Uit het kerkelijk leven.
Wetensehappelijke arbeid.
Kort geleden werd het in de ethische Nieuwe Nederlmndsche Kerkbode door Dr. van de Meene uitgesproken, dat onder de ethische theologen toch maar de knapste koppen gevonden worden! Als dat zoo is, dan zou 't al een groote vooruitgang zijn, vergeleken bij de toestanden van vroeger. Want 100 jaar en 50 jaar en 25 jaar geleden kon alleen iemand' die vrijzinnig was maar knap zijn. Die niet vrijzinnig was, die was ook niet knap; die kon niet een wetenschappelgk man zijn. Dat was een stelling, die net zoo weinig aan twijfel onderhevig was als de stelling, dat twee maal twee 4 is. En dus, als de knapheid en de geleerdheid jau onder de ethischen zit, dan iö. 't al een stukske opgeschoven; opgeschoven naar rechts en dan hebben we te wachten dat het misschien nog wel meer zal opschuiven! Wie weet, of de wetenschappelijke Jtrein nu niet spoedig ónze stations binnenstoomt.
Hoe 't zij - in onzen gereformeerden kring tellen we niet al te veel doctoren en professoren. Onze gereformeerde predikanten munten over 't algemeen niet uit door hun wetenschappelijke studies. Laat ons dat maar eerlijk bekennen! En dat is bitter jammer.
Daar zijn tal van oorzaken voor te noemen. De gereformeerde theologie is zoolang in vergetelheid geweest. De gereformeerde beginselen waren verdreven van bijna elk terrein des levens. En de gereformeerden hadden een zoo zwaren en hangen strijd om nog te blijven wat se waren en om zich langzaam in het midden van de Kerk te versterken en uit te breiden.
Hoe bange worsteling onder de eenvoudigen in de plaatselijke gemeenten! Hoe weinige predikanten waren er niet, die hartelijk instemmend met de belijdenisschriften, zich openlijk schaarden aan de zqde van het gereformeerde volk 1 Hoe moeilijk was het niet om gereformeerde candidaten te vinden. Hoe werd ook in de Scholen, Lagere-, Middelbare en Hoogere Scholen saam, het gereformeerd beginsel doodgezwegen, bestreden, en belachen; — 'twas ook haast onmolijk, dat de gereformeerde beginselen het zouden uithouden in het inidden van de Kerk en in het midden van ons volk.
Doch ziet, de gereformeerde beginselen bleken van taaie levenskracht. Ze konden niet worden ontworteld, ze groeiden tegen de verdrukking in. En we kregen weer gereformeerde kerkeraden, gereformeerde predikanten — zelfs gereformeerde doctors in de godgeleerdheid en gereformeerde professoren in de theologie. 't Is een wonder in onze oogen. We zien het, maar begrijpen doen we 't niet. Doch nu wacht ons een-, zware taak. Onder onze gereformeerde predikanten moet de lust tot wetenschappelijke studie opwaken en men zal zich meer dan tot heden moeten gaan geven aan wetenschappelijken arbeid. Jammer, dat ook hier door 't beginsel der scheiding in de vorige eeuw een scheur getrokken is. Nu zijn onze krachten verbroken en versnipperd. Ben deel van de gereformeerde theologen heeft zich afgescheiden om in eigen kringe#fe te gaan en te staan. En men heeft de Vrije Universiteit zóó afgerasterd, dat er geen wetenschappelijk man kan en mag doceeren of hij moet behooren tot „de Gereformeerde kerken." Begrijpelijk 1 't Een is 't gevolg van het ander. Men kèn nu eigenlijk niet anders doen. Maar 'tis fataal.
En zoo werkt men om een Universiteit te krijgen met een theologische, juridische, litterarieche, medische faculteit, voor den kring van.... de Gereformeerde Kerken. Zelfs bij wiskunde zal men moeten instemmen met het beginsel van 1892, dat eaamgetrokken ia uit de beginselen van 1834 en '86. Natuurlijk!' Want als men één faculteit wil vastleggen binnen „de Gereformeerde Kerken", dan moet men het practisch óok doen met de andere faculteiten. Een „vrije" Universiteit moet één geheel ziijnl En wordt zoo practisch beperkt tot een kleinen kring. Waardoor het werk der gereformeerden evenwel gebroken is. En de gereformeerden in de Herv. Kerk zullen dubbel hun krachten hebben in te spannen, om op de publieke markt zich een plaats te veroveren en die plaats dan waardig en goed in te nemen, met vervulling van haar bizonder zware taak. Alles roept om onderzoek.
