Luther en de Hervorming.
Luther's optreden. (4)
Zelf gebukt gaande onder den last der zonden, waarbij zijn ziele schreide tot God, was Luther er getuige van dat er met de aflaatbrieven allerlei kwanselarijen plaats hadden, waarbij de vergeving der zonden aan de menschen geschonken werd voor geld, zonder dat er berouw en boete geëischt werd. En dat werd hem ten slotte te machtig zoodat hij den Sisten October van het jaar 1517 de bekende 95 stellingen aansloeg aan de slotkerk te Wittenberg, omdat Luther er naar verlangde dat deze zaak onder theologen eens ernstig besproken zou worden.
Want het was Luthers bedoelen volstrekt niet zich af te scheiden van de Kerk; ook niet om de gehoorzaamheid aan den Paus op te zeggen. Neen, hij die in hart en.nieren Roomsch was, hij wilde slechts, diep verontwaardigd over de schelmstukken van goddelooze aflaatkramers, dat er over die schandelijke practijken eens gesproken zou worden en dat wederom aan de menschen de rechte boete en de behoorlijke biecht zou worden opgelegd voor hun bedreven zonden.
Dat het de spuigaten uitliep met dat verkoopen van de aflaatbrieven had een bizondere oorzaak.
We zagen al, dat de Paus deze handel had uitgedacht om er geld uit te slaan ten behoeve van de restauratie van de St. Pieterskerk te Rome; welke grootsche restauratie door Paus Julius II begonnen was en tot de beëindiging waarvan zijn opvolger Paus Leo X buitengewoon veel geld noodig had.
Maar daar in de buurt van Wittenberg speelde nog iets anders zich af. Want daar woonde Keurvorst Albrecht, , aartsbisschop van Brandenburg, die 30 Augustus 1510 ook tot aartsbisschop var, Maagdenburg en 9 Maart 1514 bovendien tot aartsbisschop van Mainz gekozen was en toen op 27-jarigen leeftijd alzoo 3 bisdommen in zijn bezit had. Dat was hooge uitzondering. Dat mocht ook eigenlijk niet volgens de kerkelijke wet. Maar Paus Leo X was Albrecht zeer vriendelijk gezind en voor geld is bij Rome veel te verkrijgen!
En veel geld had het Albrecht en zijn bisdom Mainz gekost om het zoogenaamde „pallium" *), dat de Pausen als teeken van de aartsbisschoppelijke waardigheid verleenden, te betalen. Er moesten 10000 dukaten in Rome worden neergeteld, alvorens het 3de bisdom aan Albrecht kwam; geen cent minder, want eigenlijk moesten het 15000 dukaten zijn, maar de Pausy was Albrecht bizonder goed gezind en daarom kon deze met 10000 dukaten volstaan. En om Albrecht nog meer ter wille te zqn verleende de Paus een aflaat voor het aartsbisdom Mainz, waatbij uitdrukkelijk bepaald werd, dat die aflaat dienen moest om Albrecht, wien een deel van de opbrengt ten goede komen zou, schadeloos te stellen voor de 10000 dukaten, die zoogenaamd voor den bouw van de St. Pieterskerk geschonken waren!
Deze aflaat zou 10 jaren duren. En zoo werd het onder toezicht van keurvorstaartshertog Albrecht een jagen om met dien pauselijken aflaat in 10 jaren tijds zooveel mogelijk geld binnen te krijgen, voor welke z.g.n. Maim-Maagdenburge aflaat de Dominicaner monnik Johann Tetzel, die reeds vroeger als aflaat-prediker bekend was geworden om de schitterende en klinkende resultaten door heïn behaald, gebruikt werd.
Tetzel was zeer handig; een welgedaan man, < wien een populaire welsprekendheid
*) Het pallium was een drie vingers breed lint van witte wol met ingeweven zwarte of purperrood kruisen, dat een overblijfsel van den mantel van Petrus heette. Het was een eerbewijs van den paus aan de aartsbisschoppen, waarvoor veel geld moest betaald worden. Vóór het uitgereikt werd legde men het lint een nacht op 't graf van Petrus. eigen was en wien een zekere mate van geleerdheid — hij was doctor in de theologie — niet ontbrak.
