De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Openb en Bijz. Onderwijs.

In de N. Prov. Groninger Courant lezen we het volgende stukje in betrekking tot de verhouding van Openbaar en Bijzonder Onderwijs, vol van interessante cijfers.

't Luidt als volgt: Wij kregen eerst de wet-Mackay, toen de wet-Kuyper, ook den arbeid van het ministerie-Heemskerk. Daarbenevens ook iets van 'tministerie-Pierson-Borgesius. Maar nu is het wel eens goed de cijfers te vergelijken van hetgeen het openbaar onderwijs uit de publieke kassen ontving met wat het bijzondr onderwijs kreeg. Het zal dan blijken, dat een gedeeltelijk recht-doen de verhouding niet beter maakte, waaruit dus volgt dat alleen volkomen gelijkstelling het onrecht kan wegnemen.

Van deskundige zijde ontvingen wij een reeks cijers, die wij hier wenschen mede te deelen.

In 1885 werd voor elk kind op de openbare school uit de publieke kassen gegeven f 25, 69. Daarbij zijn gerekend de kosten van toezicht enz. Stellen wij die onkosten over 't aantal kinderen omgeslagen op f 2, 50, dan blijft de uitgave voor elk kind op de openbare school f 23, 19. Voor een kind op de bijzondere school werd toen geen centime gegeven. Wij willen nu in vier kolommen van cijfers naast elkander zetten: a. het jaartal, b. wat per kind uit de publieke kassen gegeven werd voor de openbare school, c. wat per kind uit de publieke kas werd gegeven voor het bijzonder onderwijs, en d. wat het openbaar onderwijs per kind meer ontving.

Jaartal. Openb. O. Bijz. O. Meer v. h. Openb. O, 1895 f 23, 19 f o f 23, 19 1905 » 31, 36 » 7, 90 » 23, 46 1906 » 33, 33 » 7, 97 » 25, 36 1907 » 35, — » 16, 14 » 18, 86 1908 » 37, 84 » 16, 46 » 21, 38 1909 » 42, 70 » 18, 13 » 24, 57 1910 » 40, 61 » 18, 46 » 22, 15 1911 » 42, 38 » 19, 19 » 23, 19 1912 » 44, 69 » 19, 66 » 25, 03 1913 » Si> 32 » 21, 17 » 30, 15

Beziet men dit lijstje opmerkzaam, dan bemerkt men dat de verhouding na 1905 dadelijk ongunstiger wordt. In 1907 begint de wet Kuyper te werken. De verhouding wordt beter. Maar ontvangt het bijzonder onderwijs iets meer, de openbare school haalt haar weer in en dit verschil wordt van jaar tot jaar grooter, zoodat wij in 1911 weer precies zoover zijn als in 1895. Voor elk kind op de openbare school wordt f 23.19 meer betaald uit de publieke kassen, dan voor elk kind op de bijzondere school.

In 1912 is het verschil veel grooter en in 1913 wordt voor elk kind op de openbare school reeds f 30.15 meer betaald dan voor een kind op de bijzondere school.

De verhouding is dus ongustiger, dan toen de subsidieering begon.

En hoe staat het nu met de verhouding van den groei der scholen?

Wij zullen een tweede lijstje van cijfers overleggen, waaruit blijken zal, hoe ondanks het ongunstig verschil, waarop het eerste lijstje wijst, de bijzondere school veel sterker groeide dan de openbare, die ondanks den aanwas der bevolking ongeveer dezelfde bleef.

In de eerste kolom geven wij het jaartal, in de tweede het aantal der kinderen op de openbare school, in de derde het aantal kinderen op de bijzondere school, en in de vierde kolom het procentcijfer, waarmee de openbare school, wat het aantal kinderen aangaat, de bijzondere overtreft. Wanneer wij zeggen, dat de openbare school de bijzondere overtreft met 100 pet. bijv., dan beteekent dit, dat als de bijzondere school 100 kinderen heeft, de openbare er 200 heeft.

aartal 1885 1905 1906 1907 1908 1909 1910 1911 1912 1913 1914 0. S. 432, 312 566, 464 567, 764 564.445 563, 187 563, 438 562, 824 563, 047 562, 867 562, 125 564.314 B. S, 161, 344 278, 632 289, 351 302, 305 316, 088 328, 208 341, 218 353, 547 365, 887 381, 081 394763 'tpCt. meer 167, 9 pCt 103, 3 » 96, 2 » 86, 7 » 78, 1 » 71, 6 » 64, 9 » 59, 2 » 53, 8 » 47, 5 » 42, 9 »

Men ziet dus het procent, waarmee de openbare school de bijzondere overtreft, telkens daalt. Er moet een tijd komen, dat deze cijfets gelijk zijn. De financieele gelijkstelling zal aan dit feit hoogst waarschijnlijk weinig veranderen. In elk geval blijkt, dat de suprematie der openbare school de daling niet tegenhoudt.