Elke tak van wetenschap heeft zoo broodnoodig dat er gereformeerde jonge menschen zich gaan wijden aan de grootsche en heerlijke taak, om als gereformeerd man van studie en kennis aan te pakken en de wetenschap te gaan dienen. Natuurlijk allereerst op 't gebied van de godgeleerdheid. De studie van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament vraagt reeds zoo lang: waar blijven toch de gereformeerde mannen van kennis en capaciteit, die zich met ijver willen geven, om hier te gaan werken? Het terrein van Kerkgeschiedenis en Kerkrecht moet weer betreden worden door gereformeerde theologen. Weteinschappelgke mannen moeten weer opdiepende oude, echte gereformeerde beginselen, om die, een helder gezicht op onzen tqd hebbend, met kennis van zaken en met een warm hart bekend te maken, te verbreiden en te verdedigen. Ach, we zouden nu al een beslissing willen uitlokken op ons kerkelijk erf; en we zijn nog niet eens begonnen, om de dingen met stoeren ijver en kloeken zin aan te pakken.
We zijn nog niét in de gelegenheid geweest om als gereformeerde mannen onze eigenlijke en eerste taak op te nemen: de dingen rustig te bestudeeren, naarstig te onderzoeken, helder uiteen te zetten en warm te verdedigen. Wie heeft het tot op heden aangedurfd om als gereformeerd man op het terrein van de Oud-Testamentische en Nieuw-Testamentische uitlegkunde op te treden en positie in te nemen tegenover de moderne historie-beschrijving? Wie heeft forsche Iqnen getrokken op het terrein van Kerkhistorie en Kerkrecht? Wie heeft den diaconalen arbeid belicht met het schijnsel onzer gereformeerde beginselen ? We zijn nog niet eens of nauwelqks begonnen in deze! Daar wacht ons dus een zware taak. We hebben te klagen over onze gereformeerde voorgangers en onze gereformeerde tijdgenooten.
Zeker I we willen gaarne verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen. En het beginsel der Scheiding smart ons ook hier schrikkelijk. Maar de Heere wil het weer ten goede keeren. Er komt knop en bloesem. Jonge vruchten worden gezien. En nu ook met ernst voorwaarts! We moeten méér doen dan er gedaan is. En hier opent zich een schoon veld voor onze jonge theologen en voor hen die nu üog aan de Universiteit zijn.
Laten we toonen, dat we onze roeping in deze verstaan. Laten we meer doen dan wat mee heen en weer loopen; dan wat heen en weer praten; dan de dingen nauwelijks met het uiterste van onze vingers aan te raken.
Laat 'er een ernstige zin tot studie mogen gevonden worden. Een heilig ijveren om op wetenschappelijk gebied uit te komen met werk dat gezien mag worden. En laten we intusschen weten te wachten, weten te werken, weten te ijveren — in, heilige gemeenschap der liefde en met de versterkingen en de vertroostingen, die voortspruiten uit het leven des gebeds. Innige vroomheid met godzaligen wandel hebben WQ noodig bij onze theologen, vooral bij ogze jonge theologen. Oprechte liefde en heilige ijver voor onze Hervormde, Gereformeerde, Kerk. Lust tot studie en kracht om wetenschappelijk werk te doen. En rondom die theologen-groep, hebben we noodig geneesheeren, leeraars aan Gymnasia en Hoogere Burgerscholen, onderwijzers aan scholen voor Lager-en M. U. L. Onderwijs. Want — is het niet iii-droevig, dat we ook onder de christelijke artsen en christelijke advocaten en christelijke leeraarsonderwijzers telkens weer tevergeefs zoeken moeten naar Hervormde mannen van gereformeerd beginsel ? Er ligt hier toch zoo'n mooi terrein open. Want ons volk wil over 't algemeen nog wel zulke mannen. Maar door gebrek, uit armoe, staan we dan telkens zónder. .Endan vallen we veelal in handen van hen, die we toch eigenlijk niet moeten hebben. Ook dit is een kwaad, dat onder ons gevonde.n wordt.
