Stichtelijke overdenking.
Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken. Job 13: 9a
Een nauw onderzoek.
Oudj aarsavond is een ure van geden-: ken. Dan wordt een ieder als het ware I gedwongen zijn leveneboek eens voor zich te leggen. Dan moet hij omzien. En zal het goed zijn, zoo moet hij met een opzien eindigen. Voor des Heeren Aangezicht zal het boek'moéten worden afgesloten.
Wat zoude dat onderzoek ons leveren.[Laten we dit aan de hand van het woord, zooals het ons bij den Godsman Job beschreven staat, elkander en onszelven voor oogen stellen.
Jobs vrienden zijn tot hem gekomen lom hem te troosten. Maar 't is hem Ikwalijk vergaan. De menschen blijken •zulke moeilijke vertroosters. In plaats van dat er balsem neerdruppelde in de"wonden, was het enkel bitterheid, 't Was alsem in den, beker.
Job was vreeselijk geslagen. Als een stam, waarvan al "de takken zgn afgelouwen, alzoo stond hij daar in den ^torm des levens. En wat was nu het roord van z'n vrienden: „daar zal wel het een'of ander zijn in uw leven, waarom God zoo toornt op u."
Nu is er niets gemakkelijker voor den mensch dan tot den ellendige te zeggen: het is uwe schuld", dan is hij er af. Maar om waarlijk daar te komen waarheen de dichter van Ps. 91 wijst: „Welgelukzalig is de mensch, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige — zie, daartoe behoort de levenservaring die God zelf werkt.
Job richt zich op in z'n leed en spreekt: och of gij gansch stilzweegt. Dat zou gijlieden voor wysheid wezen. Hoort toch zijne verdediging en merkt op de twistingen mijner lippen. Zult gij voor Gód recht spreken? Zult gij voor God twisten? Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken? " Job mocht een ander leven kennen. Hij wist, al was het al'zonde zijnerzijds, dat God hem tuchtigde uit liefde, 't Einde zou het te aanschouwen geven: tusschen God en tusschen mij is 't goed.
We willen deze vraag, deze levensvraag met elkander voor Gods Aangezichte nederleggen.
Heilige de Heere, die de tijden in Zijn hand heeft, Die ook onze schreden heeft gericht tot dezen stond, het aan ons harte, opdat wanneer het niet goed ware, Hij goed moge maken. We lezen onzen tekst zooals hy daar voor ons ligt.
Zal 't goed zijn, als Hij u zal onderzoeken?
Hij, d. i. God in den hemel zal 't onderzoek instellen. U, d. i. 't zal gaan over ieder persoonlijk. Wat zal dat heerlijk zijn, als gelden mag: 't zal goed ziijn. Zeker, 't is waar, we leven temidden van een wereld waarmede ^e met vele banden zijn verbonden. We zqn een" deel van een g«heel. O wee, die zich kunstmatig daaraan onttrekt. We hebhen verplichtingen tegenover die kringen, waartusschen God-ons plaatst, maar in laatste instantie gaat het toch tusschen God en onze ziel. We hebben met een God te doen van wien de dichter zingt:
De, groote Schepper aller dingen Ziet uit het ongenaakbaar licht Het gansch gedrag der stervelingen; Isfiets is bedekt voor Zijn gezicht.
De Hemelgebieder ziet niet alleen alle dingen, maar ook blijft het voor Zijn aangezicht staan. We lezen bij den Profeet Maleachi: „daar is een gedenkboek voor Zijn aangezicht." Daarom is het noodig, dat eiken avond de knie zich buige, dat we rekenschap geven van ons heele leven. Daarvoor gaf de Heere de insnijdingen in den tijd. Op eiken dag volgt een avond, op elke week een dag Hem gewijd, opdat de gedachtenis zoude opklimmen. Mag 't op dezen avond wel niet in bijzondere mate geschieden?
Zal 't goed zijn als Hij u zal onderzoeken ? Voor onzen rechterstoel brengen we 't er gewoonlijk-nog zoo slecht niet af. Ons gedenkboek laat wat volledigheid aangaat wel iets te wenschen over. Daar worden wat posten vergeten, van weldadigheid ter eener, van ongeTechtigheid ter anderer zijde.
Hoe wêinig merken we vaak op het goede dat God ons geeft, hoe licht is ons vergeten. Daar staan wat vergeten posten. Ongerechtigheden, die we eiken dag bedrijven, zoo waar, we sloegen er geen acht op. Toch staan ze voor Gods Aangezicht.
De mensch kan zijn eigen rechter niet zijn. Dat onderzoek is vooreerst onvolledig ; hij weet, ook al zou hij rechtvaardig willen zijn, er de helft niet meer van. Raadpleegt uw eigen ervaring: wat is u nog 'bekend van het jaar dat voorbij snelde? Hier en daar een enkel feit, niet waar? Maar 't geheel is alweer bijgezet in het groote graf, waaruit geen herdenken opklimt.