In Christus geheiligd.

Naar aanleiding van een vraag of men op de eerste doopvraag met zekerheid »ja» antwoorden kan, schrijft Ds. C A Lingbeek in de Gereformeerde Kerk het volgende :

Die eerste doopvraag luidt aldus:

Hoewel onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom aan allerlei ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen zijn, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen? »

De moeilijkheid bij het beantwoorden van deze vraag, die inzender op het oog heeft ligt, naar wij vermoeden in die woorden, dat die kinderen in Christus geheiligd zijn.

Dat woord geheiligd zijn kan men op tweeërlei wijze verstaan.

Er is een onderwerpelijk geheiligd zijn en een vgorinerpelijk geheiligd zijn.

Onder oiiderwerpelijk geheiligd zijn verstaan wij dat iemand innerlijk door den Heiligen Geest, Die hem met Christus vereenigt, aan zijn leven is deelachtig geworden; in een woord, dat hij door den Geest des Heeren is wedergeboren tot een nieuw leven.

Onder een voorwerfelijk geheiligd zijn verstaan wij, dat iets of iemand door menschen of ook door God zelf is afgezonderd van andere hem gelijke voorwerpen of personen en alzoo is toegewijd aan God en aan zijn dienst.

Onderwerpelijk of innerlijk geheiligd zijn alle oprechte geloovigen. Zij zijn door een oprecht geloof met Jezus Christus vereenigd en daardoor ook aan Zijnen Geest deelachtig geworden.

Voorwerpelijk geheiligd zijn allen die door God den Heere op eenigerlei wijze zijn afgezonderd van de wereld tot Zijnen dienst; hetzij doordat Hij ze in Zijn verbond heeft willen begrijpen; hetzij dat Hij ze met een heilig ambt heeft willen bekleeden.

Onderwerpelijk geheiligd waren dus Abraham en Izaak en Jacob en David en Petrus en Paulus en alle waren kinderen Gods.

Voorwerpelijk geheiligd waren het geheele besneden volk Israël en onder de nieuwe bedeeling allen, die door huwelijk of geboorte tot de Kerk Gods behooren. (Denk aan de tekstwoorden uit den brief aan de Corinthiërs: »de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man, » enz.).

Nagenoeg allen die onderwerpelijk geheiligd waren, waren ook voorwerpelijk geheiligd, want immers verreweg de meeste geloovigen zijn lidmaat geweest of geworden van Gods Kerk onder de oude of nieuwe bedeeling.

Maar lang niet allen, die voorwerpelijk geheiligd waren, waren ook innerlijk geheiligd.

Want Handelingen 1 : 17a lezen wij van Judas Iskarioth dat hij "met ons was gerekend.» Hij was dan ook door den Heere Jezus zelf bij zijne zichtbare kerk gevoegd, hoewel wij achterna kunnen verzekerd zijn, dat hij nooit waarachtig was tvedergeboren.

In denzelfden toestand verkeerden ook een Ananias en Saffira en een Simon de toovenaar.

En van zulk een bloot-voorwerpelijke heiliging lezen wij ook in Hebreën X:29, waar gesproken wordt van menschen, die den Zone Gods vertreden hebben en het bloed des Nieuwen Testaments hebben onrein geacht, waardoor zij geheiligd waren, en den Geest der genade smaadheid hebben aangedaan; en evenzeer lezen wij daar, dat die lieden eenmaal, ten jongsten dage blijkbaar, een zwaar oordeel zullen ontvangen.

Kortom, de kring der voorwerpelijk-geheiligden sluit die der onderwerpelijk geheiligden in zich, maar de eerste is veel veel wijder dan de tweede.

• Ook is er dit onderscheid: an den eersten kring en die ertoe behooren zijn wel vele voorrechten en beloften geschonken, (Romeinen III: en 2 en Handelingen 1:39), maar de zaligheid is er niet onafscheidelijk aan verbonden. Dat is wèl het geval met den tweeden kring.

