De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Tijdschriften.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Tijdschriften.

7 minuten leestijd

In De Schakel (I, 9), orgaan van den Godsdienstig-Democratischen Kring geeft Prof. Dr. H. Th. Obbink te Utrecht een geschiedkundig overzicht en eene zakelijke beschouwing over ))het Theologisch Hooger Onderwijs*. Hij gaat terug tot 1876, betreurt de gebeurtenissen te Amsterdam in 1894 en in de laatste maanden. Stel, zegt hij o.a., dat de theologische faculteit in eene andere werd opgelost. »Wat zou daarmee veranderen? Dan zouden voor de Hervormde Kerk twee wegen open staan: iste de Seminarieopleiding voor de a. s. predikanten in den trant van de Theologische School te Kampen, en 2e de bepaling dat de a. s. predikanten aan de Universiteit in de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte bepaalde colleges zullen volgen en bepaalde examens doen, ongeveer dezelfde die ze nu ook doen, terwijl de Kerk voor de eigenlijke kerkelijke leervakken eenige docenten benoemt. Het is meer dan waarschijnlijk dat de Hervormde Kerk den tweeden weg kiezen zou. En men zou ïich, als die regeling aan 't werk was, van weerskanten verwonderd afvragen wat groote dingen nu eigenlijk met de iiafschaffing« der theologische faculteiten bereikt zijn? Ja, toch één ding: de bevoorrechte positie die de Hervormde Kerk in art. 154 der H. O.-wet inneemt zou verdwenen zijn. Maar die positie is een onderdeel van de verhouding tusschen den Staat en de Nederlandsche Hervormde Kerk, wat een nieuw bezwaar oplevert voor een partieel ingrijpen, maar tegelijk verklaart de richting die de Amsterdamsche actie nam. De Hervormde Kerk stelt er prijs op dat hare predikanten aan een universiteit studeeren, en niet in een hoekje worden grootgebracht. De plaats die de Hervormde Kerk inneenrt in ons nationaal maatschappelijk leven gedoogt niet anders. Het is niet alleen haar omvang, die haar tot volkskerk stempelt. En als zoodanig heeft zij en hebben ook hare predikanten, een speciale taak. Was dat alleen een kerkelijk belang, dan had de Regeering er zich niet naar te richten. De Staat heeft voor zijn eigen belangen te waken, niet voor die der Kerk. Maar men behoeft geen kerkist te zijn om te meenen dat de Staat zijn eigen belangen het best behartigt als hij zorgt dat de voorwaarden voor een deugdelijke universitaire opleiding van predikanten aanwezig zijn. Dat geldt niet alleen de Hervormde Kerk (al geldt het haar als de invloedrijkste het meest), maar ook de kleinere kerkgenootschappen, die zich wat de opleiding hunner predikanten betreft concentreeren om de Amsterdamsche Universiteit. De houding der elkaar opvolgende regeeringspersonen rechts(ch) en links(ch) zou doen gelooven dat ook in regeeringskringen de groote beteekenis der kerken voor ons volksleven wordt gevoeld en dat men daar niet gemakkelijk iets doen zal waardoor aan die beteekenis afbreuk wordt gedaan. Maar er zijn teekenen die er op wijzen, dat met name voor de Hervormde Kerk van rechts(ch) gevaar dreigt. De plannen die daar worden gesmeed zijn noch in het belang der Kerk, noch in het belang van ons volk*.

Troffel en Zwaard (XIX 4) laat in de eerste plaats afdrukken de lezing door ds. J. W. Verschoor te Poortvliet, gehouden voor den Predikanten. Vriendenkring in Zuid-Holland te Rotterdam op 27 September 1915. Het onderwerp is »Rome in de Gereformeerde Kerks. Hij bedoelt dat de piëtisten in vierderlei opzicht »het spoor bijster zijn geraakt: i. het piëtisme vat het geestelijk leven al te individualistisch op; 2. het brengt tot een geloofsleven zonder den Christus; 3. het gaat uit, ; in zijn critiek op een ongeestelijk Christen, dom, van een onzuivere kerkidee; 4. het huldigt eene naïeve zielkunde*. Het opstel eindigt aldus; »Aan het bevel tot bekeering noch aan de prediking des Evangelies hebben zij niets. Daar kunnen zij niets mede doen. Dat brengt hen eer achteruit dan vooruit. Daar zijn zij al overheen. Neen, als de Heere maar wil, dan zijn ze zóó geholpen. Als de Heere maar toetreedt, dan zijn zij zóó gereed om Hem te ontvangen. Och! mocht dat nog eens gebeuren! Och! of de Heere, in Zijne verkiezende genade, hen toch eens uit de duisternis mocht voeren in het licht. Zij zouden zoo gaarne willen. Maar zij zijn onmachtig. Zij kunnen nu eenmaal niet. Op zulk een wijze wordt dan door deze lieden een spel gespeeld zoowel met hunne zonden die zij steeds overvloediger maken als met de genade Gods in Christus, die zij verachten en versmaden, terwijl zij den Raad Gods verwerpen ter behoudenis van zondaren en goddeloozen in den Zoon, dien Hij zond, om de leer van verkiezing en verwerping te maken tot een dekmantel voor hun zondig eri eigenwillig bestaan. En terwijl zij zich niet van ganscher harte willen bekeeren, bekennende dat zij ongeloovigen zijn, onwaarachtigen die den Waarachtige tot een leugenaar maken, niet geloovende de getuigenis, die God heeft getuigd van Zijnen Zoon, geven zij heimelijk God de schuld, dat zij nog van binnen de oude, onbekeerde zondaren zijn, die zij zijn«. Het volgende artikel is geschreven door ds. W. Th. Boissevain te Wilhelminadorp (classis Goes) en getiteld Over het eschatologisch karakter der Bergrede*.

