Natuurbeschouwing Onzer dorpsbewoners.
Het maandblad „De Schatkamer" is sinds korten tijd een rubriek „Psychologie (zielkunde) van het Nederlandsche volk" rijk, welke staat onder leiding van ds. J. Beks, Herv. Predt. te Westeremden (Gr.). In die rubriek wordt o.a. op dit oogenblik behandeld de vraag „welken indruk maakt de natuur op de bewoners van het platteland? " Verschillende predikanten hebben daarover hun ervaringen ten beste gegeven.
Zoo vinden we in het Septembernummer van dat blad „Een brief uit Groningerland" welke naar ons oordeel ook voor onze lezers wel zóó interessant zal zijn, dat we haar hieronder afdrukken.
't Was op een mooien zomeravond, dat ik dan met een be vrienden jongen boer langs zijn velden zou gaat'. Ik had hem gevraagd alles graag eens te willen zien en in die belangstelling verheugde hij zich merkbaar. We kuierden eerst over enkele stukken groenland, praatten over de duurte van 't vee, over den prijs van de schapenwol, over 't geknoei in den handel en kwamen zoo al pratende bij 't bouwland. Toen kwam mijn vriend in een andere stemming. Hij had een paar mooie stukken vlas, wit bloeiend en wees er met welgevallen naar; vertelde dat er al kooplui waren geweest, maar dat ze 't over den prijs nog niet eens raken konden. „Wat pakt hem nu? " dacht ik, „het mooie gewas of 't vele geld dat er mee verdiend kan worden? " Ik wou 'them niet opzettelijk vragen, maar kon uit z'n houding zelf ook antwoord vinden. We wandelden verder. Een stuk witte haver. „Dat staat niet mooi, " zei m'n vriend, „veel te dun!" „Ja, daar krijg je niet^ zooveel geld voor." „Neen dat zeker niet" — en 't gezicht betrok wat—„maar 'tis^ ook vervelend om er alle dagen voorbij te loopen; je hebt er je best op gedaan en dan mislukt het nog' en je weet zelf niet waarom." Ik kreeg nu den indruk, dat niet alleen veel geld verdienen, maar het mooie gewas op zichzelf een echten boer goed doet en dat hij toch niet heelemaal van schoonheidszin beroofd is. Ik zei dit niet, maar wel bleef ik staan en verklaarde: Het verwondert mij, dat onze boeren zoo weinig godsdienstig zijn. Jullie verkeert eiken dag in Gods wondere werkplaats, je ziet zijn daden in je korenvelden zich openbaren; je staat er zoo betrekkelijk afhankelijk tegenover. Als boeren met mekaar zoo langs 't land loopen, praten ze dan nooit eens over Gods werk in hun werk? "
De jonge boer kreeg om z'n lippen een fgn lachje en in z'n oogen een flikkering, alsof hij wou zeggen: Daar lieb je de dominé — maar in werkelijkheid zei hij: „neen, daarover praten we nooit Ik heb tenminste nog nooit over die dingen hooren spreken, als we langs 't land liepen om alles te bezien." „Doe jij 't dan ook nooit ? " vroeg ik en nu met opzet om te weten wat hij zeggen zou; want hij was orthodox en vaak de eenige boer die de bid-en dankstonden voor 't gewas bij woonde. „Nee nooit; dat wil niet." En toen ik mijn verwondering over dat zwijgen uitte en vroeg, hoe of hij dat uegeeren van God in boerengesprekken over hun gewassen verklaarde, kreeg ik zoo ongeveer dit te hooren: „Ik denk, dat het heel veel aan de landbouwscholen ligt. Daar wordt feitelijk alle gedachte aan God gedood. Niet opzettelijk bestrijden ze daar godsdienst, maar altijd worden we daar gewezen op wat wij kunnen doen met die grond en met die kunstmest en voor die gewassen. Dat wordt er in gestampt en dan denk je gewoonlijk niet dieper na. Wie dat wel doet, omdat hij godsdienstig opgevoed ia, denkt nog wel eens: wie heeft die krachten dan in den grond en in de meststoffen gelegd om juist die gewassen het best te doen gedijen — maar och, die dingen komen zoo dagelijks niet bij ons op." En hij trok wat met z'n schouders, alsof hij zich verontschuldigen wou: we zijn nu eenmaal niet anders! — We wandelden verder; we bekeken de andere gewassen; we praatten er net over zooals boeren dan gewoon zijn te doen en eerlijk gezegd begreep ik, dat het ook werkelijk niet gemakkelijk is voor een dorpeling in onzen tijd om Gods werk in z'n dagelijksche bezigheden te zien en te bewonderen, maar dat de kiemen voor deze sterkende levensbeschouwing wel ter dege in veler harten nog voorkomen.
