De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

17 minuten leestijd

Alzoo stierf Mozes. Deuteron. 34 : 5a.

Een zalig sterven.

Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken. Wanneer gij in de geschiedenis des Bijbels geen vreemdeling zijt, dan weet gij wie dat woord eenmaal sprak Het was een woord van Agag, den koning der Amalekieten, die tegen het bevel des Heeren in, door Saul gespaard was geworden. Nu weten we dat dat woord in den mond van dezen Agag een leugen bleek. Immers dat de bitterheid des doods was geweken, dat was voor Agag niet waar. Integendeel, Saul mocht hem al gespaard hebben, maar toen Samuel kwam en toen Agag meende dat nu juist alle gevaar geweken was, is hij te Gilgal voor het aangezicht des Heeren in stukken gehouwen.

Toen Agag dus dacht dat de bitterheid des doods geweken was, toen heeft hij den dood in al zijn bitterheid ondergaan en toen is aan dezen tiran, die de vrouwen van^^haar kinderen beroofd had, de gerechte straf des.Heeren voltrokken.

De bitterheid des doods is geweken. O, wat zijn er een menschen in wier mond dat woord van Agag bok blijkt een leugen te zijn, die ook meenen dat zij, hetzij alleen voor den tijd of misschien ook voor de eeuwigheid rustig leven kunnen, en dan klopt vaak op zijn onverwachts de koning der verschrikking bij hen aan en moet de beker des doods in al zijn bitterheid door hen worden ledig gedronken.

Maar nu zijn er ook menschen die dat woord van Agag gerust bunnen overnemen, voor wien het werkelijk waar is dat de bitterheid des doods is geweken omdat de prikkel des doods voor hen te niet is gedaan. Zulk een man was Mozes, de knecht des Heeren, wiens dood ons in het laatste hoofdstuk van Deuteronomium beschreven wordt. — O, wat een leven van zorg en onrust en onvrede had hij achter zich; maar nu hij aan het eind zijner dagen was gekomen, zou het ook van hem gelden: let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn.

Nu treft het in de eerste plaats onze aandacht dat de dood dezen man Gods niet onverwacht «overviel. Integendeel Mozes heeft zijn dood zien aankomen; hij heeft hem verwacht; we kunnen zelfs zeggen: hij heeft hem verbei-d.

Juist daarin is er tusschen Mozes en de meeste menschen zulk «en machtig verschil. Immers in plaats van den dood te verbeiden is het met de meeste menschen zoo dat zij den dood zoo ver mogelijk wegdenken en dat zij er liefst maar niet eens aan herinnerd worden dat hij in aantocht is. In plaats van den dood te zien aankomen, trachten vele menschen zich voor den dood te verbergen en zouden zij liefst doen willen alsof de dood niet bestaat. Vandaar dat zoovelen door den dood ook als door een sehuldeischer overvallen worden. Zij hadden er gansch niet op gerekend, zij hadden er heelemaal niet aan gedacht dat de ruiter op het vale paard al zoo spoedig hun deur genaderd zou zijn, en dan op eens dan worden zij door den man met de scherpe zeis overvallen en zonder dat eenige toebereidselen gemaakt zijn moet dan de groote reis worden aanvaard.

Zoo echter was het met Mozes niet. De laatste vqand was geen vijand die Mozes overviel, zonder er op gerekend te hebben. Nu ja, zegt ge misschien, maar Mozes was ook zoo oud; hij was honderd en twintig jaar geworden, en had dus al zoo ver overschreden de grens van zeventig of tachtig die hij zelf in zijn 90en Psalm aan het menschelijk leven had gesteld. En zeker, 'tis waar, Mozes was oud van dagen geworden, maar hoe vele ouden van dagen zouden er zijn die al met den eenen voet in het graf staan en die dan toch nog leven alsof de tijd die hun nog rest eeuwig zal zijn. Bovendien moeten we niet vergeten dat Mozes wel oud was, maar dat de gebreken van den ouderdom hem blijkbaar vreemd waren gebleven. In den regel is dat met ouden van dagen niet het geval. In den regel gaan de wachters des huizes dan beven, gaan de sterke mannen zich dan krommen, gaan de maalsters dan stilstaan omdat zij minder zijn geworden. Inzonderheid als we zelf reeds op gevorderden leeftijd gekomen zijn, dan erkennen we dat de teekening die de Prediker van de gebreken van den ouderdom geeft, ook op ons van toepassing is. Maar van al deze gebreken was Mozes verschoond gebleven. Immers, „zijn oog was niet donker geworden en zijn kracht was nietvorgaan.''