Over doove Kolen,
Wij hebben geruimen tijd geleden, grijpend uit de practijk van ons leven, een enkel stukje geschreven over de Geref. Kerken en toen gezegd, dat hier en daar het hoogmoedsbeginsel wel te bespeuren is. En dat het vooral in plaatsen, waar in de Hervormde Kerk een gereformeerde prediking is, niet zelden mijnheer A. of boer B, zich opwerpt om z.g n. „de reformatie ter hand te nemen" en ijverig zich bemoeit om een eigen Kerkje te krijgen; in welk Kerkje dan, een stuk of wat mannen en vrouwen en kinderen saamkomen, voortdurend smalend sprekend over die synodale Kerk, dien synodalen Kerkeraad en synodalen dominé.
't Is ons toen in den kring der Geref. Kerken hoogst kwalijk genomen, dat we zóo dorsten schrijven en onze woorden niet weinig verdraaiend, heeft men in allerlei Kerkbodes wraak geroepen! Wat natuurlijk weer ten gevolge had, datjtal van menschen, die ons artikel niet geleze hadden, de meest scheeve yoorstelling hadden van 't geen we hadden gezegd.
Dat het ging over het beginsel van hoogmoed, dat bij sommige zg.n. vóó mannen en in sommige z.g.n. Geref. Kerken onaangenaam naar voren komt, dat wist men niet. Er waren er, die ons verklaarden in de meening verkeerd te hebben, dat wij alle menschen van de Geref. Kerken voor dronkaards (kruikje) en veelvr^ters (buikje) hadden gescholden. Wat natuurlijk kwam omdat enkele redacteurs van Kerkbodes dat de menschen hadden wijsgemaakt! We hebben nog getracht om in particulier geschrift b.v. met Dr. A. Kuyper Jr. te Rotterdam en Ds. O. L. F. van Schelven te 'Wageningen hierin enkele opheldering te geven, met verzoek aan den laatste om met name in de ijfeldersch Kerkbode ook ons antwoord op te nemen, maar 't heeft niet mogen baten. In de Qeldersche Kerkbode was toen geen plaa en sinds is er geen. ruimte nog gekomen voor deze zaak
't Zij zoo! Maar wa, t wij gezien hebben en nog zien in sommige kringen zullen we, vooral wanneer dat beleedigend en grievend is voor onze Herv. gemeenten, waar de gereformeerde prediking is en een actie op elk terrein des levens gevoerd wordt naar ons geref. beginsel, - niet verzwijgen. En vooral als men telkens van dien kant op roof uit is, zullen we spreken.
De verwaandheid en opgeblazenheid en brutaalheid van dien - kant kan ons bij tijden geweldig tegenstaan, wat ons dikwijls smart omdat het gepaard gaat met de onbarmhartigste en meest grievende minachting voor alles wat Hervormd is. Niet dat wij zoo „Kerkistisch" zijn. Dat willen we ook niet zijn. De practijk van ons leven heeft bewezen, dat we dat niet begeer en te zijn. Met dedaadhéhhen we dat nu bewezen, 16*jaren achtereen !-Maar het wordt ons toch hoe langs hoe meer duidelijk, dat het in de Geref. Kerken niet alles goud is wat er blinkt en dat er niet zelden een onbarmhartig, liefdeloos en hoogmoedig veroordeelen en verachten is van alles wat Hervormd is. Als er maar even gelegenheid voor is, dan wordt dat weer openbaar.
En dat wil men dan wel ontkennen met enkele groote woorden en enkele over-welwillende schikkingen. Maar we laten ons geen zand in de oogen strooien door een en ander, 't Is ons te doen om den ondergrond der dingen en de werkelijkheid van de practijk en - 't spijt ons geweldig dat we het zeggen moeten - dan weet men in den kring van de Geref.
Kerken absoluut niet wat er in de Hervormde Kerk leeft, " men kent de predikanten en de menschen niet, en als grondtoon komt dan toch in alles uit: de grootste kleinachting en dikwijls de meest grievende beleediging aan het adres van alles wat Hervormd is.
