Stichtelijke overdenking.
En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. Gen. 3 ; 15.
't Eerste Evangelie.
Het volk, dat gekroond is met den Geest der heerlijkheid, draagt gewoonlijk een kruis op de schouderen, en ontvangt ' zijn deel aan de smaadheid, soms ook de lastering der wereld. De schittering der genade wekt bij enkelen eenige hoogachting, bij de meesten wekt ze den spotlust op en in 't algemeen brengt ze tegenstand meê van de lieden, wier deel is in dit leven.
Beminnelijkheid van karakter, zachtheid van zin kunnen de uitingen van vijandschap wat temperen, doch als 'ter op aankomt, wordt het duidelgk, dat de dood het leven niet kan uitstaan. Van een godzalig leeraar wist men eigenlijk niets te zeggen, dat op verkeerdheid in 't openbaar wees; hij had bij 't ouder worden iets van die genade, dat zelfs zijne vijanden met hem bevredigd waren, en toch zeide iemand van hem, dat hij eigenlijk gek was, omdat hij alles wel weg wou geven. .
Daar is ^een drijving in de geesten der menschen om Gods heiligen krijg aan te doen, al zijn de uitingen van vijandschap, naar omstandigheden, zeer verschillend.
Men slaat elkaar niet meer dood, maar zoekt elkaar liever dood te drukken, dood te intrigeeren en met speldeprikken te pijnigen. Of vergis ik mq ?
De vijandschap tegen God en Zijn waarheid teekent zich af in «00 menig woord en houding.
De twee beginselen, de verschillende wereld-en levensbeschouwingen, de leugen en de waarheid staan, duidelijk in de gevolgtrekkingen, tegenover elkaar; achter woorden schuilt zooveel weg, veel meer dan zich in de woorden uitspreekt.
Daar is gedurige botsing. In dat feit is iets verblijdends; en al de bespiegeling van zekere gelijkheid en eenstemmigheid, van verdraagzaarnheid en evenredige vertegenwoordiging vac, leugen en waarheid, wordt telkens den bodem ingeslagen door de werkelijkheid, dewijl in de omstandigheden en in alle voorvallen in breeden of kleineren kring, de gedachten des harten openbaar worden,
In onzen tijd van ontreddering moesten wel de oogen opengaan voor de, ijdele overleggingen „van vrede, vrede en geen gevaar" en voor de dwaasheid, dat kennis zonder godzaligheid ooit de volkeren zegenen kan. De meerdere kennis zonder vreeze Gods maakt de toestanden hoe langer hoe ernstiger; het beginsel der wijsheid richt haar op der natiën welvaart; en dat beginsel gaat steeds terug tot God» Woord. "' -
De gemeente van Christus leeft bij Gods oplossingen, al gaat ook de menigte aan die oplossingen voorbij en halen anderen de schouders op over de „onnoozelheid", waarmee de gemeente Gods het Woord des He'eren 't einde acht van alle tegenspraak. Ook als het over de vijandschap des vleesches (van alle vleesch!) gaat tegenover God en Zijn Woord, gaat een volk „van het Boek" nog altijd derwaarts en leest de geschiedenis van den dag (ook die der eeuwen!) nog altijd, , , wat de beginselen aangaat^ af van het Bijbelblad.
Vanwaar komt het toch, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden en „dood zijn in zonden en misdaden"? En het oude antwoord wordt herhaald: Uit den val en ongehoorzaamheid van Adam en Eva in het Paradijs enz.
'k Breng u de geschiedenis niet in breedere herinnering van deja eersten moord, van den ontzaggelijken moord, in 't Paradijs; 'kheb niet noodig op ditmaal u te zeggen, hoe Satan altijd vraagteekens plaatst, waar de Heere Zijne waarheid stelt; ''k wil niet aanwijzen, hoe streeling van lagere lusten, verzadiging van lichamelijke behoeften en begeerten om wijs te worden zonder God, nog altijd en overal het soeken is van menschen, die bij wat verdieping van 't leven, toch onbevredigd blijven en ledig, al zal men die onvoldaanheid verbloemen, en dat ledige zoeken te vullen met ijdele phantasieën.