En toch, aï waren de gebreken van den ouderdom voor Mozes dus geen voorboden van zijn naderend einde geweest, toch rekende Mozes er op dat weldra zijn laatste ure geslagen zou wezen. En weet ge nu hoe dat kwam? Dat rekenen met zijn dood was bij Mozes een viucht des geloofs. Immers de Heere had tot hem gezegd dat het aardsche Kanaan nooit door hem betreden zou worden. Gij weet wat daar de reden van was. Mozes' eigen schuld dat hij te Kades den Heere niet geheiligd had voor het aangezicht van Israels volk. Omdat Mozes daar tegen de steenrots had geslagen, in plaats van er tegen te spreken, daarom lag daar nu een rivier waar hij nooit over zou komen. Wel had Mozes nog; getracht om den Heere te verbidden, maar het onverbiddelijk bescheid des Heeren was geweest: Spreek mij niet meer van deze zaak. Mozes had dus begrepen dat er aan den Raad des Heeren geen veranderen was, en nu wist hij ook met gewisse zekerheid dat als weldra het volk dat hij aan Kanaans grenzen gebracht had, zijn voeten in den Jordaan zou gezet hebben, hij zelf dan reeds een andere rivier, n.l. den Jordaan des doods, doorwaad zou zijn.

En als Mozes nu door het geloof in Gods Woord wist dat weldra zijn laatste ure geslagen zou zijn, dan heeft hij daarmee gerekend. En hoe heeft hij daarmee gerekend? Hoe heeft Mozes de ure van zijn sterven verbeid ? Is hij misschien in stille mijmering gaan nederzitten? Heeft hij zich wellicht aan droef gepeins overgegeven? Heeft hg zich misschien beklaagd dat het rijke menschenleven nu reeds ten einde was? Of is hij zich misschien gaan vermgien in het zalig genot van wat het straks zou wezen als hij zijn hier gesloten oog in de oorden der eeuwigheid weer zou hebben opengedaan ? Neen, niets van dat alles. Integendeel, toen Mozes wist dat hij over enkele dagen geroepen zou worden voor den rechterstoel Gods, toen is de schrik hem niet om het hart geslagen en toen is hij niet waanzinnig geworden van angst. Maar hij is ook niet in gepeins gaan nederzitten en heeft niet bij zichzelven gedacht: nu ik maar zoo kort iju«& r hier op aarde ben, houd ik mij met niets anders bezig dan met het heil mijner ziel. "Want ziet eens, voor Mozes stond boven het heil zijner ziel nog iets anders, nl. de eere zijns Gods. Dit was voor Mozes de hoofdvraag van zijn leven geworden: hoe komt God aan Zijn eer; en met die eere Gods' stond, o zeker, ook het heil zijner eigene ziel, maar stond toch v( el meer nog het heil van zijn volk in het allernauwste verband. Daarom had Mozes ook zelf eens uit het boek des Heeren willen uitgedelgd worden, indien zijn volk dan maar behouden mocht worden. En vandaar dat bij het naderen van den dood het heil van zijn volk en daarin de eer van zijn God hem boven alles is ter harte gegaan.

