Stichtelijke overdenking.
U ook aangaande, o Sion, door het bloed uws verbonds heb Ik uw gebondenen uit den kuil, waar geen water in is, uitgelaten. Zach. 9:11.
Door het bloed uws verbonds.
Kostelijk is in de oogen des Heeren de dood Zijner gunstgenooten; dit schoone wOord van den psalmdichter spreidt licht over ons naderend Kerstfeest. Het predikt, dat God geen ledig toeschouwer i« bij •de worstelingen Zijner ellendigen; dat Hij zich niet in hooge ongevoeligheid terugtrekt, maar vol teedere deerni» vlak bij Zijn gedorscht volk bevindt. Hij ontzette zich, ziende, dat er geen helper was.
Het is waar, zelf hebben zich Zijne menschenkinderen gestort in den hangen afgrond der vervreemding; zelf hebben ze de hand gestrekt naar 't doodend zonde-gif; zelf hebben ze de steenen aangedragen, en den scheidemuur opgetrokken, waarachter zij nu versmachten; met eigen hiand het licht uitgedoofd en zich de diepste wonden toegebracht.
Naar recht zou Hg ons allen kunnen overgeven aan het goeddunken van ons verdwaasde hart. Maar Hij is geen man, dat Hij liegen zou; geen menschénkind dat Hem iets berouwen zou. Hij heeft gezworen: Mijn volk zal eeuwig bij Mij zijn. En als er dan geen andere redding is, dan zal Hij Zijn eigeü Zoon wegzenden naar de afgronden des doods, om de diepe stroomen der verdoemenis te doorwaden: zoo kostelijk is in 's Heeren oog hun dood.
O, kon u dat vermurwen, zondaar 1 Kon dat eene diepe schaamte brengen over uwe ziel; terwijl gij niet ophoudt van den Heere af te wijken, hield Hij niet op aan uw heil te werken, ten prijs van het hoogste en beste. Zijn eigen Zoon. Van bange verlorenheid getuigt het Schriftwoord dat boven dese overdenking staat. God noemt Zijn volk .gebondenen in de kuil, waar geen water in is." Zij zijn niet slechts gevangen, maar bovendien volkomen onmachtig, om zichzelf te bevrijden. In een diepe, droge put, in den afgrond des doods zijn ze neergezonken, ten prooi aan een langzaam, schrikkelijk wegsterven. /
Hebt gij. daar eenigszins weet van, lezer? Mat uw oog de steile wanden, waar ge niet tegeq op kunt? Bleek elke poging daartoe u onmogelijk, wgl ge met ketenen zijt beladen en vastgekluisterd aan den bodem ? Beseft gij iets daarvan? Zonder dat, zal Kerstfeest voor u geen waarde hebben. Hebt gg geen banden te slaken; geen boeien te breken? Geen nood te lenigen? Of wilt ge mogelijk van banden niet weten, en alleen maar van zachte, zachte dingen hooren ? Is dan de waarheid niet bovenal? Is dan een mensch gebaat met den schijn ? Zal dan eens de werkelijkheid, .alle verbloeming ten spgt, niet de windselen der bemanteling stukwringen en zich toonen in haar ware, schrikwekkende gedaante ? Is het een veihge schutse, die ge zoekt van de ontveinzing van datgene, waarvoor ge zoudt moeten sidderen?
Niets bewijst meer 'smenschen diepe verlorenheid, dan dat hij zich krampachtig met de lompen der zelfmisleiding zoekt te bedekken, en de hand wegstoot, die hem wil wekken uit den heilloozen sluimer.
Hij vloekt het licht, dat indaalt in den afgrond zijner verlorenheid, en hem de huiveringwekkende omgeving toont, waarin hij zich bevindt.
De werkelijkheid moet bedekt! De natuurlijke mensch wil zijn valsche kroon niet missen. Als dat de prgs zal moeten zijn, dan is de verlossing hem te duur gekocht. Zondaar voor God wil hij niet worden; den dood op 't eigen werk niet schrijven; de wereld niet opgeven; en als een berouwvol zondaar mét de toUenaaribede voor Gods genadetroon neerknielen, dat wil hij niet. Daartegen komt alles wat in hem is, in verzet, Ach, hoe k^nt zich de mensch tegen zijn eigen heil; hij is zelf zijn grootste vijand.
