Uit de Tijdschriften.
Van Teekenen des Tijds verscheen de achttiende jaargang, aflevering 5. Evenals in vorige ja^e^^ werd de j toespraak bij den aanvang der academische lessen 1916/1917C van professor L. Knappert te Leiden afgedrukt. De titel is nu: »Over igeschiedbeoefening, Ds. G. A. Sterringa te Gieten (Dr.) kwam uit met een historische be-; schouwing van den Mithradienst en het Christendom. nWanneer wijt, zegt hij, > ons goed door* ; dringen van de gedachte, , dat het Christendom de jongste vaa alle concurrenten om de heer-' schappij over de geesten is geweest, dan zullen wij niet langer de oogen kunnen sluiten voor het feit, dat zeer veel wat vroeger specifiek christelijk werd geacht, eenvoudig gemeen goed der , ouden is geweest Dit te zeggen doet niets te j kort aan de hoogheid en diepte, aan de gewel-\ dige geestelijke macht van het Christendom. ^ Maar wel zal daardoor ons oog geopend worden voor den rijkdom aan geestelijke goederen, voor ; de machtige rielsaspiratién der ouden, waarbij I vergeleken ons persoonlijk gelaofsleven zoo dor, ; zoo droevig zwak schijnt te zijn». De redacteur A. C. Schade van Westnun geeft een overzicht ! van al wat over den modus vivendi is geschreven. Hij verwacht niet, dat het Utrechtsche 1 voorstel zal aangenomen worden. Belangrijke opmerkingen gaf hij weinig of niet
— Het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (XVII, 7) geeft een breed verslag van de Algemeene Vergadering van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland op 19 en 20 September 1916 te Utrecht onder leiding van professor L. Lindeboom te Kampen. Het jaarverslag over 1915/16 werd uitgebracht door ds. J. G. Kunst van Barendrecht. Het ledental nam toe. Dé laatste zeide o. a. : »Een vakvereeniging vormeH wij niet in dien zin dat wij strijden zouden voor betere levens-en arbeidsvoorwaarden, maar wel lóó dat wij verhooging van ons vak, verheffing van ons heerlijk-ambt ook door onze vereeniging bedoelen*. Referaten werden gehouden o.a. over de pluriformiteit der Kerk. Professor Honig sprak in dit verband het volgende: »De moeilijkste vraag is of ik zeggen mag dat |de pluriformiteit ook door God is gewild. Ik heb er veel over nagedacht. De zaak is niet gemakkelijk. Toch meen ik recht te hebben om de stelling te handhaven: »De pluriformiteit der Kerk is vodr een deel het werk van Hem die de veelvormigheid mint, en voor een ander deel het gevolg van de zonde*. Ér is in alle leven verscheidenheid. Ook onder Cereformeerde predikanten. Toch gevoelen wij onze eenheid Zoo zijn er ook onderscheiden volken. De religie is een centraal verschijnsel.«( Ds. S. Huismans te Zevenhoven verdedigde het zingen ook van gezangen in dé kerken Ds. A. P. Schaafsma te Nieuwveen noemde dat een «lastig onderwerp» en zeide: »In de Hervormde Kerk werd deze qmaestie door de ironie der historie tot een zaak van koophandel.» Dr. G. C. Aalders meende: < »Het zou wel eens heel gevaarlijk kunnen zijn, wanneer wij daartoe overgingen«. Prof. Lindeboom acht de actie »rijp om doorgezet te worden*. De referent besloot »dat het' zeer noodig is de gemeente in dezen op te voeden», en vervolgde: »De wenken der voor-: zichtigheid zal ik gaarne opvolgen. Maar er moet een zeer uit onze kerken gesneden worden: ' het gansch verkeerde oordeel over deze zaak bij velen.
' Het Nieuw-Testamentische lied is in onzen bundel 'reeds opgenomen» (zie de liederen achter den psalmbundel), sdoch komt volstrekt niet naar verhouding tot zijn recht. De gemeente is zoo rijk; laat ze van haar rijkdom beter gebruik maken.« Over het herderlijk opzicht over de gemobiliseerde leden onzer kerken zegt ds. T. Gerber te 's-H'ertogenbosch o.a.: »De dienst van de veldpredikers neemt 4e taak der Kerk ten deze allerminst weg.«
Behalve dit verslag bevat de aflevering een opstel.van dr. S. Greijdanus over Gen. 2 en 3 onder het opschrift »In Edens hof.« »Hierbij gaan we«, lezen wij, «zonder eenige nadere adstructie, uit van de historiciteit van hetgeen het boek Genesis ons in dezen verhaalt; én van de volle betrouwbaarheid van dat verhaal. Wie aan mythe gelooft, en niet als feit aannemen wilwat (ie eerste hoofdstukken van den Bijbel bevatten; en van dichterlijke visie spreekt, maar Goddelijke openbaring of bekendmaking hierbij ontkent, spreke nog van Gods Woord. Het wezenlijke recht daartoe wordt dan gemist.» De schepping van de , vrouw geeft aanleiding tot de volgende opmerking : «Krachtens de schepping der vrouw is het echt-vrouwelijk karakter dat van onderworpenheid. Haar positie is niet die van de op den voorgrond tredende. Zij moet schuilen achter den man. Waar zij optreedt in eene positie van gelijkheid aan of van meerderheid over den man, verloochent zij hare schepping, en den wezenlijk-vrou-> velïjken aard. Hare plaats daarom ook ten aanzien van het publieke leven is niet op den voorgrond, noch in. het spreekgestoelte.»
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's