Mozes heeft zoolang het dag was gewerkt, gewerkt aan een volk, dat hem telkens weer met ontrouw en ondank heeft bejegend, maar dat hij toch kende als het volk door hetwelk de lijn der genade werd voortgeplant en waarmee.de Heere dus Zijn verbond van kind tot kind bevestigen zou. In de 'laatste hoofdstukken van Deuteronomium kunt gij dan ook lezen wat Mozes, toen hij zijn einde zag naderen, nog voor het volk van Israël heeft gedaan. Denk, om slechts iets té noemen, aan Deut. 32, waar ons bewaard is gebleven dat schoone lied waarin Mozes als in zijn zwanenzang de trouw des Heeren bezingt, maar ook waarschuwt tegen de schrikkelijke ontrouw waaraan het volk zich zou schuldig maken. Denk aan Deut. 33 waar ons de zegen bewaard bleef waarmee Mozes de kinderen Israels voor zijnen dood gezegend heeft. Evenals weleer Jacob toen hij op zijn sterfbed lag zijne zonen tot zich had geroepen om hun zijne bevelen te geven, zoo heeft ook Mozes in machtige poëtische taal de stammen Israels bepaald bij het lief dat door hen ondervonden, maar ook bij het leed dat door hen gedragen zou worden. En wie kent niet dat aangrijpende slot van het lied waarin Mozes het volk waarvan hij scheiden gaat als 't ware aan zijn hart heeft gedrukt: „Welgelukzalig zijt gij 0 Israël, wie is u gelijk; gij zijt een volk verlost door den Heere, het schild uwer hulpe en die een zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uwe vijanden geveinsdelij k aan. u onderwerpen en gij zult op hunne hoogten treden, "

En zoo is Mozes dan eindelijk aan de grens van zijn leven gekomen. Nog enkele oogenblikken en dan zullen de laatste stralen van zijn levenszon zijn ondergegaan. Slechts nog één belofte zal eerst aan hem vervuld moeten worden. Op dè hoogte van Pisga geklommen zal eerst het aardsche Kanaan nog voor hem uitgebreid worden. Ziet hem daar staan op die eenzame plaats waar weldra de laatste snik door hem gegeven zal worden, — Maar waarom, zoo vraagt ge, moest Mozes nu eerst dat aardsche Kanaan nog zien? Was het nu niet veel beter geweest als hg dat land nu maar aan de Israëlieten had overgelaten en als hij in de laatste oogenblikken van zijn leven alreeds met zijne gedachten in het hemelsche Kanaan zou hebben vertoefd? Ach ja, zoo zouden wij misschien denken, wij die zoo vaak een scheiding maken tusschen het Kanaan des hemels en het Kanaan dat de Heere hier op aarde Zijn volk bereidt. Maar de Heere heeft blijkbaar anders geoordeeld, want Hij die wel onderscheid, maar nergens scheiding maakt tusschen de zaligheid die hierboven volkomen en die hier op aarde slechts in beginsel bestaat. Hij heeft Mozes eerst het aardsche Kanaan laten zien.

En zoo is dat aardsche Kanaan, waar zijn zonde hem buiten hield, voor hem een schaduwbeeld geweest voor de heerlijkheid die in het hemelsche Kanaan weldra door hem genoten zou worden.

Alzoo stierf Mozes. Nu weten we dat bij dat sterven van Mozes niemand tegenwoordig is geweest. O, dat is voor den natuurlijken mensch een vreeselijke gedachte. Immers als iemand sterven gaat, dan wil hij, althans wanneer hij nog bij kennis is, altoos gaarne dat zijn betrekkingen aan zijn sterfbed staan. Hij weet wel dat niemand hem kan vergezellen in het donkere dal van de schaduwen des doods; maar het schijnt toch voor een stervende altoos een verkwikking te zijn, wanneer hij in de laatste ure zijn hand nog kan leggen in de hand van iemand aan wie hij zich met nauwe banden verbonden gevoelt.

Alléén te moeten sterven, zonder dat er iemand bij is door de zeis van den koning der verschrikking geveld te worden, zie 'dat is een gedachte die menige ziel met ontzetting vervult. — Toch moeten we "niet meenen dat het sterven van Mozes, ook al was hij alléén met den dood, ook zoo bang is geweest. Integendeel, we behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of de dood van Mozes was aan alle bitterheid gespeend. — Eenerzijds mogen we dan ook niet kunnen zeggen hoe Mozes gestorven is, omdat de Heere, evenals zijn graf, ook de wijze van zijn sterven voor ons verborgen hield, — en natuurlijk daarmee zijn wijze bedoelingen had — maar anderzijds kunnen we wel zeggen dat het sterven van Mozes een zalig sterven is geweest, omdat ook zijn sterven een sterven was in het geloof in Christus. — Een andere weg was er immers ook voor Mozes niet om zalig te worden. Dus in dien zin dan is Mozes gestorven zooals een ieder van Gods kinderen sterft