Erken, o, menschénkind, uw diepen val. Belijd oprecht, wie gij zijt. Neig uw oor tot 's Heeren woord; wijd aandacht aan wat Hij u te zeggen heeft.
En meen niet, dat de Heere lust tot plagen heeft; laat de afschuwelijke gedachte bij u geen post vatten, dat aich God zou vercgiaken in uw leed, wanneer Hg u voor oogen stelt, hoe schrikkelijk diep gij zijt gezonken, zoo diep, dat heel een wereld van zonde en oordeel drukt op uwe ziel, en u steeds dieper wegperst in eeuwigen jammer.
Op banden wijst u.dit Godswoord, op diepe afgronden, maar zoo werkt Hij aan uw redding.
Uw zielevijand, die zoekt u ongevoelig te maken voor 't namelooze leed, dat door de zonde over u kwam. Hg draagt vijgebladeren aan, opdat ge uw ware gedaante voor uxelf zult bedekken. Maar Hij, die uw Heiland wil zijn, noemt u bij uwen naam. Bedenk, daar komt een tijd, dat ontveinzen niet meer baten zal; de dag breekt aan, waarop de gloed van Gods oordeel alle bedekselen zal verteren, alle windselen zal wegbranden, en gg zijt gelukkig te prijzen, als die dag mag vallen aön deze zijde van den grooten slagboom des doods.
Als de Heilige Geest hét oog ontsluit, het oor doorboort en het hart opmerkzaam maakt, dan leert de zondaar belijden: dat mijn zaakjzoo hopeloos stond, had ik nooit kunnen denken. Huivering grijpt de ziele aan; de angsten des doods en der helle omvademen haar; bange schrik doet den zondaar opvliegen om, kon 't, tegen de steile wanden des afgronds op te snellen, maar nu ontwaart hg op eens, hoe onwrikbaar vast hij gebonden ligt, gesnoerd met duizend banden tegen den bodem der verlorenheid. Duizend dooden sterft dié ziele. Giftslangen hefifen van alle kanten blazend en dreigend en sissend den kop naar hem op. Hoe is 't mogelgk, dat hij vroeger zoo gerust heeft kunnen zijn ? zich zoo veilig heeft kunnen voelen in dit schrikbare oord? Nu is 't hem onhoudbaar geworden.
En jammerend, met den noodkreet: help mij uit, geef mij Jezus, werpt hij zich voor God neder. Die aigenoegzame Heiland is hem nu niet ganger een we%ide-artikei, dat hg desnoods ook wel zdii kunnen missen. Er is geen sprake van, , dat hij nu aan een leeraar of gids genoeg zou hebben, die hem van den bovensten rand des afgronds zou tóeroepen, hoe hij vrijkomen kon; neen, een Heiland, een Lossei: , een Borg, een Koning Heeft hij hoodig. Een die zelf afdaalt in dien schrikkelgken kuil, met sterke hand zijn kluisters breekt en op machtige armen hem opheft en wegdraagt naar de hoogte des heils. Gebonden in den kuil zonder water, aan eeuwige versmachting ten prooi, is nu geen woord te veel gezegd van zijn diep-treurigen toestand; want gebonden voelt ge u eerst dan, als gij gerukt hebt aan uw banden om los te komen, maar tevergeefs.
Zulke diepe, ware kennisse van zonde en ellende is geen vrucht van eigen akker, maar een werk des Heiligen Geéstes.
Hij graaft met de spade der Wet de diepe bedding der zelfkennis en der zondesmart in 't hart, opdat daarlangs de gtroomen der genade de ziele zullen binnenvloeien en besproeien. Hij snijdt met de ploegschaar des Wodrds den stuggen bodem van het eigengerechtig gemoed stuk en maakt hem ontvankelijk; en in den rotsgrond boort Hij door de harde steenkgen heen, en d(> et uit de diepste zieleroerselen opwellen de warme bronnen van zondeberouw en waarachtige verslagenheid,
O lezer, als gij daaraan toe zijt, dat de boeien der zonde u huivering aanjagen, dan zult ge op het heilig Kerstfeest niet meedoen aan het neerhalen van Gods groot en heerlijk evangelie tot de oppervkkkigheid van . een Kerstfeest, een Christus-feest, zonder Christus.