We staan dikwijls verbaasd, als we opmerken, dat ook vooraanstaande menschen in de Geref. Kerken zoo'n gedrochtelijke en bespottelijke-voorstelling hebben van 'tgeen in de Herv. Kerk gevonden wordt! ^mis belachelijk naïef — dan weer er^^ijk door banale voorstelling. Zooals de Roomsche over den Protestant spreekt, zoo spreekt de man en vrouw van de Geref. Kerken over den^ Hervormde!
Leert men dat de kinderen op de catechisatie? Maakt men de menschen van der jeugd; afean zoo hoogmoedig en zorgt men er voor, dat jongelingen en jongedochters als farizeën leeren wandelen, zich wel wachtend om met „die" Hervormden in aanraking te komen? Wij hopen nog altijd op betere tijden! En waar niet zelden in Hervormde kringen hooge achting is voor de Geref. Kerken, maar van uit de Geréf. Kerken niet weinig groote minachting geopenbaard wordt voor alles wat Hervormd is - daar kon God wel eens bezig zijn, om ons ddar aan te grgpen. • Want we moeten bij elkaar komen. Natuurlijk! Wat uit éen beginsel leeft, moet ook bij elkaar wonen. Gods eer is er mee gemoeid. En wat zien we dan? We zien in de Herv. Kerk het gereformeerd beginsel opleven. .
- Maar dat is gebroken, doordat > van ons zijn uitgegaan, die Mj ons hooren. Nochtans leeft het gereformeerd beginsel weer op; overal in het midden van de Herv. Kerk. Als men maar zien wil, dan ziet men het! Waarbij we soms klanken beluisteren uit het midden der Geref. Kerken, die er wel eens op konden wijzen, dat men daar het hoogte-punt bereikt heeft en dat het daar „de.dood in de pot" is. We zeggen niet, dat daar geen drukte genoeg gemaakt wordt. Drukte genoeg. Misschien veel te veel. Reclame overal. En de loftrompet wordt nog genoeg aan den (eigen) mond gezet. Maar de . werkelijkheid is in velerlei opzicht, dat men blijkbaar het hoogtepunt bereikt heeft en dat het alles geen goud is wat er blinkt, ja, dat het „de dood in de pot" is. Wij zeggen dat niet uit leedvermaak. Maar we zien daarin de gangen Gods. Men heeft zich los gemaakt van het huis des Heeren, waar men van den Heere zelf een plaats ter woning had ontvangen.
En men heeft zichzelf een tempel gebouw^d. Maar nu komt men - geïsoleerd te staan. Wat in 't begin zoo erg niet was. Integendeel, in 't begin staalt'^ en sterkt dat. Maar langzamerhand verslapt men. Men past niet in het groote geheel. In Universiteit, in gemeentelijk leven raakt men niet genoegzaam het groote geheel. En dat geeft onderling krakeel, afgunst, hatelijkheden. Terw^ijl het naar buiten machteloosheid openbaart, wat niet zelden tot verslapping'leidt en tot aanleiding geeft aan den eenen kant hatelijk veroordeelen van anderen en aan den anderen kant tot aanpassen aan de omstandigheden, boven hetgeen eigenlijk toelaatbaar is.
Dat zijn de gangen Gods! e Opmerkelijk is, wat uit eigen kring in deze soms losgelaten wordt. En dan bedoelen we het geschrijf van ts Ds. van Schelven in de Qelderache Kerk bode over heel en half uitgedoofde kolen Hij schreef dit: „Van de Scheiding kan gezegd, dat het eerste vuur in 1886 reeds geruimen tijd niet meer gloorde als gehoopt had mogen worden." „Toen de ijver voor de zuivere waarheid blaakte in de Kerken der doleantie, kwam de inéénsmelting, en toen reeds domineerde de vraag, zal de Gereformeerde halfuitgedoofde kool het winnen van de witgloeiende. De uitkomst heeft geleerd, dat afgekoeld 1834 nog al verkoelend heeft gewerkt op 1886, sedert 1892. . We zeggen het met droefheid, met de bede, dat het gezien, betreurd, beleden worde met een droefheid naar God, dan blijft de bekeering niet uit." Wie dit nu eens even kalm indenkt, die voelt aanstonds, dat Ds. v. Schelven constateert, dat het veelal achteruitgaande is in de Geref, Kerken ; dat het doodsch, dor, koel, koud is daar.