God en Zijne goedheid en al Zijne schepselen, worden nog eiken dag gebruikt, om weg te schuilen voor den Heere; en dat gaat zoo door totdat-de Heere er een mensch achter vandaan haalt door Zijne 'reehterlijke vraag in vaderlijke goedheid uit te brengen.
Gebeurt dit, dan komen wij in onze , naaktheid" voor den Heere te staan, buiten het Paradijs, buiten Gods liefde, midden in den dood en wordt het in ons bevestigd, dat die een vriend dezer wereld wil zijn (en van zijn overste!) een vijand van God wordt gesteld. Wee onzer, dat de kroon ons van 't hoofd is gevallen!
Toen Adam buiten 't Paradijs stond — en wij in hem gerekend —^ kwam het gezegend nieuws uit's Heeren mond : Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw enx.
Hier is de boodschap des levens, welke God zelf eerst verkondigt, en hier is de heerlijkheid van Christus^ den boom des levens, welke van maand tot maand Zijne vrucht zal geven. De „rozenknop" uit 't Hemelsch Paradijs is dicht gesloten, langzaam opengegaan en bloeit eerst ten volle op Golgotha; maar liet niet na zijn geur te verspreiden door heel de Kerk. Wat een voorrecht, dat de Heere dit woord gesproken (en bevestigd!) heeft! Schortte algemeene geidheid op 't vonnis van den lichamelijken dood, waar de geestelijke dood was-ingetreden; bizondere gunst komt aan het woord door scheiding te maken , en die scheiding is genadige onderscheiding.
In het eerste Evangelie-woord wordt Gods verkiezende liefde, rijk en vrij, duidelijk en vï^rdt Zijn welbehagen openbaar. Hij zal optreden met macht (Ik zal zetten!) en verstoren, verbreken de banden, die aan den duivel bonden; Hg zal door Zijn werk. des H. Geestes, dat afdaalt uit 't Hoofd van het zaad der vrouwe, in de ziele der Zijnen het leven Zijner liefde planten en alzoo die vriendschap met den vorst derleugenen verbreken; de ketenen, die binden, losmaken door te binden aan Zich en Zijne waarheid en al Zijn volk.
Dat voorzichtig verdrag met de hel en den dood, zal worden verbroken.
Er zou een gansch geslacht zijn, en wij zeggen er bij uit alle geslaphten, talen en volken, dat het in den dienst der zonde en wereld, en des duivels slavernij niet meer kon uithouden; dat niet meer mee kon en voortkon, zonder waarachtige bekeering, maar dat die vriendschap een last werd (en een schuld!) en de vriendschap met den Heere zóó begeerlijk, dat het liever alles zou missen, dan de liefde Gods, welke daar is in Christus Jezus, den Heere.
Het - bitterste leed wordt dan, dat ik uit Gods liefde viel en de begeerlijkste zaak om in Gods gunst te worden hersteld, door de levende gemeenschap met Hem, die geworden is uit eene, vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet zijn, verlossen zoude.
Die scheiding, welke de Heere maakt in Zijne liefde, is niet op te heffen. Als de. Heere spreekt, in de gelijkenis van den armen man en den rijken Lazarus, van een klove, welke niet kan gedempt en niet is te overbruggen, dan lezen we dat met ontzetting; zoo mochten we ook lezen dit woord uit Gen. 3 : 15, waarin eigenlijk al van die klove de oorzaak is aangegeven; doch in dit woord ook den verbindenden zegen voor alle volk, dat met den rqken Lazarus zal worden gedragen in Abrahams schoot.
Die vijandschap is voornamelijk uitgekomen, toen Christus in het vleesch verscheen, en Satian „het kindeke van Bethlehem" zocht te dooden; doch reeds lange te voren was het gezet zijn van deze vijandschap uitgekomen, waar in de geslachten tweeërlei zaad tegen elkaar inging in lust en keuze en genegenheden.