Dan is er plaats gekomen voor de kern dezer heilige dingen, oog voor den diepen zin dezer woorden: „Door het bloed uws verbonds heb ik u uitgelaten, o Sion."
Daar is bevrijding van de banden en uitleiding uit den kuil. Ik, de Heere, doe al deze dingen, spreekt God. Dat het niet is desgenen; die wil, noch desgenen, die loopt, hebt gij, bedroefde ziele, leeren verstaan; maar d^t het des ontfermenden Gods is, dat wordt u hier geleerd. O, zaligheid nooit af te meten!
Welk een blijdschap, als een bekommerde ziel vernemen mag, dat de Heere een afgesnedene zaak op de aarde doet. Om 't dieplood der zalige vertroosting in deze zee van genade neer te kunnen laten, moet ge 't zelf hebben verstaan, wat het zeggen wil, geen uitweg te hebben, ten einde raad te zijn. Dat een teug uit de koele bron zoo heerlijk kan laven, weet ge ^an eerst, als ge zelf vermoeid, aemechtig zijt geweest.
Het is duidelijk, dat hier in eersten, historischen aanleg wordt gedoeld op den zegen der bevrijding uit Babels ballingschap. Maar daarbij mogen we niet blijven staan. Heel Israels volkshistorie levert ons één zinrijke beeldengalerg der geestelijke dingen.
Meer nog, tot in het eeuwig besluit van Gods onbewogen Vrederaad mag dit heerlijk woord teruggeleid.. Ik heb u uitgelaten; in het Lam, dat werd geslacht. Van voor de grondlegging der wereld ligt het heil van Gods volk eeuwig, onbewogen vast. In den aanvang van Gods werk ligt de inzet der . voltooiing, de waarborg der voleinding; in het besluit ligt de uitvoering vast; 't is trouw, al wat Hij ooit beval, het staat op recht en waarheid pal, als op onwrikbre steunpilaren I
En terwijl Gods verkoren kinderen nog in de boeien zuchten en schreien op den bodem hunner verlorenheid, is het woord waarachtig: ik heb u uitgelaten! Maar hoe kon dit ? Was dan de jammer niet welverdiend ? Gewis, lezer, tot in 9, 11e eeuwigheid welverdiend. Maar staat er dan niet geschreven: v^ee dien, die den goddelooze rechtvaardigt? En eischen gerechtigheid en waarheid Gods niet beide, dat de zonde, die tegen de allerhoogste Majesteit Gods bedreven werd, pok met de hoogste, dat is met de eeuwige straf zal worden gestraft?
't Is toch meer dan een «Joord slechts, dat Sion alleen door recht kan worden verlost? Gewis, lezer, en als de poort van den afgrond zich ontsluit, om gebondenen uit te laten, dan geschiedt ook dat, versta het wel, niet in strijd met, maar op den grondslag van het onbewogen recht onzes Gods. Hij kan siichzelven niet verloochenen. Nooit kan 't betoon Zijner liefde botsen met Zijn recht. Als God 'n goddelooze rechtvaardigt, dan spreekt Hij recht. En hierin zelf ruischt en ritselt het wonder van eeuwig erbarmen. 'Bqor, het bloed mos verbonds heb Ik uitgelaten.
Hier is duidelijk terugslag op wat ge leest in Exodus 24, waar geschreven staat, dat de verboiidssluiting tusschen Jehovah en het volk werd bezegeld door de zinrijke handeling van Mozes, die de helft van 'toflferbloed uit bokken over 't volk sprenkelde, onder 't uitsprekeh der woorden: „Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de Heere met ulieden gemaakt hneft oVer al die woorden."
