Staat en Maatschappij.
De financiën in het geding.
Het wordt bij den dag duidelijker, dat, zoo niet op de een of andere wijze eene regeling getroffen wordt, 'van financieele gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs ingevolge het nieuw ontworpen artikel 192 der Grondwet in de eerste jaren niets komen zal.
Het groote argument, om de zaak te laten rusten, zal zijn, dat het geld voor de gelijkstelling ontbreekt.
Reeds nu verwijst men naar den toestand, waarin de financiën des lands later zullen verkeeren.
Als een bewijs van den weinigen ernst welkende heeren aan de linkerzijde met de uitvoering van artikel 192 zullen maken, , wanneer eerst maar artikel 80 als een rijpe vrucht in den schoot is gevallen, blijkt overduidelijk uit de rede, welke b.v. de leider der vrijzinnig-democraten, de heer Marchant, een van de op dit punt nog meest meegaande vrijzinnigen, in de Tweede Kamer hield.
Deze afgevaardigde herinnert aan hetgeen de Katholieke Staatsraad mr. Struijcken onlangs schreef, dat, waar over het volkomene en oprechte van de bekeering der linkerzijde in den schoolstrijd geen zekerheid bestaat, de rechterzijde te zorgen heeft, dat zij, komt de grondwetsherziening tot stand, in 1917 de meerderheid behale, zeide : „ Hier is dus een Staatsraad, die zich schijnt voor te stellen dat de Tweede Kamer, die een leven zal hebben van ten hoogste één jaar, naast de grondwetsherziening, ook de onderwijswetten kan behaudelen. Waar is de Minister van Financiën, die de 20 millioen of 30 millioen, die voor de uitvoering dier wetten noodig zullen zijn, op een achtermiddag op de tafel zal leggen ? Welke denkbeelden heeft men toch over deze zaak? Bet spreekt vanzelf, dat als de grondwetsbepaling tot stand is gekomen, men niet den volgenden dag de wetten als sequeel (gevolg) daarvan gaat invoeren."
De woorden van den afgevaardigde van Deventer laten hier aan duidelijkheid niets te wenschen over. Sprak ook de heer Ketelaar zich niet in denzelfden geest als zijn partijgenoot uit toen hij bij interruptie in de Kamer uitriep, dat het geld eerst bij de wet wordt gegeven. En kwamen ook andere leden der Kamer er niet rond voor uit, dat de millioenen en millioenen thans niet beschikbaar zijii.
Er bestaat zeker groote kans dat het met artikel 192 bij een belofte blijven zal.
Die vrees is niet verminderd, nadat de Minister van Binnenlandsche Zaken gesproken heeft. Integendeel heeft de Minister door zijn zwijgen over de financieele kwestie het uitzicht op eene inlossing der belofte nog verdonkerd. Het is dan ook meer dan ooit noodig dat de regeering zich, op het punt of het geld beschikbaar is, uitspreke.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's