Toen Abel door 't geloof Christus in de belofte omhelsde (Hebr. 11). werd Kaïn ontstoken tegen zijn broeder; Izaak wordt van Ismaël gehaat; die naar 't vleesch geboren was vervolgde hem, die naar den Geest geboren was. En 't is zoo doorgegaan, in heel de geschiedenis van Gods Kerk. Zelfs iè de grenslijn aangewezen door een bloedig spoor van vervolgingen en wordt telkens in den loop der eeuwen aanschouwd, hoe de haat der helle uitgaat tegen Gods waarheid en des Heeren volk.
Wel is het door „minzaam schipperen", en door wereldgelijkvormigheid niet steeds even duidelijk. Een tijdlang gaat het soms zoo verre, dat ge het onderscheid tusschen volk Gods en liefhebbers der wereld niet meer kunt zien. 't Glijdt zachtkens aan meê af, hoe langer hoe verder, totdat de Heere zulke wegen houdt, waardoor Zijn werk en Zijn merk weer gezien wordt en des Heeren kinderen met beschaamdheid terug moeten. Want wie eens is ingeplant in den wortel des levens, kan nooit, naoit meer vriend zijn van wat Gode vijandig is en Hem tegenstaat.
Die liefde Gods, uitgestort in de harten door den H. Geest, sluit in zich een haat tegen alles wat den Heere een gruwel is.
Onkunde, beperktheid van gezichtskring, kan voor een tijd de grenslijn niet doen zien en de gevolgtrekkingen uit eigen beginsel niet maken; allerlei omstandigheden beletten vaak de consequentiën uit eigen levensbeginsel te aanvaarden; bij meerdere verlichting, soms door goede onderrichting naar Gods Woord, komt het weer uit, dat waar genade verheerlijkt is, de ziele Gods waarheid moet toevallen.
De tegenstelling in ons woord, hierboven geschreven, bestaat nog; wordt nog duidelijk gezien en zal te meer uitkomen naarmate wq het einde naderen en de vorst der duisternis zal buiten geworpen .worden. Het, eindvonnis wordt volvoerd. Het Hoofd van 't vrouwenzaad is den dood ingegaan, opdat Hij door Zijnen dop.d te niet. zou doen dengene, die 't geweld des doods had.
In den strijd tusschen Israël en Amalek kwam de overwinning eerst tegen het naken van den ^vond aan Gods volk.
Wij zien iets van de overwinning van Christus op Satan in elke waarachtige bekeering en in het kleine leven dage-Igks, waar de Heere door 't geloof de wereld geeft te overwinnen.
Gods Woord staat niét buiten 't leven. In Gen. 3:15 is een sleutel, ook voor dezen tijd, waarin de geesten botsen en straks Wellicht "een machtige worsteling aanvangt tusschen Christendom en Heidendom. Van geweldige tegenstelling is profetie. Daar is veel in wording, want dé Heere heeft een machtig werk onder handen.
Moest de historie spreken van deze dingen ? O! wat een gewichtige momenten; waarin de duivel al zijne krachten inspande om het • vrouwenzaad uit te roeien van den aardbodem. Doch 'tis niet gelukt, hoe hij het nog altijd lang» allerlei kronkelpaden beproeft.
De nederlaag der helle is beslist; de overwinning van Christus en alle volk, 't welk in Hem begrepen is, is behaald en, door 't geloof doelende in Zijn triumph, roemt een uit 't zaad: „meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad."
Mijn lezer, gij hebt misschien een predikatie gehoord in deze dagen over dezen tekst. De „aankondiging van oorlog en vrede" kwam ook tot u. En toen ge die prediking hoordet, sprak uwe ziele: Welk een genade! Een geboren vriend des duivels, als al de anderen, werd omgezet in een vriend Gods en vijand van zonde en Satan.
Èr is een volk, dat de bewustheid van i 's Heeren vergevende liefde en de blijken van Zijne gunst geniet en dat soms door smartelijke ervaringen van vijandschap bij vernieuwing gezegeld wordt door de genade des H. Geestes.
Verblijdt u, indien gij onder dat volk een plaatsje, een gering plaatsje moogt innemen en zeggen: Ik ben een vriend, ik ben een medgezel, Van allen die Uw Naam ootmoedig vreezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's