De loftrompet wordt dan aan den mond gezet, om eere te geven aan de meest zuiveife beweging der doleantie; om h'oogelijk te prijzen de wit-gloeiende kool van 1886; om tegelijk te zeggen dat de scheiding, van 1834 in 1886 reeds zoo goed als 'uitgegloord had en op sterven na dood was; dat toen helaas in 1892 bij de inéénsmelting de uitgedoofde kool van de scheiding de wit-gloeiende kool van de doleantie ook dood gemaakt heeft; zoodat sinds 1892 nu twee doove kolen naast elkaar liggen, waarbij men verkleumt van de kou. Niet zonder eigen roem, als man van de doleantie.
Niet weinig beleedigend voor de A-broeders van '34. Weinig streelend voor de tegenwoordige vereenigde-Geref. Kerken! We herinneren ons dat jaren geleden iemand, ons vertelde, hoe het toegegaan was op een Synode der Geref. Kerken, toen er een Commissie benoemd was, die pogingen in 't werk zou stellen om Kampen met Amsterdana vereenigd te krijgen.
Dr. A. Kuyper Sr. was toen voorzitter van die commissie en zei in zijn rapport ter Synode ongeveer dit : „Mannen Broeders, we kwamen te Kampen en toen viel het ons op, dat de boel daar zoo verveloos was enz " Dat moest dienen als bewijs, dat de Theol. School te Kampen er bijna geweest was en dat het wel een klein kunstje zou wezen, om Kampen op te slokken en met de Vrije Universiteit te vereenigen. Ook zoo iets van een wit-gloeiende kool te Amsterdam en een uitgedoofde kool in Kampen! Intusschen is de Theol. School te Kampen weer opnieuw geverfd en Amsterdam heeft Kampen nog niet om hals kunnen brengen. Dat men vooral in de kringen van „de Bazuin" en van „de Wachter" die beschrijving van Ds. van Schelven over die uitgedoofde en wit-gloeiende kool niet met heel veel vriendelijkheid aanvaardt, zal ieder gemakkelijk kunnen begrijpen.
Prof. Bouman zegt in „de Bazuin" a . . . dat de zuivere waarheid door de Doleantie weer is te voorschijn gekomen, doch dat de qver voor de zuivere waarheid met en na de inéénsmelting van 1892 is uitgedoofd door de Kerken en de leden van Chr. Gereformeerde afkomst" — het is misschien wel eens goed dat zulke dingen eens gezegd worden. Men weet dan, welke beschouwing nog altoos leeft in sommige, kringen over de Kerken geboren uit de actie in 1834, Oude beschuldigingen, vroeger wel geuit, duiken weer op. Maar of het wel goed is dat een redacteur vap een Kerkbode zulke wonderlgke kost oplepelt voor zijne lezers en hen zoo onwaar voorlicht, '-zoo onwaardig en onbroederlijk spreekt over een deel van de medeleden der Kerk? Ds. van Schelven zal zijn eigen woorden wel moeten af keuren enz."
En in „de Wachter" lezen we: „De Kerken van 1834 noemde hij een „ Gereformeerde half uitgedoofde kool", de Kerken van 1886 een Gereformeerde „wit-gloeiende kool." En de inéénsmelting in 1892 heeft ten gevolge gehad, dat die half uitgedoofde «nogal verkoelend" gewerkt heeft op de wit-gloeiende kool. M. a. w. de achteruitgang en verkoeling, waarover valt te klagen, is te wijten aan den invloed van de Kerken van 1834. Is het niet kras? Me dunkt, een ieder zal zulk geschrijf veroordeelen.
Toch valle men den schrijver niet al te hard. Hij is in die idee opgegroeid, dat bij de Kerken van '86 het licht was en bij die van '34 vrijwel duisternis, hoogstens schemerlicht. En hij heeft verwacht, dat na de vereeniging de invloed van '86 in alles zou praedomineeren.
Maar die verwachting is niet vervuld. In de Kerken van '34 zat meer levenskracht dan Ds. V. Schelven meende. Van de „half uitgedoofde kool" ging heel wat rneer invloed uit dan hij mogelijk achtte. Énnukonit zelfs-de vraag . niet bij hem op, of hg zich wellicht een weinig vergist heeft, of hij heeft aangezien voor een half uitgedoofde kool, wat inderdaad een vurige kool was. Neen, die oorspronkelijke opinie zit zoo vastgeroest, dat elke andere gedachte uitgesloten is.