Wanneer wij nu nogmaals de eerste doopvraag onder de oogen zien en het geheiligd zijn, waarvan dan sprake is, opvatten in een onderwerpelijken zin, ja dan is het moeilijk om die vraag bevestigend te beantwoorden.

Zullen wij het openlijk durven verklaren, dat wij vast gelooven, dat al die te doopen kinderen nu reeds innerlijk geheiligd zijn en dus bij het opgroeien ook zullen blijken ware geloovigen te zijn, en dat zij dus allen ook zalig zullen worden.

Wij mogen het hopen; wij mogen er om vragen ; zekerheid hebben wij in deze echter niet. De uitkomst bij vele anderen, die vroeger reeds gedoopt werden, schijnt ons ook geheel andere dingen te leeren. In één woord: in dien zin van onderwerpelijk geheiligd te zijn komt ons die eerste doopvraag voor moeilijk bevestigend beantwoord te kunnen worden.

Maar nemen wij nu de uitdrukking sgeheiligd zijnd, in de andere, voorwerpelijke, beteekenis, dan valt die moeilijkheid geheel weg.

Heeft God de Heere niet zijn verbond opgericht ? Zijn degenen, die in dat verbond begrepen zijn, juist daardoor niet afgezonderd van de wereld en geroepen tot de kennis en de vreeze des Heeren ?

Noemt de Heere zelf in zijn Woord de kinderen, die in zijn kerk geboren zijn, niet kinderen, die Hem toekomen ?

Immers door Ezechiel roept Hij het afkeerige Israel van die dagen verwijtend toe: ïVoorts hebt gij uwe zonen, en uwe dochteren, die gij mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven (dat is den afgodsbeelden) geofferde.

(Ezechiel XVI:30). 't Is dus aan geen twijfel onderhevig, of die kinderen, die in de gemeente geboren zijn, zijn den Heere geheiligd.

Maar dan is 't ook gansch niet onmogelijk of bezwaarlijk om de eerste doopvraag in volle verzekerdheid met een "ja« te beantwoorden.

Onze opvatting van de eerste Doopvraag, die wij hierboven gaven, is niet altoos door allen gehuldigd.

Zooals bekend is, heeft reeds in de 17de eeuw de vrome Ds. van Lodensteyn bezwaar gemaakt om de eerste doopvraag onveranderd aan de ouders voor te leggen.

Hij veranderde haar dan in dezer voege: »0f gij niet bekent dat zij, in Christus geheiligd zijnde, behooren gedoopt te wezen.

Hij verstond onder het geheiligd zijn van de Doopvraag een geheiligd zijn in een onderwerpelijken zin.

En daar hij nu zelf van zulk een geheiligd zijn van alle kleine kinderen niet overtuigd was en ook aan de Doopouders de verklaring niet wilde ontlokken, dat zij ervan overtuigd waren, vroeg hij hun bloot of zij niet erkenden dat hunne kinderen mits dat zij geheiligd waren, dat is wedergeboren, behoorden gedoopt te worden.

Hij doopte dus wel alle kinderen der gemeente, maar hij deed dat alleen omdat hij niet wist en ook niet in staat was om uit te maken welke van die kinderen dl en welke niet wedergeboren waren.

•Maar eigenlijk kwam naar zijne meening de Doop alleen toe aan de in onderwerpelijken zin geheiligden, dat is aan de reeds wedergeboren kinderen.

Dat is echter naar wij meenen de bedoeling van de Doopvraag niet. De doopvraag bedoelt dat de Doop is voor alle de voorwerpelijk geheiligde kinderen, dat is voor alle kinderen, die tot het verbond behooren. om het even of zij reeds al of niet onderwerpelijk geheiligd zijn.

Daarmede wordt geenszins ontkend, dat de Doop alleen waarlijk nut zal opleveren voor die kinderen, die later ook waarlijk zullen deelachtig zijn, wat in den Doop hun beteekend werd, n.l. de afwassching van al hunne zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus.

Zij zullen wat in den Doop beloofd was in den geloove aanvaarden, en voor dat geloof zal de Doop een pand wezen.

Niettemin, God heeft 't zoo gewild, dat ook die kinderen, die later helaas niet zullen gelooven, zich niet zullen bekeeren, en dus zullen blijken onwedergeboren te zijn en te blijven, nochtans als voorwerpelijk geheiligd of afgezonderd, door den Doop iii de Christelijke Kerk zullen worden ingelijfd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's