De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther en de Hervorming.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther en de Hervorming.

16 minuten leestijd

De tijd vóór de Reformatie.

De Apostelen hebben voldaan aan het Woord des Heeren: „Gaat dan henen, onderwijst al de volkeren, dezelve doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat Ik U geboden heb."

Zonder buidel, zonder male zijn ze uitgetrokken, bizonder Paulus, de apostel der heidenen, het uitverkoren vat van dien God, die naar Zijn vrij machtig welbehagen spreekt en het is er, gebiedt en het staat er.

En door hun heengaan en hun onderwijzing en hun leering zijn, ouder den zegen des Heeren, duizenden tot God bekeerd, zoo in Kl.-Azië als in Europa, belijdende: de zaligheid is door het geloof in Jezus Christus, die van God gegeven is tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing.

Maar de Kerk des Heeren werd reeds vroeg door allerlei dwalingen besmet, die als rook opstegen uit den afgrond.

Zeker, vele van die dwalingen werden door de Kerkvergaderingen tegengesproken en menig dwaalleeraar werd uit de Kerk verbannen, doch ook vele dwalingen vonden ingang onder de menschen en langzamerhand werd de leer Kerk zóo verdonkerd, dat door de gewone leden waarheid en leugen niet meer te onderscheiden waren.

Vooral de macht van dé priesters ova de zonden te vergeven werd erkend; daarbij achtte men het een ding van groote waarde goede werken te doen, waardoor men de zaligheid kon verkrijgen; waarbij de aanbidding van de heiligen kwam, inzonderheid van de maagd Maria — en eindelijk de leer van de mis en het vagevuur.

Hoe zou ooit de Kerk van die leugenleer verlost worden en hoe zouden de zielen weer worden voorgesteld aan de ware leer naar Gods Woord en gesterkt door de reine bediening der Sacramenten, door Christus ingesteld?

Er was niet veel hoop op.

Want ja, tal van mannen zijn opgestaan om tegen de leugens te protesteeren; tal van geloofshelden hebben weer gesproken van het eenige middel, dat voor arme zondaren is gegeven tot zaligheid n.l. Jezus Christus ek dien gekruisigd.

Maar de éen na den ènder is gedood met het zwaard, gesmoord in den rook, verkoold in de vlammen, omdat de Paus, de stedehouder van Christus te Rome en de geestelijkheid die hem als opperste Heer en Gebieder eerde, niet duldden didX aan de eere van Petrus' opvolger zou worden afgedaan.

Uitwendig scheen alles zoo schoon. De bedehuizen waren zoo prachtig, dat ze als van zelf tot een bezoek noodigden. Met kunstenaarshanden was de zoldering. beschilderd; beelden van heiligen, omhangen met kostelijke gewaden en kostbare edelgesteenten, sierden de wanden en de pilaren; de altaren schitterden van goud en heerlijkheid; groote orgels vervulden de grootsche gebouwen met hun heerlijke tonen; — alles was even fraai en schitterend.

Maar 't uiterlijke was als dat van een gepleisterd graf— en het innerlqke was vol dood en verderf.

Hoor slechts éen lied dat gezongen werd ter eere van de maagd Maria.

Het luidde:

„De Heere heeft tot Mijne Lieve Vrouwe gezegd: zit, Mijne moeder, aan Mijne rechterhand!

Gij hebt lust in goedheid en heiligheid, daarom zult Gij met Mij regeeren.

Op Uw heilig hoofd staat de Kroon der onsterfelijkheid, wier schittering en glans niet uitgedoofd wordt.

Vrouwe, ontferm U mijner! Moeder van licht en glans, stort ons uit Uw schatten wijsheid Gods in, kennis van schranderheid en een voorbeeld van tucht 1"

Eene vrouw Gode gelijk gemaakt!

Grooter heiligschennis is schier niet denkbaar.

En het stond in verband met heelde vereering en aanbidding van de heilige Maagd en met heel de vereering en aanbidding der heiligen.

In 1140 was „het feest der onbevlekte ontvangenis van Maria" ingesteld en in 1477 werd een aflaat geboden aan hen, die dit feest eerden, terwijl met een pauselijken vloek werd gedreigd wanneer men dit feest verachtte.

Het , Ave Maria" besloeg in den rozenkrans een zeer voorname plaats.