Maar daar komt nog iets anders bij; hij weet het nu alleen niet meer, maar hij wil het ook: niet weten, voor en aleer hij gebracht wordt op de leerschool des H. Geestes.
Een van onze jongere dichters, hij wordt genoemd de prins, heeft het in een enkelen regel vastgelegd. Ik ben een God in 't diepst van mijn [gedachte. We laten het niet toe dat God ons zal onderzoeken, dan zouden we zgn levensrecht op ons onderschreven. Daartoe behoort die genadige omkeering, wanneer de mensch van koning w^er onderdaan wordt, als hij leert buigen en bidden.
Hij, de Allerhoogste, de Eeuwig-zijnde zal alle schepsel, dat uit Zijne hand uittrad, laten uittreden om aan Zijn rechtvaardig oordeel zich te laten onderwerpen. Hij weet alles. Hij meet met een rechte maatstaf. Hij ziet naar hoog noch laag. Hij vraagt enkel het Zijne. Ik leg u de vraag voor lezer: „zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken ? " In menschenhanden te; vallen lijkt u ook niet gunstig. Denk slechts aan Job, hoe onrechtvaardig, hoe onoordeelkundig was hun doen. David, als hij geplaatst wordt voor de keus: God of menschen, zullen het oordeel aan u voltrekken, wat roept hij uit: laat mij niet vallen, Heere, in de handen van menschen.
Ze zijn zoo wreed, hun hart is zoo hard. Men wilde er niet aan, dat dit waarheid zou inhebben, dat het met dien mensch niet te wagen was, toch komt de ervaring hoe langer hoe meer Gods woord bevestigen: hij is geen liefhebber van zijn naaste, enkel van 't eigen „ik". Zoudt ge 't liever willen, dat er stond: zal 't goed zijn, als uw naaste u zal onderzoeken ?
O, neen zegt ge, laat mij niét vallen in die hand, dan weet ik 't reeds vooraf, dan is 't verloren. ' Dus we willen 't laten staan, niet zelf, niet de naaste, maar Hij. Zal dat goed zijn? We willen u niet vermoeien met alles wat de ijdele bedriegelijke menschenwereld heeft verzonnen. Ge gelooft 't zélf niet al woudt ge 't duizendmaal uzelven voorzeggen: God wischt'met dezelfde hand waarmede Hij de ongerechtigheden teekent dezelve weer uit. Gods heerlijkheid gedoogt geen enkele zonde. Hij kan het kwade niet aanschouwen zonder het te bezoeken.
De wijze Prediker getuigt: van alles wat 'gehoord is, is het einde der zaak: vrees God en houd Zijngeboden, want dit betaamt allen men: schen, want God zal ieders werk in 't gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed hetzij kwaad.
't Gericht Gods, • daarheen wijst ongetwijfeld het woord van dezen tekst. Ge kent de lijn die loopt door de gansché openbaring Gods n.l. de zoekende liefde des Heeren naar 't verlorene. We leven nog in een heden van genade. Hij wil nog goedgunstig zijn, maar wat niet verzwegen mag: het einde van alle dingen brengt ons voor den Troon.
Hoe zal 't wezen? Zal 't goed zijn. als Hij u zal onderzoeken? Het pad dat toegang geeft waardoor men zal worden gebracht is dat van den dood. En nu geloof ik 't best, wat 't dichtst bij' staat ligt het meest frisch in ons geheugen.
Maar wat zijn die roepstemmen, des Allerhoogsten toch in onze dagen duidelijk te vernemen.
Wanneer daar een heele wereld in een vreeselijken krijg is gewikkeld, zoodat de slagvelden de dooden schier niet kunnen bevatten, zou het dan niet zijn voor die God-ontvluchtende 20ste eeuw een roepen des Heeren: denk er om menschenkind we'zullen elkander nog ontmoeten. Heeft het u niet aangegrepen, zooveel jonge levens weggemaaid en hoe velen zullen nog vallen? Allen zoo opgeroepen, zoo voor Gods aangezicht. Dat het ons dringen moge, tot een nauw onderzoek. Zal het goed zijn - als Hij u zal ontmoeten ? Des Heeren Woord zegt: onderzoekt uzelven of gij in 'tgeloof zij t, onderzoekt uzelven zeer nauw. Het gaat over het hoogste goed. We zullen dit onderzoek niet moeten mijden. Maar toch zal dit eejiigszins tot z'n recht komen, zoo dienen we (eenige lijnen te trekken, we zouden zeggen cirkels waar de mensch tusschen staat. Wij maken persoonlijk deel uit van het land en volk waartusschen God de Heer ons deed geboren worden.
Hoe zal 't zijn als God u — d. i. als Hij land en volk aan het onderzoek zal onderwerpen. Dit jaar 1916 staat op het punt afgesloten te worden. Ge komt het best tot 'n eindsom als ge ons plaatst naast andere landen en andere volken. Daar zijn landen waar de bloem der jongelingschap werd weggemaaid, waar de mannen en vaders werden ontrukt aan de armen der vrouwen om nimmer terug te keeren.
