzen als op de onuitputtelijke bron van de gaven des Geestes, om dan ook het groote verschil te toonen van wat uit God is en wat uit den mensch komt. „De Zoon des Menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden." Onuitputtelijk rijke uitspraak! Het ware te wenschen dat wij in smartvol schuldgevoel, in waarheid en oprechtheid, ons verootmoedigden voor den Heere, om onze vleeschelijke gezindheid en hoogmoedig hart, wij zouden deze verkondiging van den Zoon des Menschen, in al haar welluidendheid, hooren, ons brengende de meest vertroostende sprake. Wij volgen Hem in onze gedachten, daar gaande van vlek tot vlek, van stad tot stad. De Zoon des Menschen had niet waarop Hij het hoofd kon nederleggen. Hij droeg de smarten der hel; Zijn laatste rustplaats was een vloekhout. En dat, opdat Hij Zijn Gemeente uit de • diepte der verlorenheid zou redden, om menschen-zielen te behouden, die in verderfenis en ondergang waren. Dit was het verheven doel Zijner komst.

Zeker, Zijn komst zal velen tot een oordeel wezen. Hij werd gezet tot een val en opstanding veler in Israël. Omdat de Heere Jezus Zich aan de wereld der menschheid niet anders aanbiedt dan door Zijn kruis, het hout dei schande, stoot zich de natuurlijke mensch'daaraan. Er is in Zijn verschijning geen grootheid dezer wereld, die aantrekt! Geen naam, geen eer is bq Hem te verkrijgen. Er daalt geen vuur neer dat de tegenstanders verslindt. Wat men effect noemt, wordt door Hem, noch door Zijn Evangelie gemaakt. Daarom is Hij een rotssteen der ergernis, Zijn, Woord den Griek een dwaasheid Ja, dan zal het oordeel dergenen die Hem verwierpen, zwaar wezen, wijl de mensch de hand ophief tegen de openbaring van 's Heeren eeuwige liefde.

' Maar niemand zegge dat dit ontzettende verderf dat velen wacht, Christus' doel is. Wie zou dat durven volhouden, als hij let op de stroom van zegeningen, op de dringende vermaning die dagelijks tot hem komt, op de lieflijkste noodiging om in tij ds naar den Heere Jezus te vluchten, op de gave van Zijn Woord. Het wordt ons allerwege toegeroepen: Ik ben gekomen om der menschen zielen te behouden.

Wat dunkt U, zouden wij dan niet leeren veel te verdragen van wat anderen ons aandoen, als wij met schaamte verstaan hoeveel de Heere in Christus van ons verdragen wilde? Zou er dan geen geduld in ons geboren worden, geen lijdzaamheid, bij de wetenschap van het eindelooze geduld Gods met onze zonden ? Christus gaf Zich voor Zgn haters in den dood. Hoe oneindig ver staan wij van zulk een hef de af. Hoe diep moet God met Zijn ontferming tot ons nederdalen-^ea •ons-haat'dragendhart ^ met Zijne liefde te verwarmen.

Gelukkig als .Zijn onpeilbaar diepe liefde hemelsch vuur in ons deed ontvonken. Als d& n de Zoon des Menschen buiten vele deuren gesloten wordt en men allerwege zegt: hier is geen plaats voor U, geen plaats voor TJw Woord, zal onze ziel het vuur des hemels daarover niet afsmeekeii, want hoevele keeren heeft zich een ieder onzer dan den toornengloed des Heeren wel waardig gemaakt. Door deze dingen te verstaan zullen Johannes en Jacobus hun naam, Boanerges, met eere dragen. Zij zullen met heilige geestdrift spreken, met de warmte van eeuwig liefde-vuur getuigen! Hun stem zal de stem van Gods Woord wezen, dat als de dóndér dreunt over de gansche aarde, maar ook als de donder zegent. Zij zullen zonen van den donder zijn. en in plaats dat zij vuur des verderfs voor anderen wenschen, zal de liefde van Christus hen dringen om genade en vertroosting te smeeken voor hen die midden in de dood liggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's