Een deel daarvan luidde: „Wees gegroet, o Koningin, Moeder der barmhartigheid; ons leven, onze vreugde, onze hope. Wees gegroet I o, onze voorspreekster. Wend Uwe oogen vol barmhartigheid tot ons en geef ons Jezus, de gezegende vrucht van Uw schoot te aanschouwen, o lankmoedige, vrome, zoete Maagd Maria!"

Door den bisschop van Kleef werd bevel gegeven, dat tegen het invallen van den nacht een klokje moest worden geluid en dat de geloovigen, zoodra zij dit gelui zouden hooren, waar ze ook waren, in huis of op het veld, aanstonds moesten knielen en het „Ave Maria" moesten bidden.

En de paus voegde daaraan toe, dat ieder, die in vrome aandacht daaraan voldeed en driemaal geknield tot de Heilige Maagd bad, een aflaat van tien dagen zou ontvangen.

Zoo werd aan Maria een eere toegekend, die alleen aan den eenigen Borg en Zaligmaker Christus Jezus toekwam.

Zoo werd de ziel verwezen in een weg, waar geen vrede te vinden is met God, geen verzoening van de zonden, geen uitdelging van schuld, aangezien de Heere een God van gerechtigheid is, die Zijn eere aan geen schepsel geeft en al de zaligheid heeft geopenbaard in Sions Borg en Middelaar Jezus Christus, wiens bloed reinigt van alle zonden.

En vooral in den beeldendienst kwam die grove dwaling en misleiding hoe langer hoe meer uit.

De aandacht werd gevestigd op een beeld van een anderen heilige.

Eerde men dit beeld, dan was het genoeg voor de zaligheid.

Zoo had men in De Lier, dicht bij Delft, een beeld van St. Joris.

Eenmaal per jaar werd dat beeld uit de kerk gehaald, op een troon geplaatst en, begeleid door priesters, monniken, koorknapen en schoolkinderen, die vaandels, waskaarsen en kruisen droegen, naar Delft gedragen.

Zingende werd de poort van Delft, die gesloten was, bereikt.

Men klopte aan de poort en de priesters zongen naar de •.woorden van Psalm 24:

Haalt, Vorsten! uwe poorten op, O, eeuwige deuren, gaat open, Opdat de Koning der eere inga!

Aan de andere zijde van de "poort, in de stad, werd onder begeleiding van muziek, gezongen:

Wie is de Koning der eere?

En aan de buitenzijde werd zingend ten antwoord gegeven:

De Heere, geweldig in den strijd!

Heft uwe hoofden op!

Haalt, Vorsten uwe poorten op!

Ontsluit u, eeuwige deuren!

Opdat de Vorst der eere inga!

Dan werd de poort plechtig geopend, het beeld, omringd van een groote menigte door de straien van Delft gedragen en na den rondgang weer teruggebracht naar De Lier, om daar weer tot het volgeifde jaar in de kerk te worden bijgezet.

Gruwelijke misbruiken dus in de Kerk, waarbij van een beeld gezongen werd alsof het een God ware. '

Terwijl de leer der vrije genade en het aanprijzen van Christus' bloed tot verzoening van de zonde niet meer werd gehoord.

Het ging niet meer om het geloof in den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker Jezus Christus, maar slechts om kerkelijke ceremoniën en plechtigheden, om menschelijke inzettingen en voorschriften.

En hoog boven dat alles troonde de Paus, die zich de opvolger van Petrus noemde, . de stedehouder van Christus hier op aarde, om al deze leugens te bevestigen en te vermeerderen, zielen misleidend tot hun eeuwig verderf, zelf badend in weelde, zelf botvierend aan de lusten van vleesch en bloed.

Wie zou hier verlossing brengen, nu de nacht zoo donker was?

Wie zou hier het licht ontsteken, dat naar Gods Heilig Woord is, om Sion te zijn tot een raadsman en der Kerke tot een losser?

Aan de Universsiteit te Parijs waren mannen opgestaan als Peter d'Ailly en Qerson, die, vooral door het schandelijk leven van de pausen en het ruwe optreden der priesters, er van overtuigd waren, dat er verandering komen moest in het kerkelijk leven. En zij verzwegen het niet voor hunne leerlingen aan de Parijsche Hoogeschool.

Zij drongen aan op reformatie „in hoofd en. leden"; zij toonden aan dat de paus en de gemeenteleden zich moesten bekeeren.

