De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

10 minuten leestijd

Art. 16e: Rechtvaardig, doordien Hij de anderen, laat in hunnen val en verderf, daar zij zich zelven in geworpen hebben.

LXVII.

De. Heere is barmhartig en die barmhartigheid blinkt zeker daarin het heerlijkst uit dat God van eeuwigbeid 'gedachten des vredes gehad heeft over een volk dat Hij voor eeuwig had kunnen laten yerloren gaan. Maar de Heere is niet alleen barmhartig, Hij is ook rechtvaardig; en waar nu Gods barmhartigheid het heerlijkst schittert in de eeuwige verkiezing, daar schittert Zgn rechtvaardigheid het meest in wat daar onmiddellijk mee samenhangt, nl. in de verwerping.

In onze Belijdenis, die op Infralapsarisch standpunt staat, wordt de gedachte, die in het woord „verwerping" ligt opgesloten en die inderdaad vóór ons menschen een ontzettende gedachte is, wat zacht uitgedrukt, nl. dat de Heere de verworpenen — de anderen worden zij hier genoemd —"laat in hunnen val en verderf, daar zij zichzelve in geworpen hebben. Nu kan dat in den Infralapsarischen gedachtengang al moeilijk anders en in geen geval beter worden uitgedrukt. Immers als God Zijn volk, to^n Hij het uitverkoor, als reeds gevallen voor zich zag, dan spreekt het wel vanzelf dat Hij de gevallenen, die Hij niet uitverkoor, liet liggen in den val en mitsdien ook in het verderf waarin zij tengevolge van hun val zichzelven hadden gestort. Wanneer gij echter op Supralapsarisch standpunt u stelt en dus het stuk der verkiezing beschouwt uit het oogpunt van Gods absolute Sóuvereiniteit, dan kunt ge natuurlijk ook in het stuk der verwerping nog een schrede terug en kunt ge zeggen, zooals de Schrift dat ook inderdaad doet (Spr. 16 : 4), dat de Heere allee gemaakt heeft om Zijns zelfs wil, zelfs den goddelooze iet den dag des kwaads ja dat degenen, die zich aan het Woord stoeten, ongehoorzaarn zijnde, daartoe ook gezet zijn (1 Petr. 2:8), en dat de Heere de. vaten des toorn s tot het verderf heeft toebereid (Rom.' 9:22).

Maar van welke zijde ge nu deze zaak ook beziet, steeds moet daarbij bedacht worden, dat, wat voor ons menschelijk verstand onverklaarbaar is, de schuld van val en verderf niet in God mag, maar steeds in den mensch moet gezocht worden. Dit moet dan ook altoos onomstootelijk voor ons vaststaan dat de Heere geen enkele Zijner ' schepselen pnrecht doet.

Integendeel, de Heere is recht in al Zijn weg en werk. Hg is recht jegens de uitverkorenen omdat hun uitverkiezing er eene is in Christus, die in hunne plaats aan de eischen van het allerstrengste recht heeft voldaan; en Hij is recht jegens de verworpenen omdat zij het alléén zich zelf te wijten zullen hebben djat zij verworpen zijn.

Brakel zegt dan ook zoo terecht: , de Verwerping is de oorzaak niet dat iemand zondigt, maar de mensch zelf. Het is waar, die niet verkoren is, zal niet zalig worden. Maar het is ook waar dat niemand dan zondaren verdoemd zullen worden." y De verdienende oorzaak der verdoemenis is dus alleen de zonde, des menschen eigen schuld, evenals de verdienende oorzaak der zaligheid alléén de volkoniene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is. Hoe deze tweezijdige waarheid ook wordt bestreden, en hoeveel bedenkingen daar inzonderheid tegen de leer der verwerping ook mogen ingebracht worden, ja hoeveel onoplosbare raadselen daar in dat stuk ook blijven zullen, op grond van het Woord des Heeren zal er nooit eenige gegronde weerlegging kunnen zijn van de Waarheid dat God uit vrij en souverein welbehagen uitverkoren en verwprpen heeft, en dat het zoo van het één als van het ander blijken zal: „Gods doen is enkel majesteit, Aanbiddelijke heerlijkheid. En Zgn gerechtigheid onendig."