't Was ongeveer een week later. We hadden bezoek van een zeer gegoeden boer en z'n vrouw. Hij was onder „Afgescheidenen" groot geworden, maar had zich later bij de Hervormde Kerk aangesloten en wil liberaal zijn. Ik meld dit met opzetter beoordeeling van 't volgende. Na een poosje gepraat te hebben in de huiskamer zouden we eens even den tuin doorwandelen. We kregen een gesprek over enkele noodige reparaties aan de pastorie en kwamen bij de bessenstruiken in de buurt van een mooie tamme kastanje, die juist bloeide. Zonder dat ik ook maar iets over dien boom sprak, ja er niet eens naar keek, wendde de boer zich plotseling van mij af, bleef enkele oogenblikken bewonderend naar de kastanje opzien en liet zich toen zóó gaan: „Och, och, wat 'n prachtige boom, hoe lang moet dat duren voor die zoover komt? " Hij wou blijkbaar, getroffen door de schoonheid van die breed getakte kastanje, zelf er ook één planten. Ik kon hem niet vertellen, wanneer die boom in de pastorietuin was gezet, maar zag met genoegen dat onze gast onze dunne witte pluim in z'n hand nam, die bekeek en even licht zijn hoofd schudde. „Wat mooi toch!" „Ja, " zei ik, de natuur zit wel vol wonderen; zoo mooi kunnen wij menschen 't niet maken en ik zou zeggen, dat we bij nadenken wel van een almachtig God moeten spreken, " Ik kreeg geen antwoord. Die wending in 't gesprek beviel schijnbaar niet. Maar ik wou niet ophouden en vertelde, wat ik hierboven reeds geschreven heb en dat het mij zoo verwonderde, dat boeren zoo weinig met God rekenden in hun arbeid, die toch zoo veelvuldig van zijn zegen afhankelgk was. Hij keek me aan, zweeg een oogenblik alsof hij dacht: zal 'k zeggen wat er in mij omgaat? en openbaarde toen 't volgende: „Wij denken wel eens aan God. Maar 'k heb 't land aan menscheji, die altijd over zegen en straf praten als je 't mee of tegenloopt. Als een stuk mislukt zeggen ze dadelijk met een vroom gezicht: ja, we moeten wel eens gestraft worden — êls 't heel best gaat met de oogst: Gods zegen is toch maar alles. Van dat geklets moet ik niets hebben. Aanpakken moet je, je best doen en dan maar afwachten. Dan mislukt het nog wel. 'k Heb nou tenminste een stuk tarwe; dat stond er zoo mooi voor en een paar dagen geleden komt er versterf in. Waar ligt dat nou aan ? 't Moet toch ergens aan liggen, Aan vreterij in den grond of aan insecten in 't koren of wat dan ook. Nu moet je niet zeggen: God doet dat; God wil je straffen, maar je moet zoeken naar de oorzaak, misschien kun' je die dan wegnemen." Wesr keek de boer mij aan; nu wist ik dan hoe hij er over dacht. „Je hebt gelijk, " zei ik tot hem. „Aanpakken, doorzetten, nadenken, oorzaken opsporen dat moeten we, maar is 't niet een reden tot dankbaarheid aan God, dat wij de krachten hebben om dat te doen; om te werken in een bodem en met kunstmest en puike graansoorten waarin allerlei noodige levenskrachten schuilen. Die waren er al in. Die hebben wij er niet ingemaakt. Wij maken slechts gebruik van wat God reeds gaf." „Ja, " zei hij, „als je dieper nadenkt stoot je steeds weer op God — want, dat vraag ik mij deze dagen ook wel weer af: waarom komt dat versterf nou juist in dat mooie stuk tarwe van mij en niet in dat van mijn b\|.urman; gaat het mg te veel voor den wind, moet ik weer een klap hebben? " „Misschien wel; misschien moet je leeren, dat het leven met God iemand ijverig, trouw en onderzoekend maakt, maar ook klein, ootmoedig en dankbaar." „Ik weet het niet, " zei hij wat onverschillig, maar ik keek hem om die minachtende woorden niet boos aan. Ik dacht bij me zelf: ook die liberale boer is niet zonder schoonheidszin en in hem leven ondanks allerlei opgedane moderne denkbeelden, nog wel ter dege de kiemen van een sterkend geloof in een God, die „alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons doet toekomen, " (Overgenomen uit De Westfriesche Kerkbode)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's