Maar het eigenlijke kwaad tastten zij in den wortel niet aan.

Tegelijk met hen traden ook op mannen als Johannes Wiclef in Engeland (f 1384), Johannes Huss in Bohemen (in 1415 verbrand), Hieronymus van Praag (in 1416 verbrand), Savonarola in Italië (in 1498 opgehangen en verbrand), terwijl ook de Rotterdamsche geleerde Desiderius Erasmus van zich liet hooren.

De atmosfeer is zwoel, drukkend, de lucht is verpest; reeds sedert eeuwen is de noodzakelijkheid eener hervorming gevoeld. De edelste geesten hebben die reformatie bepleit; elk volk van het Christelijk Europa kreeg z'n bloedgetuigen, wier conscientiekreet als een noodgeroep door .den donkeren nacht heeft weerklonken. Maar de Reformatie is niet gekomen; concilies, tot dat doel bijeengeroepen, zooals het concilie van Pisa (14€9), van Constanz (1414) en van Basel (1431), gingen ten slotte doelloos uiteen.

Door den tegenstand der pausen, die zich boven de concilies en boven de kerk stelden en hielden, werd ten slotte alles wat aanvankelijk besloten was, weer ijdel gemaakt.

En het concilie van Constanz heeft het helaas! niet verder gebracht dan een brandstapel op te richten voor Johannes Huss!

Zou dan het woord en het werk van „de gebroeders des gemeenen levens" als Geert Groote, Wessel Gansfort, Thomas ê, Kempis en Rudolf Agricola ijdel zijn?

Zou alles wat de geloofshelden Wiclef, Huss, Hieronymus en Savonarola hadden getuigd met den wind zijn weggevoerd en zonder uitwerking blijven?

't Scheen zoo.

Maar de Heere waakt over Zijn Kerk en Hij heeft het immers beloofd: de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.

En die belofte zou de getrouwe Waarmaker van Zijn Woord bevestigen.

't Was donkere nacht bij het einde van de 15de eeuw, toen de pausen Alexander VI, Julianus II en Leo X te Rome zaten op den stoel van Petrus en als een god troonden in de stad van de zeven heuvelen.

Méér dan schandelijk werden de menschen misleid in zake de vergeving van hunne zonden.

In het hart van ieder mensch, dat in zijn denken nog niet beneden het heidendom staat, leeft het bewustzijn van zijn schuld tegenover het Opperwezen. En ieder zoekt op zijne wijze bevrediging voor het drukkend gevoel van verantwoordelijkheid en onrust.

Nu leert Gods Woord, nu leerden de ' Apostelen en hunne getrouwe navolgers I op grond van dat Woord, dat de schuld . tegenover het Goddelijk Wezen alleen kan worden weggenomen, doordat de Heere zelf den schuldigen zondaar toerekent ^e gerechtigheid van den van God gegeven Borg, Christus Jezus; en dat bevrediging der ziele en wegneming van dat drukkend gevoel van schuld alleen in waarheid kan worden gekend in de gemeenschap aan die volkomen gerechtigheid.

Maar de zondige, verblinde mensch staat tegen die leer van vrije genade vijandig gekant. Hij wil veel lieyev zelve iets tot schulduitdelging toebrengen en dan .een helpenden zaligmaker daarbij gebruiken.

Dat kwam al tamelijk spoedig uit in de leer der schuldvergeving, die in Rome's Kerk ingang vond en die op het eind der 15de eeuw zóo schrikkelijk was geworden, dat hoe langs hoe meer mannen en vrouwen gingen voelen, d^t het hemeltergend en ziele verdervend was.

Reeds tamelijk vroeg werd in de Roomsche Kerk, waarvan de Paus te Rome het hoofd was, verkondigd, dat boetedoeningen en lichamelijke kastijdingen luoodig waren tot verzoening van een beleedigd Gö3, waarbij het woord der vergevng van den priester onmisbaar was.

Lodewijk de Heilige, Koning van Frankrijk, liet zich nu en dan met vijf ketentjes, die hij in een zilveren doosje altijd bij zich droeg, door zijn biechtvader op den rug slaan en was vaak niet weinig boos, als de slagen door den priester niet hard genoeg werden toegediend.