Staat het alzoo op grond van de uitspraken der Schrift onomstootelijk vast dat God verkoren en verworpen heeft, en dat er voor beide zijden van dat goddelijk raadsplan geen andere reden is dan Zijn' vrij en souverein welbehagen, hiermee in verband staat ook dit, dat dat raadsplan niet vernietigd, of ook maar in het minst gewijzigd kan worden. De Heere zelf toch is onveranderlijk. Daar is in het Goddelijk Wezen zelf geei; i verandering of schaduw van omkeering. En even onveranderlijk als God is in Zijn Heilig Wezen is Hij ook in Zijn besluiten, du& ook in het besluit van verkiezing en verwerping. Gods raad bestaat en Hij zal al Zijn welbehagen doen. De apostel Paulus heeft ér dan ook in Rom. 9 onze aandacht op gevestigd dat de Heere daarom tot Rebecca gezegd had: e meerdere zal den mindere dienen „opdat het voornemen Gods, dat haar de verkiezing is, vastbleve, " Ook de gouden keten der zaligheid uit Rom. 8 : 30 strekt ons hier tot bewijs: die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft' Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt." Al wien God, van vóór de grondlegging der wereld heeft uitverkoren om den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, die zal dus zekerlijk «alig worden. Zulk een immers wordtin den tijd door God geroepen door de krachtdadige werking van Zijnen Heiligen Geest; zulk een wordt gerechtvaardigd door het bloed en geheiligd door den Geest van den Middelaar en straks komt de ure dat hij ingaat in het Vaderhuis hierboven waar vele woningen zijn. Wanneer God hem daartoe verkoren heeft dan zal ook niets^ zelfs geen duivel uit de hel bij machte blijken om dit te beletten. Maar geldt dit van het besluit der verkiezing, niet minder geldt dit ook van dat der verwerping.

Staat het dus eenerzijds onveranderlijk vast dat ean iegelijk die verkoren is behouden zal worden, aan den anderen kant staat het even onbewegelijk dat een iegelgk die verworpen is, verloren zal gaan. Al zou de gansche wereld zulk een ook een plaats in den hemel gunnen, daar zal voor hem geen ingang in Gods Koninkrijk zijn.

Maar nu dient hier vooral het stuk der verkiezing en verwerping zeer teeder en voorzichtig behandeld te worden, en hebben we te bedenken dat de verborgene dingen voor den Heere onzen God en slechts de geopenbaarde voor ons en onze kinderen zijn. Wanneer wij dit toch vergeten, dan heeft de leer der verkiezing èn de daarmee gepaard gaande verwerping reeds menige bekommerde ziel tot dwaling gebracht. Want, zoo heeft men gezegd: wanneer de Heere dan toch besloten heeft dat ik verloren zal gaan, dan zal al mijn zoeken naar de zaligheid ten eenenmale vergeefs moeten zijn en daarom kan ik dan ook gerust in zorgeloosheid gaan nederzitten, want als de Heere besloten heeft mij zaüg te maken, dan zal Hij er ook wel voor zorgen, dat ik op Zijn tijd ook zalig zal worden.

Tot het maken van deze gevolgtrekking nu geeft de Heilige Schrift ons geen recht.