Ge gevoelt aanstonds, 'dat deze bloedbesprenging doelde op den Christus, deii Borg van het betere Verbond, Wiens dierbaar zoenbloed, dat betere dingen spreekt dan Abel, ons reinigt van alle onze zonden, en de kracht is van het heilig gena-verbond, dat God opricht met al Zijn volk. Niethet bloed van stieren en bokken, dat verstond ook Israel, maar alleen het bloed van het onstraffelgk en onbevlekkelgk Godslam verzoent de zonde en delgt de schuld.
Door bloed zijt gij uitgelaten, gij vrijgemaakte zielen, uit den kuil zonder water, waarin gij eens moest versmachten. Door bloed uitgelaten: o predikt ons dit niet het heilig recht onzes Gods en de schrikkelijke schuld onzer zonde? Maar straalt hierin ook niet met nooit te dooven luister de weergalooze liefde van Vader en Zoon beiden?
O bezie in dit licht Bethlehem, en gij zult verstaan, dat hier alle grond voor oppervlakkig, ondiep feestgedoe ontzinkt; maar tevens verstaan, hoe kostelijk is in 's Heeren oog de dood Zijner gunstgenooten.
Hij, Die daar geboren wordt, is het Lam Gods, dat tot bloed storten deze aarde betreedt. Hier past de diepste; eerbied, de teederste schrooin. Hier is een liefdewerk van geheel eenige en eeuwige waardij! Hier wordt gend van waarheid blij [ontmoet, . De vrede met een kus van 't recht [begroet. Stemt, o heilig hemelkoor, stemt nu uw gouden cithers en zingt uw schoonsten zang: Eere zg God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!
Hier wordt arm, wie rijkdom en heerlijkheid had vóór den morgenstond der eeuwen, opdat Hij arme zondaren zal rijk maken.
Hier wordt u gepredikt, dat ge, om Bethlehem te verstaan, de kribbe moet zien in het licht, of beter in de doodsschaduw van Golgotha.
Ontzaglijke, hartaangriijpende gedachte: hier wordt de Christus geboren, om te sterven, opdat Zijn dood het Je ven voor Zijn volk verwerve.
Versta dit, lezer, Kerstfeest vraagt van u zielsverbrijzeling, alö de rechte feestgestftlte.
Het wijst ialle ondiep dwepen met het Kindeke af, en stelt zich vlak voor u met de straffe vraag: hebt ge band'en te breken, boeien te slaken? hebt gij zonden te dragen, schulden te delgen? hebt gij tranen te drogen en wonden te balsemen? hebt gij werk voor dezen Christus? Zoo ja, verheug u dan, gij dochter Sions, juich, gij dochter Jeruzalems! Want zie. Hij is gekomen om uitvoering te geven aan 't eeuwig besluit van Gods. onbewogen Vrederaad, dat uwe vrijlating uit den kuil u waarborgt, uwe uitleiding uit de duisternis in Gods wondervol licht, uit den afgrond des doods naar de eeuwige heuvelen, waar de levenszonne niet ondergaat.
Kerstfeest is het feest der bevrijding van allen die in banden en duisternis gebonden zijn.
Zij u dit tot vertroosting, gij die ontdekt zijt aan uzelf en voor God en nu den nood door de ziel voelt flitsen, gij zijt op weg naar de vrijheidj óp weg naar het licht! Gij hebt te doen met een God, Die geen half werk doet. Christus' komst is onderpand uwer eeuwige zielsbevrgding.
De God des eeds en des verbonds houdt trouw en laat niet varen de werken Zijner handen.
Wel zoekt u de satan te ziften als de tarwe, maar de barmhartige Hoogepriester houdt niet op voor u te bidden en het schild uws Konings is ondoordringbaar voor de vurige pijlen des boozen.
Sion wordt, uitgelaten door het bloed des verbonds uit den kuil des verderfs.
Behoort gij, lezer, tot dit Sion? Als gij op die vraag 't antwoord begeert te weten, herinner u dan, dat niemand anders dit uitmaakt dan God de Heere alleen.
Wend u tot Hem; vraag Hem, als David Weleer: Heere, doorgrond mij en ken mijn hart; beproef mg en ken mijne gedachte. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's