En hij gevoelt zelfs niet, dat het door hem gebruikte beeld juist een aanklacht is tegen de Kerken . van '86. Elke huisvrouw zal toch aanstonds zeggen: „als die gloeiende kool, inplaats van de half uitgedoofde aan te steken, onder den invloed van deze laatste afgekoeld is, dan is het geen kool van de beste soort geweest."
„Het gevolg is, dat hij thans zich verkleumd gevoelt bij twee half uitgedoofde kolen." Men ziet hoe de A-broeders staan tegenover de B-broeders in de sedert 1892 vereenigde Geref. Kerken! '34 was een half uitgedoofde kool, volgens B. * '86 was „geen kool van de beste soort", volgens A. En nu zitten A en B te verkleumen bij uitgedoofde kolen. Zijn dat ook de gangen Gods in het midden van ons volk? Als men gaat scheiden wat God saamvoegde, dan gaat verdooven, wat anders zou gloeien. In den haard van onze aloude Geref. Kerk moet het vuur weer opvlammen! Daar is Gods eer mee gemoeid en 't' is een volksbelang! } Daèrom spreken we ook over deze zaak.;
Kerkelijke Hoogleeraren.
Ook hierinis vooruitgang te bespeuren. Om in het Noorden te beginneu: daar in Groningen, waar vroeger de modernevangelische richting aan 't woord was vinden we nu mannen als Prof. van Veldhuizen en Prof. Aalders. In Utrecht, waar pas nog de moderne Prof. Cannegieter dogmatiek doceerde, zit nu Prof. Slotemaker de Bruine. In Leiden, het moderne Leiden, is ook niet'alles meer vrijzinnig, daar Prof. van Nes in 1907 benoemd is geworden. Ook hier is de wissel dus omgetrokken en zijn we langzamerhand op een ènder spoor overgegaan. Evenwel heerscht hier veel te veelde partijgeest nog. De Commissie van voordracht is gemengd: modern en orthodox. De orthodoxen hebben de meerderheid en de modernen kunnen niets beginnen als de orthodoxen één lijn trekken.
Maar wat zien we nu? Dat onder de orthodoxen de ethische richting aan 't woord is en men nu geregeld eischt, dat alle orthodoxe leden van de Commissie van voordracht op een ethisch man stemmen. Juist nu er vooreerst - naar den mensch gesproken - geen vacature is voor Kerkelijk hóogleeraar, willen we nog eens weer op deze dingen wijzen. Men moest niet zoo enghartig partijdig zijn.
We weten wel, dat elke partij - óok de confessioneele en gereformeerde groep in onze Kerk - uit den aard der zaak partijdig is aangelegd. Maar hoe meer we deze dingen eerlijk onder de oogen zien, hoe eer er kans op is, dat het ten goede verandert. En 'daarom zouden we zoo gaarne willen, dat er onder de leden van de Commissie van Voordracht eens een andere en betere stemming mocht komen en dat men ook eens ging denken aan orthodoxe, niet-ethische mannen, die aan onze Rijks-Universiteiten dan kunnen optreden tot opleiding 'van de a.s. herders en leeraars onzer Herv. Kerk.
Of er dan buiten de ethischen wel geschikte mannen zijn?
Wij denken aan een woord van Prof. Visscher, vroeger in „De Waarheidsvriend" geschreven (9 April 1915), waar hij zegt; „Het doet ons leed te moeten constateeren, dat van de gereformeerde en de hun zoo na staande confessioneele broederen niet één man in aanmerking komt. Ons dunkt dat de benoeming van een confessioneel, man geen overbodige weelde was, siendé de nooden der gemeenten, die hoe langer hoe meer uiting geven aan de begeerte naar degelijke onderlegde gereformeerde dienaren des Woords. Dit klemt te meer, wijier onder de confessioneele broederen zeker wel een gevonden worden, die voor een kerkelij ken leerstoel de geschiktheid en de bekwaamheid bezitten.
Hiermee zijn we het hartelijk eens. En wat in deze richting ook maar éenigszins gedaan kan worden, moeten we niet onbeproefd laten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's