In een door hem gepubliceerde aanbeveling van den aflaat heette het: „Gij rnoet weten, dat ieder, die, nadat hij gebiecht heeft en berouw getoond over zijne zonden, daarna zijn aalmoes geoff'erd heeft, volkomen vergeving zgner zonden erlangt."
Dat was theorie; dat stond geschreven. Maar bij zijn prediking — en dat was de practijk in deze — traden biecht én berouw geheel op den achtergrond eri werd het koopen van den aflaat hoofdzaak genoemd. Bij den aflaat voor de zielen in het vagevuur werd het zelfs onverholen uitgesproken, dat, om dien te verkrijgen, niets anders noodig was, dan dat. men uit liefde voor hen een aflaat kocht. „Hoort gij niet", zoo riep Tetzel, „de stem uwer ouders en van anderen, die zeggen: erbarm u over mij. Wij zijn in zware straffen en pijn, waaruit ge ons door uw aalmoezen verlossen kunt."
Zonder eenig voorbehoud verkondigde hij, dat de grootste échuld gedelgd werd zoodra men den Roomschen aflaatbrief kocht. Geen misdaad, hoe afschuwelijk en ondenkbaar, was van deze vergiff'enis uitgesloten. Het pauselijk aflaatkruis, zoo verkondigde hij een anderen keer, staat niet achter by het kruis van Christus en moet niet minder geëerd worden dan dè, t. Woordelijk moet hij gepreekt hebben: „Wanneer iemand geld in dekist werpt voor een ziel in het vagevuur, vaart die ziel onmiddellijk ten hemel zoodra wij het geldstuk op den bodem hooren vallen."
Waar Tetzel verscheen deed hij dat met glansrijke praal; onder klokkengelui trad hij de stad binnen. De pauselijke aflaatbul werd op een fluweelen kussen voor hem uitgedragen; in plechtige processie trokken monniken, priesters, leden van het gemeentebestuur, scholieren, mannen en vrouwen, vereenigingen en broederschappen met banieren en kaarsen hem tegemoet en geleidden hem naar de kerken.
In de landen van den Keurvorst van Saksen werd de verkoop van den aflaat niet toegelaten. Maar in den herfst van het jaar 1517 richtte Tetzel zijn aflaatkruis op in de nabijheid v^n Wittenberg, in de stad Juterborg, die tot het aiartsbisdom van Maagdenburg behoorde en ook uit Wittenberg stroomde hem veel vo toe. Luther ondervond het in den biechtstoel, dat koopers van aflaatbewijzen, wanneer hij hun den eisch stelde hun onzedelijke verhoudingen te verbreten, zich beriepen op den in Juterborg gekochtén aflaat. Van schuldgevoel was geen sprake meer. Boetedoening was overbodig. En hoemeer Luther achter deze dingen de geldzucht van den Paus, van den aartsbisschop en van de aflaatkramers zag, hoe meer'hij bewogen werd met diep medelijden over de arme schapen zijner kudde, die zoo schandelijk geplukt werden, en hoe meer hij bezorgd was over de zielen zijner parochianen, 'die lichtvaardig leefden en geen rekening hielden met een heilig God, die toornt over de zonden. Luther zag dat het heilige ontheiligd werd (gelijk men in het volgend jaar, 1518, in Bergen op Zoom in eene loterq behalve „veel costelycke prysen" ook aflaten winnen kon!) en Luther voelde dat hij onder deze omstandigheden niet langer meer zwijgen mocht, waarom hij op den dag vóór Allerheiligen, 31 October 1517, aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg zijn beroemde vijf-en-negentig stellingen over de kracht van den aflaat aansloeg, ^ zonder te vermoeden welken storm hij daardoor te voorschijn riep.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's