Was eerst de biecht niet verplicht, sedert het 4de Lateraansche concilie (1215) is dat anders geworden. Want toen gaf Paus Innocentius III (1198—1216) het bevel:

„Elk geloovige, van beiderlei kunne, zal, tot rijpere jaren gekomen zijnde, al zijn zonden aan zijn eigen priester, minstens ééns in het jaar, getrouw belijden en naar zijn vermogen trachten, om de hem opgelegde boete te vervullen, terwijl hij in elk geval op Paschen het sacrament des avondsmaals eerbiedig gebruiken moet, ten ware hij misschien, naar den raad zijns priesters, om een behoorlijke reden mocht goedvinden, zich van dit gebruik voor eenigen tijd te onthouden; anders zal hij bij zijn leven niet in de Kerk toegelaten worden en na zijn dood geen christelijke begrafenis bekomen. Deze heilzame verordening zal ddarom in alle kerken afgekondigd worden, opdat niemand een voorwendsel vindt in zijn onwetendheid; doch indien iemand om een rechtmatige reden aan een ander zijn zonden wil biechten, dan zal hij daartoe eerst verlof van zijn eigen priester verzoeken en bekomen, naardien de ander anderszins niet ontbinden of binden zal kunnen. Maar de priester zal behoedzaam en voorzichtig zgn, opdat hij, op de wijze van een bekwaam geneesmeester, wijn en olie in de wonde van de gewonde giete; hij zal zorgvuldig de omstandigheden des zondaars en der zonde navorschen, teneinde daardoor verstandige kennis te bekomen, welken raad hij hem geven en welke hulpmiddelen hij gebruiken moet, terwijl hij velerlei proeven neemt tot genezing van den kranke. Doch hij wachte zich, dat hg noöh door woorden, noch door eenig teeken, noch op eenige andere wijze, den zondaar verrade; maar indien hij wijzer raad behoeft, mag hij dien, zonder den persoon te noemen, bij een ander met vcjïrzichtigheid halen. Want die zich zou verstouten, om de zonde, hem in den biechtstoel geopenbaard, te ontdekken, dien bevelen wij, niet alleen van de priesterlijke bediening te ontzetten, maar ook, ten einde bestendige boete te doen, hem in een nauwe kloosterbewaring op te sluiten."

Na dit bevel van Paus Innocentius III werd de oorbiecht algemeen en werd de absolutie van den priester gelijk gesteld met de vergeving van God. Daardoor werd de macht van Rome's priesterschap over de gewetens der menschen al uitgebreider en werd de rijkdom van de dienaren der Kerk al grooter, want de absolutie werd niet verleend dan na het offeren van meer of minder geld. Maar daardoor werd ook de beteekenis der zonde voor 't bewustzijn verkleind en velen vervielen langzamerhand tot groote onverschilligheid in het bedrijven van 't kwaad door de gedachte: „éen biecht en we zijn er weer é, f!"

Hier kwam nog bij, dat de pausen de aflaten instelden.

Dat was een middel, door de pausen uitgedacht, om de menschen bij de vergeving van hunne zonden en bij het vervullen van de hun opgelegde boete te hulp te komen, als ze voor dien aflaat dan geld wilden geven voor de Kerk.

Van de 8ste tot de 12de eeuw gold als regel: „wie tot den opbouw of het herstel vart zékere kerk of van eenig bedehuis een bepaalde geldsom opbrengt, dien ontslaan wij in den Heere, van een derde of vierde deel der boeten, die hem ' opgelegd worden in den biechtstoel."

Paus Gregorius VII (Hildebrand) be-. loofde volkomen aflaat aan ieder, die tegen zijn vijand Keizer Hendrik IV de wapenen opnam.

Urbanus II kondigde op de kerkvergadering te Clermont af, dat allen, die ' aan de door hem opgeroepen kruistocht ' deelnamen, van alle boetedoeningen voor de zonden zouden ontslagen zijn.

Later kreeg ook een aflaat die geld ' voor den kruistocht gaf of een soldaat ' leverde, die in zijn plaats kon meegaan.

Bonifacius VIII (1294—1303) beloofde een allervolkomensten aflaat en vergeving der zonden aan allen die in het jaar 1300 de St. Pieterskerk bezochten en niet minder dan 200.000 vreemdelingen bezochten in dat eeuwjaar en de jaren die er opvolgden, de beroemde kathedraal te Rome, waarbij een enorme som gouds voor die kerk inkwam.