Zeker, daar is ook te dien opzichte wat de bedeeling en dé trappen van genade betreft, verschil. Ook nu toch sterft de een van Gods kinderen zooveel gemakkelijker dan de ander. Daar zijn er — en niet zelden zijn dat degenen die in hun leven in het volle licht der genade gewandeld hebben — voor wie het in de ure van hun sterven betrekkelijk donker is. Als de zon des daags zoo fel heeft geschenen dan kan zij niet zelden bij haar ondergang achter de wolken verscholen zijn. Maar daar zijn er ook — en niet zelden zijn dat dezulken die in hun leven vaak in donker verkeerd hebben — voor wie in de ure des doods alle nevelen worden weggevaagd, zoodat zij niet zelden zingende ingaan in het Vaderhuis waar vele woningen zijn. En zoo zal het ook wel met Mozes zijn geweest.

Het sterven van Mozes is dan ook daarom een zalig sterven geweest omdat zijn oog gevest was op Hem, door Wien ook voor Mozes de dood tot overwinning stond verslonden te worden. Immers ook voor Mozes was de dood een vijand, zij het dan ook een vijand die te niet gedaan werd. Ook Mozes was van nature een zondaar, voor wien de toegang tot den boom des levens was afgesloten door een engel met een vlammend zwaard in de hand. — Ook Mozes had, bij ontdekkend licht des Heihgen Geestes, zich zelf zien liggen midden in den dood en hij, de man van de Wet, had het zeker meer dan iemand op den Sinaï leeren verstaan dat daar uit hem in der eeuwigheid geen vrucht gevonden zou worden die den Heere welbehagelijk was. Maar nu had diezelfde Mozes in het Pascha dat hij op bevel des Heeren ingesteld had een zinnebeeld gezien van het Lam Gods dat de zonde der wereld zou wegnemen; in het brandofferaltaar had hij een zinnebeeld gezien van het altaar der verzoening dat eenmaal op Golgotha zou opgericht worden. In de koperen slang had hij een schaduwbeeld gezien van den Zoon des menschen die eenmaal wel diep vernederd, maar daarna ook uitermate zou worden verhoogd, en door middel van al deze dingen had Mozes Hem gevonden, Wien te vinden het leven is. Ja, zoo was daar in het hart van Mozes een leven gewrocht, dat zelfs door den dood niet vernietigd kon worden.

Het was dan ook alleen door het geloof in den komenden Christus dat de bitterheid des doods was geweken en dat die anders zoo schrikkelijke dood voor hem een bode van vrede en zaligheid was. Wanneer gij dan ook aan Mozes, toen hij op Nebo stond, de vraag zoudt voorgelegd hebben of hij niet bang was om God te ontmoeten, dien God van de sterkte, van Wiens toorn hij toch met eigen mond had gezongen, en wanneer gij hem gevraagd zoudt hebben of het hem geen leed deed dat hij op aarde zooveel moest achterlaten, waaraan hg zich toch niet zulke hechte banden verbonden wist, dan denk ik dat dit het antwoord geweest zou zijn, dat hij u, zij het dan ook in anderen vorm gegeven zou hebben:

O, blij vooruitzicht dat mij streelt; Ik zal ontwaakt Zijn lof ontvouwen; Hem in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Zijn goddelijk beeld.

Alzoo 'stierf Mozes. Neen eigenlijk is Mozes niet gestorven. Mozes heeft, kunnen we zeggen, zijn eigen dood overleefd. Wellicht klinkt dat wat vreemd dat daar van een overleven van den dood gesproken kan worden. Niet waar, met ons natuurlijk verstand zouden we zöo zeggen dat dat onmogelijk is. Dan zeggen we: een mensch kan veel en velerlei overleven, maar zijn eigen dood overleven, we zouden haast zeggen, dat dit onmogelijk is.