Integendeel, tot deze gevolgtrekking , komen we alleen dan wanneer wij Gods Woord gevangen zetten binnen de muren van ons kortzichtig menschen verstand, maar tot deze gevolgtrekking komen we niet, wanneer we juist 'omgekeerd ons verstand gevangen geven onder de gehoorzaamheid van Gods Woord.'Immers dan houden we eenerzgds wel vast aan de vrij macht van Gods eeuwige liefde en dan zien we hoe die vrij macht in het besluit van verkiezing en verwerping het heerlijkst straalt, maar dan houden we anderzijds ook even beslist vast aan de waarheid die zich b.v. vertolkt in een woord als dit: „Wendt u naar Mij toe, o alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer", of in een uitspraak als deze: „Wie dorst heeft die kome en wie wil neme van het water des levens om niet." Immers dit mag bij het overdenken van deze dingen nimmer vergeten, dat de Heere niet alleen het einddoel heeft bepaald, maar ook de middelen en wegen die tot het bereiken van dat einddoel leiden moeten. Zoo is het ook in het natuurlijk levensbestaan. De Heere heeft b.v, ook bepaald wanneer gg sterven zult en het staat Onherroepelgk vast dat, 'wanneer het stervensuur, dat God in - Ziijn eeuwig raadsplan voor u bepaald heeft, van avond zal slaan, gij dan morgen niet meer in het land der levenden zgt. Maar gij beseft immers dat daarmede het gebruik der middelen om uw leven zoo mogelijk te verlengen niet overbodig, is geworden. Integendeel, juist van achteren zal het blijken dat ook het al of niet gebruiken der middelen eveneens in het plan dès Heeren was opgenomen en dus heeft moeten medewerken om datgene over u te brengen wat Gods hand en raad te voren bepaald had dat geschieden zou.

En zoo is het nu ook wat het stuk van verkiezing en verwerping betreft. De middelen moeten gebruikt, de geopenbaarde wegen des Heeren moeten bewandeld worden, want zóó alleen is het mogelijk om te voldoen aan de vermaning, die Petrus eenmaal tot zijn lezers gericht heeft: daarom, broeders, benaarstigt u te meer om ^ uwe roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen" (2 Petr. 1:10).

Nooit genoeg kan dan ook zeker bedacht worden wat Brakel in zijn Red. Godsd. ten opzichte van deze voor onö menschenverstand onoplosbare moeilijkheid geschreven heeft: „Houdt u aan de geopenbaarde wille Gods; God biedt door het Evangelium Zijnen Sone Jezus Christus aen, hij noodigt alle, die maer willen, dat se sullen komen; Hij belooft dat alle die in den Sone gelooven het eeuwige le.ven sullen hebben; Hij belooft dat hij niemant die tot hem komt zal uitwerpen. God zal niemand verdoemen als om zijne sonden. God verhindert niemant zich te bekeeren ende in Christus te gelooven, en zalig te worden. God is geen oorsake van yemants verdoemenisse; 't Is des menschen eigen schuit, en zijn eigen vreije wille dat hij godtloös leeft, en dan is het rechtvaardig dat God hem straft en om de sonden verdoemt, Houdt u aen het Woordt en verlaet die hooge phantasiën: Soekt Christus, gelooft in hem, biddet en strijdt tegen de sonde, ende gelooft, ; dat gij zaligh suit worden, als gij doet volgens Gods Woordt, dat is de vaste en de heijlige wegh."

Wanneer wij dit lezen dan merken we dat het geloof in de verkiezing Gods zeer. goed gepaard kan gaan met een ruime aanbieding Zijner rijke genade. Het is dan ook geheel in de lijn van Gods Woord wanneer die aanbieding van Gods genade in Christus zoo ruim mogelijk; Onzerzijds mag niemand worden buitengesloten. Tot een iegelijk die nog leeft. in het heden der genade, in den welaangenamen tijd, in den dag der zaligheid, moet het gezegd worden dat God geen lust heeft in zijnen dood maar daarin dat hij zich bekeeren en leven zal. „Zoekt den Heere', terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddelooze verlate zijnen weg en de ongerechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner ontfermen en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk" (Jes. 55 : 6, 7). Dat is de roepstem die van 's Heeren wege zoo ver mogelijk moet uitgaan, en dan zal het tot troost van Gods volk en tot beschaming van alle tegensprekers in het eind blijken dat de uitverkorenen het verkregen terwijl de anderen verhard zgn geworden.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's