Paus Clemens VI gaf bevel, dat om de 50 jaar een jubeljaar zijn zou. En allen die dan naar Rome kwamen ontvingen vergeving van zonden. Alle levenden maande hij ernstig aan, dat zij van deze „hemelsche goedheid" gebruik zouden maken. Terwijl hij schreef: „wij bevelen de engelen in het Paradijs, dat zij de ziel van zulk een bedevaartganger, geheel vrij van het vagevuur, terstond in de heerlijkheid van het Paradijs zullen brengen."

Deze uitdrukking bewoog duizenden naar Rome Ie trekken. Het getal vreemdelingen, die van Kerstnacht 1349 tot Paschen 1350 Rome bezochten, wordt op 10 of 12 duizend geschat, en daaronder waren vele vorsten en vorstinnen. Het geld dat toen inkwam voor de Pieterskerk bedroeg nog 5-maal zooveel als in 1300.

Later, toen men een jubeljaar uitschreef om de drie en dertig jaar —• om zoodoende natuurlijk nog méér geld te krijgen, dan toen het om de 50 jaar was — viel dat tegen. De Paus ontving niet half zooveel als hij gehoopt had. Daarom bedacht hij een Einder middel.

Hij zond naar onderscheidene rijken, waaruit weinig bedevaartsgangers gekomen waren, monniken, om aflaten te verkoopen voor den prijs, dien een reis naar Rome zou kosten. En dat bracht weer honderdduizenden op voor de kerk, waaraan men reeds zoo lang bezig was en waaraan, men nog jaren werken zou.

Alexander VI, een der meest goddelooze pausen, voerde wéér een nieuwigheid in.

Hij bepaalde, dat ieder die in het jubeljaar 1500 Rome bezocht niet alleen voor zich zelf een aflaat zou krijgen, maar ook voor z'n geliefde dooden, die in het vagevuur waren.

Hij zeide: „Ingevolge de Goddelijke barmhartigheid en uit de volheid mijner Apostolische macht geef ik volkomen aflaat voor de zielen, die zich tot boete der straf in het vagevuur bevinden, wanneer de bloedverwanten, vrienden of andere geloovige christenen met godzalige oogmerken in de kist bij de St. Pieterskerk eenige aalmoes leggen tot den bouw dier kerk; deze aalmoezen gelden als een voorbidding of een volkomen ontheffing van de straffen der zielen in het vagevuur."

De pausen, die Alexander opvolgden, deden als hij of gingen nog verder, totdat ten slotte paus Leo X den gruweiijken aflaathandel organiseerde, welke half Europa uit den slaap wakker schudde, niet het minst door het werk van den Godsman Luther.

Wilt ge bewijs hoe schandelijk aflaathandel was? die

Lees dan deze aflaat eens:

„Onze Heere Jezus Christus erbarme zich over u!

Ik spreek U vrij op het gezag en de macht van den Heere Christus, van de zalige Apostelen Petrus en Paulus en van onzen Heer, den Paus, welk gezag mij verleend is, van èl uwe zonden, die gij ooit bedreven hebt, hoe groot zij ook zijn en ontsla U met een volkomen aflaat van alle straffen, die gij in het vagevuur zoudt moeten ondergaan en stel U weder in het bozit van de heilige sacramenten der Kerk en in de gemeenschap der geloovigen, zooals ook in den toestand der onschuld en reinheid, waarin gij tijdens uwen doop geweest zijt, in die mate, dat bij uwen dood de poorten vaii alle straffen voor u gesloten en de deuren van het paradijs voor u geopend zullen zijn. Zoolang gij leeft zal deze aflaat zijn volle kracht behouden, tot aan uw jongsten snik.

In naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen!"

Zoo werd de zonde ver-uitwendigd en eenvoudig tot een nulliteit gemaakt, 't Recht Gods werd te niet gemaakt. En dat deed de Paus, die karakterlooze ijdeltuit, geholpen door de priesters, die domme ganzen en luie buiken waren, niet 't minst geholpen door de aflaatkramers, die geldwolven en bandieten!

Maar ook hier geldt; „Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht, opdat Hij deed, gelijjc het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden" Gen. 50:20.

De Heere gedacht aan Zijn belofte: „de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen". En de ure was nabij dat duizenden de oogen zouden geopend worden voor het verderf van Rome om hen te doen wandelen in het licht.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Luther en de Hervorming.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's