In al zijn wreedheid en laagheid werd daar de menschenwereld bloot gelegd, in schier alle landen rondom ons. Bij ons van dit alles geen spoor.
Troffen rampen landen in den vreemde, ze gingen het onze voorbij.
Waar is Nederland met die weldaden gebleven? Durft gij 't aan om te vertellen ?
Wanneer we 't zullen doen, dan alleen aan God. Hij kan ook wie doolden nog trekken.
Onze plaats van inwoning, ook haar geldt: zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken ?
We nemen, om ons niet in de zienlijke dingen te verliezen, plaats meer op geestelijk terrein.
Wanneer eene vergelgking zou worden ingesteld met andere plaatsen wat de prediking van den vollen Raad Gods betreft, zouden dan niet velen moeten getuigen: we hebben van dezen nooit gehoord, het voorrecht dat u te beurt viel. moeten wg missen, 't Is ons niet gepredikt, zooals het u eiken Sabbath opnieuw werd voorgehouden.
Waar blijft onze plaats met die prediking? Waar zijn de vruchten, die de Heere zoeken zal? Hebt ge er van gehoord dal er zielen werden getrokken, dat er gesproken werd: deze en die is daar geboren. We weten 't wel: ons tellen komt vaak niet goed uit. 'kNöem slechts twee namen. Abraham telde ze te Sodom. Hij dacht er zijn er minstens vijftig, en er waren er geen vijf. Elia telde in Israel. Hij zucht: „ik ben alleen overgebleven." En welk antwoord geeft de Heere: „er zijn er nog zeven duizend, die de knie voor Baal niet gebogen hebben."
Ons tellen geeft geen resultaat, maar wel mag en moet de vraag gesteld: hoe zal 't zijn als de Heere komt te onderzoeken. De prediker heeft geen acht te geven op den wind of op den regen; immers dan zou hij niet zaaien. Neen, hij mag en moet het zaaikoren uitdragen, hij zal op het woord des Heeren zaaien met volle hand. Naar alle wateren mag hij uitgaan. Maar wat niet uit kan blijven, de vraag kan niet binnengehouden: is daar ook zegen, zichtbare zegen te merken?
Op het Woord des Heeren moesten de priesters blazen op de bazuin en rondgaan met de Ark en op Gods tijd zou de veste Jericho's vallen. Zij gingen rond en bliezen op de bazuin, ze droegen de Ark en Jericho viel. Och, het doet zoo weldadig aan, wanneer men vernemen mag: daar is een ziel die is doorgebroken, deze heeft God gevonden.
We hebben het geen van allen verdiend, dat de Heere met ons bemoeienis maakt. Onze zonden zijn ook als Gemeente niet weinig, als Kerk niet gering. Wat komt van dat bukken voor des Konings Woord nog weinig;
De vraag waarop het aankomt, brengt ons tezamen in de schuld.
U, mijn lezer, en gij, die medereist op één pad, eeuwigheidskinderen, we gaan God tegemoet. Wijkt nu niet op zij, gelijk ook wij 't niet willen trachten.
Oudjaarsavond laat en vindt menige plaats ledig. Wie een vorige maal nog naast u zaten, zijn thans reeds opgeroepen; ze staan voor den rechterstoel. Hebt gij u in vollen ernst de vraag al voorgelegd: waar zou de eeuwigheid mij vinden ?
In dezen mag de schijn van egoïsme ons worden aangewreven. Wij moeten, wij mogen in een ure als deze ons niet verbergen achter: ik weet het nog niet. Wij nioeten niet eerder rusten voor we als een Hanna het kindeke aansöhouwen met oogen des geloofs.
Zal het goed zijn, als Ik u zal onderzoeken? spreekt de Heere.
U? Wien hebt ge gediend? Wat hebt ge op 't oog gehad? De Gemeente des Heeren te dienen ? Haar te sieren en toe te bereiden voor den grooten dag? Als een bruid zal ze eenmaal getooid wezen. Daar zal niets aan mankeerèn. Alles zal verkondigen den lof des Heeren. Maar nu, zijt gij daar ook tusschen, behoort gij ook daartoe?
Wij moeten het weten dat onze schuld is overgeschreven, overgenomen, toegedekt. Als wij in de plooien van Christus' kleed zijn geborgen, dan is er geen nood. Deze gerechtigheid heeft dezelfde eigenschappen-in als de mantel van een Elia. De Jordaan des doods wordt er mee geslagen en ge gaat droogvoets over.
Heerlijk, die dit gelooven mag, die op de vraag: „zal het goed zijn? ", ziende op Christus mag zeggen: ongetwijfeld, 'k Weet wat God aan mijne ziele gedaan heeft, 'k Weet wat ik van Zijne trouwe mag wachten. Uit vrije gunst, alleen om Christus' wille, word ik gezaligd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's