De redacteur, dr. P. J. Kromsigt, zet »de leer van Vinet aangaande Kerk en Staat* uiteen. Het stuk wordt vervolgd. De XXIIste »brief van Ignotus* behandelt de modus vivendi, den invloed van professor Gunning, het verschil van tolereeren en legitimeeren toegelicht met België, gereformeerd kerkrecht, de volkskerk-idee en den oorlog, de befaamde opheffing van de theologische faculteit te Amsterdam, enz.

— In het Gereformeerd Theologisch Tzjdschri/i (XVII, 6) schrijft dr. A. Noordtzij te Utrecht over »een Babylonisch Scheppingsepos .> '« Na mededeelingen gedaan te hebben van de verschillende fragmenten van kosmogonieën bij opgravingen te Ninevé en omstreken, wordt de inhoud der verschillende »kleitafeltjes« medegedeeld. Ten slotte volgt de vergelijking met Genesis i en eene beoordeeling: «Waarom men het dan toch Babels scheppingsepos heeft genoemd.? Om het op één lijn te kunnen stellen met Genesis i en het te kunnen voorstellen als de bron, waaruit het bijbelsche scheppingsverhaal is voortgekomen. En zeker, er zijn punten van overeenstemming tusschen beide. Zoo de voorstelling, dat aan de vorming van den kosmos het bestaan eener chaotische oerstof voorafgaat, waarin water het hoofdbestanddeel is geweest.

Het zou verwonderlijk zijn indien het anders ware. Israël en Babel zijn uit dezelfde kuituurwereld voortgekomen. Het volk des Ouden Verbonds leefde in den semietischen gedachtengang... Neen, de Godsopenbaring heeft, toen ze Israël maakte tot het centrum harer heilswerking, dit volk niet losgemaakt van het levensmilieu waaruit het opkwam, het niet voorzien van levens-en godsdienstvormen, welke bij andere volkeren niet werden aangetroffen. De zich openbarende God heeft zich wat den vorm betreft aangesloten bij Israels denkwijze en wat den inhoud aangaat bij Israels bestaanswijze«. Ds. C. Lindeboom te Amsterdam doet eenige mededeelingen over de uitgave van Zahn's Kommeniar sum Neuen Testament sedert sedert 1903, welke nu op enkele deelen na voltooid is. Hij geeft dan het volgende betoog; »Dat aan Zahn zulk een goede ontvangst werk bereid (verschillende deelen zijn nu reeds herdrukt) is voornamelijk te danken aan zijn behoudend standpunt. Deze scherpzinnige vorscher houdt de echtheid vast van vrijwel alle boeken des Nieuwen Testements. Hij staat op het fundament van apostelen en profeten en strijdt voor het geloof dat eenmaal den heiligen is overgeleverd. Wel kunnen wij hem ons vertrouwen niet schenken zonder eenige reserve. Want Gereformeerd is hij niet. En dit komt, behalve in zijn Schriftleer, gedurig voor den dag. Zijn werk draagt een Luthersch cachet. Maar we zijn nu eenmaal' geen Gereformeerden commentaar rijk, en het is zeer de vraag, of die zich binnen korten tijd laat verwachten. Daarom kunnen we niet anders dan er ons over verblijden dat Zahn ons dezen commentaar heeft geschonken*. Dr. J. Jansen te De Bildt voltooit zijne schets over Tertulliarius en bespreekt diens beteekenis voor de theologie. Ds. J. C. Rullmann deelt mede wat vroegere jaargangen van de Synodale Handelingen, Standaard, Heraut en Hervorming berichten over pogingen om te geraken tot een modus vivendi, in 1873 tot 1886 aangewend. Hij acht de resultaten van toen beter dan die van de Utrechtsche hoogleeren, die blijkbaar, zegt hij, niet eens kennis hebben genomen van hetgeen toen is bedacht. Dit laatste bericht sluit hij met: "Sapienti sat«!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Tijdschriften.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's