Luther en de Hervorming.
Luther's optreden. (2)
Na de priesterwijding nam Lu'.herhet zeer streng op met zijn plichten als monnik en als priester. Maar des te menigvuldiger werden de aanvallen van angst over zijne zonden waarvan hij te lijden had en die zeker ook wel voor een deel in verband stonden met lichamelijke storingen en onregelmatigheden tengevolge van het kloosterleven. In zijn ziekelijken zieletoestand kon hij het naar zijn zin niet te streng opnemen met de duizenden voorschriften van het kloosterleven. Maar het gevolg was, dat hij telkens weer tot de ervaring kwam: „hoe langer wij ons wasschen, hoe onreiner wij worden."
Hij zelf heeft later van de vervulling van den orderegel, die hem zooveel kwelling veroorzaakte, gezegd: „een vrome monnik ben ik geweest en ik heb zoo streng mijn ordeplichten vervuld, dat ik zeggen mag, dat indien één monnik ooit in den hemel gekomen is door monnikerij, ik het zeker zou zijn; dit zullen al mijn kloostergenooten getuigen, die n' ij gekend hebben. Want als het langer geduurd had, zou ik mij zeker dood gemarteld hebben door waken, lezen en anderen arbeid."
Na de lange nachtwaken waardoor hij zich zeer aftobde om de booze geesten te verdrijven, door welke hij aangevochten werd, kwamen weken van slapeloosheid, een kwaal waaronder hij zijn gansche leven geleden beeft. Het vasten, dat hij vaak vele dagen lang volhield, leidde tot lichamelijke storingen, die hem later bijna tot vertwijfeling brachten. Om zijn vleesch te bedwingen, lag hij uren lang in de koude cel zonder bedekking en hij zelf is er later van overtuigd geworden dat hij in het klooster zijn gezondheid voor altijd verwoest heeft.
Ondanks dit alles vond hij den begeerden vrede niet en het heeft niet veel gescheeld of deze groote geest ware er geheel ten onder gegaan.
Gelukkig is zijn vicaris-generaal, doctor Johann von Staupitz nog te rechter tijd zijn redder geworden uit deze geestelijke ellende, waarin hij gevaar liep om te komen. Deze man met het opvallend schoone voorhoofd en de oogen vol geest jvas vriendelijk, welwillend en zorgzaam. Bij een visitatie van het Erfurter Augustijnerklooster werd hij op Luther opmerkzaam en met scherpen blik erkende hij de geestelijke waarde van den jongen asceet. Met fijnen tact wist hij invloed te oefenen op diens geestestoestand. Hij vermaande hem niet in eigen goede voornemens en in eigen verdiensten den vrede met God te zoeken, maar te steunen op Gods genade, vertrouwen te hebben in Christus, dien God heeft doen lijden tot verzoening van de zonde der wereld.
Het was de middieleeuwsche mystiek, die uit-Staupitz sprak en waardoor hij er in slaagde Luthers benauwdheden te bedwingen. Voor de eerste maal had Luther door Staupitz ervaren wat vaderliefde was en met oprecht kinderlijk vertrouwen sloot hij zich aan den ouderen vriend aan.
' Door Staupit7, die ook met Luther in briefwisseling trad, is Luther tot de erkentenis geleid, dat het Evangelie en inzonderheid de Paulinische brieven een gerechtigheid verkondigen, die ons door Gods genade geschonken wordt. Zijn zondeangst is bedaard, sedert Staupitz hem overtuigd had, dat de mensch uit zichzelf niets doen en niets verdienen kan, zoodat hij Gods liefde zou kunnen waardig zijn; maar dat de mensch door Gods genade als een zondaar, zonder de werken der wet, moet gerechtvaardigd worden in Christus, in welk geloof hij zal moeten leeren zich verblijden, wetende dat Christus genoeg gedaan heeft voor een-iegelijk die in Hem gelooft.
Zeker zijn voor Luther met de nieuwe overtuiging, die door Staupitz in hem was opgewekt, niet alle innerlijke aanvechtingen in eens opgehouden; maar zijn omgang met dezen man is van heilzamen invloed geweest op heel zijn verderen levensweg. Staupitz had genoeg ervaring om te begrijpen, dat de jonge monnik, om van zijn kwellingen bevrijd en zich van zijn eigen gaven bewust te worden, uit de Erfurter cel naar een andere lucht moest overgebracht worden en met een taak belast, die hem het leven wat meer genietbaar kon maken.
Daartoe bood zich eene gelegenheid aan op de Universiteit te Wittenberg, die in 1502 door den keurvorst Frederik den Wijzen van Saksen was gesticht, bij welke stichting Johann von Staupitz de voornaamste raadgever van den keurvorst geweest was. Op verzoek van den keurvorst had deze i'elf het theologisch decanaat van de nieuwe hoogeschool op zicli genomen en de keuze der professoren, die door Frederik werden aangezocht, hing voornamelijk af van zijn voorstellen. De keurvorst had voor zijn nieuwe Universiteit juist op Wittenberg, toen een héél klein stadje met nauwelijks 3000 inwoners en in een streek zonder eenige bekoring, het oog laten vallen, omdat er een nederzetting van de Augustijner orde was, waarmede hij reeds in aanraking was gekomen ten tijde zijner opvoeding. Aan die < rde hoopte Frederik steun te kunnen ontleenen voor zijn onderwijsinrichting.
Als leden van een 6ede^ orde konden de Augustijners voor de diensten, die zij als leeraar bewezen geen honorarium ontvangen. Om den toenmaals 25-jarigen Luther, wiens wetenschappelijke begaafdheid Staupitz met juisten blik had erkend, voor het leeraarsambt aan de Universiteit te winnen, plaatste hij, de vicarisgeneraal, dezen in 1508 in het Wittenberger klooster over.
Gelijktijdig met Luther werden, om de stichting van den Saksischen Keurvorst ten dienste te zijn, nog zes andere Augustijner monniken aan het Convent te Wittenberg overgeplaatst. In het eerst werd hem hier opgedragen colleges te geven over de dialectiek en de physiek van Aristoteles. Maar eeu gemoed, dat antwoord vroeg op de diepste roerselen des levens, kon op den duur geen voldoening vinden bij de toenmalige, zuiver '' formeele beoefening der wetenschap, i Nauwelijks was Luther op gang met de ' hem opgedragen voorlezingen, toen ' Staupitz hem op zekeren dag bij een onderhoud onder den pereboom in den kloostertuin het bevel gaf, deel te nemen aan de prediking. Op de meest sterke 'wijze opperde hij daartegen bezwaren; ! hij sidderde bij de gedachte den kansel ' te moeten bestijgen. Toen Staupitz van geen bezwaren wilde hooren, riep hij: „ Eerwaarde Staupitz, gij maakt mij dood, ik houd het geen vierendeeljaars vol." Maar hij moest zich, zij het dan met tegenzin, in gehoorzaamheid schikken ' en spoedig vond hij in dezen werkkring oen bron van vreugde en toen hij, door ziekte van een geestelijke, ook in de stadskerk voor een grooter gehoor den kansel moest bestijgen is hij zich van zijne begaafdheid voor het predikambt hoe langer zoo meer bewust geworden. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's