En toch is er een volk waarvan het getuigd kan worden, dat het zijn dood overleeft, en onder dat volk neemt Mozes zeker een eereplaats in. Mozes stierf, maar voor hem was het sterven geen sterven meer en zoo geldt dus ook van hem, dat hij leeft, nadat hij gestorven is. Zelfs kan dit van hem getuigd worden in tweeërlei zin. In de eerste plaats in dien zin dat zijne gedachtenis, evenals de gedachtenis van lederen rechtvaardige, tot zegening was. Ach, met den persoon van Mozes is het gegaan zooals het met de personen van al Gods kinderen gaat. Eerst is over Mozes gerouwd; dertig dagen hebben de kinderen Israels hem in de vlakke velden van Moab beweend; maar toen de rouwtgd voorbij was, zijn de kinderen Israels ook zonder den persoon van Mozes verder getrokken en straks heeft Jozua hen het land der belofte binnengeleid.

Ook Mozes kon gemist worden en daaruit blijkt het alweer dat hier op aarde niemand der menschenkinderen onmisbaar is. Daar is niemand of wat zijn persoon betreft zal het straks van hem gezegd kunnen worden: men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer. Maar de naam van den rechtvaardige blijft in eeuwige gedachtenis en geldt dat van één naam, dan zeker van den naam van Mozes, den Middelaar des Ouden Verbonds.

Maar niet slechts wat zijn naam betreft, ook van Mozes zelf kan gezegd dat hij den dood overleefd heeft, n.l. in dien zin dat zijn ziel aanstonds na zijn sterven de heerlijkheid des hemels is binnengegaan. Van zijn lichaam lezen we dat het door den Heere zelf begraven is in een dal, waar het natuurlijk reeds lang vergaan is tot stof, maar de ziel van Mozes heeft — we behoeven er niet aan te twijfelen — van stonde aan een ingang gehad in die plaats waar Abraham, Izaak en Jacob reeds aanzaten aan de bruiloft des Lams.

O wat een overgang zal dat voor Mozes geweest zijn, niet waar? Van de woestijn zoo opeens in het Paradijs! Uit de omgeving van een vaak murmureerend volk in de omgeving der zalige engelen waar eeuwig gezongen wordt van de goedertierenheden Gods.

Ach, hier op aarde blijft het voor Gods kinderen — en was het dus ook voor Mozes gebleven — een worstelen met het lichaam des doods, een verdrukt worden door de wereld, een vervolgd worden door Satan, een bedreigd worden door de scherpe zeis van den dood. Maar in den hemel zal geen strijd, geen verdrukking, geen vervolging, zelfs geen bedreiging meer zijn. Daar zal niet anders dan gezongen worden het gezang van Mozes en het gezang des Lams en zal dus in volkomenheid vervuld worden wat de dichter eens zong: maar't vrome volk in U verheugd, zal huppelen van zielevreugd, daar zij hun wensch verkrijgen.

Gelukkig als dan ook uw en mijn stem in dat lied zich paren zal Wat dunkt u, zou daar reeds gegronde hope voor zijn? Neen, daar is nog geen hope op als gij nog gelijk zijt aan den rijken dwaas, als gij nog behoort tot hen die 't ruim genot der wereld voor hun heilgoed achten. Integendeel, dan hebt gij niet anders te wachten dan dat datgene waar gij 'uw betrouwen op stelt u straks onder de voeten zal wegzinken en dat de bittere beker des doods dan in al zijn verschrikking door u geledigd zal moeten worden. Om met Mozes te kunnen sterven, moet gij met Mozes hebben geleefd, moet gij den Heere hebben leeren kennen als een heilig God die te rein van oogen is dan dat Hij u in uw zonde zou kunnen zien, en moet gij uw vertrouwen hebben leeren stellen op dien Rotssteen, van wien Mozes heeft gezongen: Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is. Gods genade in Christus, dat was de grond waarop Mozes op den berg Nebo het moede hoofd heeft ter ruste gelegd en diezelfde genade wil de Heere ook aan u verheerlijken, wanneer gij als een in u zelf verloren zondaar aan Zijne voeten gekomen zijt.

Welgelukzalig als gij dat hebt ervaren en gij dus moogt gelooven dat als straks het angstig doodzweet van u leekt, het verzoenend sterven van Christus het rustpunt uwer ziele zal zijn. Ja, welgelukzalig als gij dan ook over Golgotha's heuveltop den bergtop van Nebo hebt mogen beklimmen en gij moogt dus mede behooren tot het volk dat bij het naderen van den dood kan zingen:

Bezwijkt dan ooit in bitt're smart Of hangen nood mijn vleesch en hart, Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's